Kunst tegen schuld

Jongeren met problematische schulden. Ze zijn er genoeg in Amsterdam, maar hoe ze te helpen? Weer een nieuwe dreigbrief van de deurwaarder, het incassobureau of de uitkeringsinstantie drukt ze alleen maar dieper in de ellende. Twee instellingen, No Academy en Het Instituut, pakken het anders aan en proberen met de inzet van kunstenaars de complexe problematiek te lijf te gaan. Gids-redacteur Dirk van Weelden nam poolshoogte en ziet potentie in de aanpak.

Het was op het eerste gezicht een weinig spectaculaire performance tijdens de laatste Nacht van de Filosofie (gewijd aan schuld) in de Beurs van Berlage: een stel jonge mensen in een donker bewakersuniform, die tussen de gebruikelijke potpalmen met de handen op de rug naast een beeldscherm stonden. Daarop was te zien hoe hun betaalde arbeid (suppoost zijn op de Nacht van de Filosofie) bijdroeg aan het slinken van hun schuld. Hun loon bedroeg € 2,53 per uur, wat overeenkwam met het geldende minimumloon. Hun schuld daalde elke vijf minuten met ruim twintig cent. Het geprojecteerde bedrag slonk voortdurend, maar bij een gemiddelde schuld van tienduizenden euro’s was het een druppel op een gloeiende plaat.

Deze performance werd later herhaald bij de opening van een tentoonstelling in de kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae en was de uitkomst van de samenwerking tussen Beatrice Puijk, Taco Stolk en de jongeren met wie zij in contact waren gekomen via hulporganisaties die zich bezighouden met jongeren met schuldproblemen. Puijk en Stolk zijn kunstenaars die deelnamen aan een project waarin kunstenaars en wetenschappers in een open, interdisciplinaire setting samenwerken met direct betrokkenen. Het Schuld-project, dat na een kleine twee jaar grotendeels is afgerond maar nog wel een vervolg krijgt, is een gezamenlijk initiatief van No Academy en Het Instituut.

Wat de performance aan het licht bracht, heel feitelijk en direct, was de pijnlijke realiteit van de schuldenproblematiek, die allang niet meer een exclusief probleem is van enkele dysfunctionele probleemgevallen die met gok-, koop- of drugsverslaving kampen. Achter de economische crisis schuilt tenslotte de financiële crisis, die bij nadere beschouwing in de Verenigde Staten en Europa eerst en vooral een schuldencrisis is. De grote welvaart waarin we leven is volledig afhankelijk geworden van een financieel systeem waarin het draait om de handel in schuldpapieren en de complexe, razendsnelle speculatie op de fluctuerende waarde daarvan. Economen ruziën over de berekeningen, maar de schulden van bedrijven en huishoudens bedragen in Nederland meer dan 200 procent van het bruto binnenlands product. Wie daar de overheidsschuld bij optelt (ruim 70 procent van het bbp) en bedenkt dat we ook daar met z’n allen nog eens voor opdraaien, is duidelijk dat de economische crisis niet door wat opgewekt consumeren, innoveren en investeren vlot omslaat in een bloeiende hoogconjunctuur. Het woord systeemfout dringt zich op.

Wat de jongeren met schulden, wier levens door schaamte en stress geregeerd worden, ontdekten toen ze, eerst met de kunstenaars en later met de oudere en veelal hoogopgeleide bezoekers van de Nacht van de Filosofie en in Arti aan de praat raakten, was dat velen van hen ook schulden hadden. En veel grotere vaak. Studieschulden, hypotheken en kredieten, verstrekt aan hun bedrijfjes. Zij schaamden zich niet. De schulden waren onder controle en waren zelden een molensteen om hun nek.

Omgekeerd ontdekten de anderen door de gesprekken met de jongeren hoe weinig ervoor nodig is om aan de verkeerde kant van de streep terecht te komen en in een slopend gevecht met deurwaarders, incassobureaus en uitkeringsinstanties verzeild te raken. Een afgebroken opleiding, een afgelopen flexibel arbeidscontract, moeite aan werk te komen, een verbroken relatie, een ondoorzichtig wurgcontract met een verhuurder, kredietverstrekker of telefoonprovider zijn genoeg. Daarna stapelen de rentes, boetes en incassokosten zich op. Want schulden zijn handel: de een z’n schuld levert de ander z’n winst.

De schuldenaren in de Beurs van Berlage en Arti werkten niet alleen als beveiligers, ze werden ook tentoongesteld als personen die publiekelijk uitkwamen voor hun schuldenprobleem. Dat leverde een emotioneel geladen situatie op, want al dat maatschappelijk en intellectueel geëngageerd publiek schuifelde pal langs de mensen die zichzelf te kijk zetten als problematische schuldenaren. Dat maakte de bezoekers ongemakkelijk. Het toonde hoeveel schaamte en frustratie er rond het verschijnsel schuld meespelen. En wat ervoor nodig is die te overwinnen. Bovendien werden de bezoekers eraan herinnerd hoe comfortabel en makkelijk het is de schuldenproblematiek tot een privé- en in laatste instantie moreel probleem te vernauwen.

Amsterdam Nieuw-West

Het project waar deze performances deel van uitmaakten richtte zich op jongeren met schulden in Amsterdam Nieuw-West. En dus waren ook het Nibud, de Kandidatenmarkt (een gemeentelijk activerings- en begeleidingsprogramma om jongeren aan het werk te helpen) en een bank betrokken. Het doel van No Academy en Het Instituut was om proefondervindelijk uit te zoeken hoe jongeren met een schuldenprobleem werkelijk uit hun benarde situatie kunnen raken, dat wil zeggen dat ze zichzelf kunnen onderhouden, hun schulden afbetalen en weer verder kunnen met hun leven. Ook al zouden er maar tien of twintig jongeren deelnemen, het ging er vooral om kennis over het schuldenprobleem op te doen door ideeën van de meest uiteenlopende aard uit te proberen.

Welzijnswerkers, wetenschappers, kunstenaars kwamen tot het concept van een schuldencoöperatie, die een cursus aanbiedt bestaand uit activiteiten die erop gericht zijn mentale obstakels te overwinnen en erachter te komen welk nieuw werk het beste is waarmee iemand zichzelf kan onderhouden. Die activiteiten omvatten groepsgesprekken en sessies met een psycholoog, maar ook de samenwerking met kunstenaars. De cursus is er niet alleen om de deelnemers sterker en zelfbewuster te maken, maar is ook een selectiemechanisme, dat bepaalt welke twaalf jongeren het aanbod krijgen om schuldenvrij te worden. Het idee is namelijk dat de coöperatie met steun van een echte bank optreedt als instelling die de schulden overneemt (preciezer gezegd, in depot neemt), waarna de jongeren, na afsluiting van het programma eenmaal zelfredzaam geworden, renteloos en in een aangepast tempo hun schuld aflossen. Niet aan de oorspronkelijke schuldeisers, maar aan hun eigen coöperatie die ze helpt er weer bovenop te komen.

Waarom zou een bank daaraan meedoen? Voor de bank is het risico overzichtelijk omdat heus niet alle twaalf mensen die in de cursus geselecteerd zijn, incapabel zullen blijken om, met alle hulp en contacten die ze aangeboden krijgen, hun draai te vinden. En de mensen die daarin slagen betalen hun schuld terug. Bovendien levert het hele proces gedetailleerde en waardevolle kennis op over jonge mensen met schulden, kennis die je zelfs kunt verkopen. Succesvolle jongeren die zich uit de schulden werken en een baan krijgen of voor zichzelf beginnen, zijn ook nog eens interessante nieuwe klanten van de bank. Tot slot geeft het project de bank een kans iets van maatschappelijke betrokkenheid te tonen, niet alleen door sponsoring en pr maar ook door werkelijke begeleiding en hulp.

Dit schuldhulpverleningssysteem dat bedacht werd in het project heet Ons Bank. Het is nog niet helemaal uitontwikkeld en krijgt een vervolg. De performance in de Beurs van Berlage waarover ik het had, was een uitvloeisel van een trainingsdag waarop jongeren met schulden en kunstenaars elkaar ontmoetten. Wat waren de leerzame elementen in die optredens? Het overwinnen van angst en schaamte, het openlijk uitkomen voor je schuld en het ontwikkelen van een vorm van regie/gezag over de situatie werden gezien als de voornaamste positieve ervaringen. Bovendien kwamen de schuldenaren door de performances terecht in een heel andere sociale wereld, waar de gesprekken met de bezoekers verbazing en nieuwe inzichten opleverden.

Beeldtaal

Ik sprak met kunstenaars die met de jongeren andere activiteiten ondernamen die onderdeel waren van het project rond de Ons Bank. Sophie Krier en Brigiet van den Berg hielden zich bezig met de beelden die er rondom schuld bestaan. Ze verzamelden beelden van het internet, uit films en cartoons, uit nieuwsitems en reclames en vroegen de jongeren hun eigen gevoelens bij schuld te verbeelden. Er waren ontwerpsessies, er werd getekend. Uit de gesprekken kwam een plan voor een reeks beelden en teksten die op T-shirts en sweatshirts werden gedrukt. Allemaal in het kader van wat in het project ‘confessie’ genoemd werd: het bekennen, onder ogen zien en openlijk verantwoordelijkheid nemen voor de schuld. Maar ook weer vanuit het aloude idee van empowerment, het sterk maken door in groepsverband stoom af te blazen, je in anderen te herkennen en iets op te steken.

Krier gaf toe dat het idee om te werken met beelden uit klassieke Hitchcock-films en die te koppelen aan de beelden uit hedendaagse blockbusterfilms waar de jongeren mee kwamen niet erg uit de verf gekomen was. Misschien was het verband toch wat te vaag en indirect. Meer respons kwam er op de citaten uit films over geld, kapitalisme, hebzucht en het gevoel van de kleine man altijd de pineut te zijn. Ook de T-shirts met beelden van een man in het drijfzand sloegen aan. Wat voor haar overeind bleef, was het idee dat het interessant was om beelden rondom schuld te onderzoeken, omdat de stereotypen erover verlammend en onderdrukkend werken. De beeldtaal van schuld ontmaskeren en een eigen beeldtaal ontwikkelen is een manier om de omgang met schuld van schaamte te ontdoen, eerlijker te maken, menselijker en minder gedomineerd door slachtofferschap.

Carina van der Ham draaide het in haar voorstel exact om. Wat voor beeld hadden de schuldenaren van de schuldeisers? Hadden ze daar wel een beeld van? Hadden schuldeisers wel een gezicht of betaalden ze aan een gezichtsloze instelling? Ze nam twee jongeren onder haar hoede en ging uit van de gevreesde brieven die ze in stapels voorhanden hadden, waarin het gaat over aanmaningen, boetes, extra kosten, en waarin dreigementen, verwijten en veel volstrekt onbegrijpelijke frases staan. Welke passages zijn het ergst? Welke onwaar? Welke gemeen en kwetsend? Wie schrijft er zulke brieven?

Op het bewerken van de brieven met tekeningen, commentaar, woedende krassen en onderstrepingen volgde een cursus zeefdrukken. Het ambachtelijke procedé was de jongeren onbekend en leverde dus een nieuwe ervaring op, maar bovendien een reeks prenten. Het plan was om de schuldeiser anders te benaderen dan als probleem of slachtoffer, en met een cadeau aan te komen. Een zorgvuldig ingelijste en verpakte, zelfgemaakte prent. Wie kan er een cadeau weigeren? Dat de beelden op de zeefdrukken gebaseerd waren op de bewerkte brieven van het betreffende deurwaarderskantoor gaf de hele actie het aspect van een zelfoverwinning. Een gebaar dat ertoe uitnodigt om meer als gelijkwaardig en als een mens aangesproken te worden, niet als een nummer of een opstandig huisdier. Een contra-act, of tegenzet, noemde Van der Ham het.

Ze vertelde hoe ze met Dominique, die erg enthousiast was geworden van het maken van de prent, gebaseerd op de allerergste brief die ze had ontvangen, aankwam bij het deurwaarderskantoor en in een surreële scène terechtkwam. De man achter het pantserglazen loket verwerkte in verbijsterde stilte de mededeling dat ze de deurwaarder een cadeau wilden aanbieden, een kunstwerk, zelfgemaakt. De portier herpakte zich en zei: cadeaus aannemen is onmogelijk. De vrouwen bleven op hem inpraten en vroegen of hij wilde overleggen met zijn leidinggevende. De portier belde met zijn chef. Die leek het, voor deze ene keer, goed te vinden dat een klant een cadeau gaf. Toch liep de hele onderneming spaak en wel op een manier die een treffend beeld geeft van de wereld waarin Dominique terechtgekomen was: het kunstwerk paste niet in de schuiflade die onder het pantserglas doorging. En de deur opendoen? Gewoon aanpakken? Nee, dat was ondenkbaar. Het protocol verbiedt het openen van de buitendeur tijdens kantooruren. Wat Dominique nog het meest goed had gedaan was dat de portier aan de telefoon tegen zijn chef had gezegd: er staan hier twee kunstenaressen. Zo liep ze toch nog rechtop en met een glimlach het kantoor uit.

Met de andere jongere die een prent had gemaakt kon Van der Ham wel tot een kantoor doordringen. Oussama was aangenaam getroffen door de man met wie hij daar sprak. Iemand die oprechte moeite leek te hebben met het uitvoeren van sommige van de opdrachten die hij kreeg. Dat ook de mensen die bij zulke instellingen werkten in staat waren tot begrip voor zijn situatie luchtte Oussama wel op. Het gevoel achtervolgd en opgejaagd te worden werd er minder van.

‘Strike Debt!’

Deze Nederlandse variant van alternatieve schuldhulpverlening doet onweerstaanbaar denken aan veel ruigere vormen van analyse en verzet die de schuldencrisis oproept. Een van de weinige concrete uitkomsten van de Occupy-beweging in de Verenigde Staten is het activisme van zogenaamde Debt Resistors, die zich onder de slogan ‘Strike Debt!’ in steden door het hele land bezighouden met het opzetten van een soort vakbondsorganisatie voor mensen met problematische schulden. De economische situatie is in de Verenigde Staten veel grimmiger dan bij ons, vooral vanwege de op veel grotere schaal verstrekte giftige hypotheken en woekerleningen, de veel onzekerder arbeidsverhoudingen, het peperdure onderwijs, de vrijwel afwezige sociale voorzieningen en de extreem dure ziektekostenverzekeringen. Er zijn daarom veel mensen die menen dat hun schulden onder dwang of door het bedrog van financiële instellingen zijn ontstaan en dus een vorm van onrecht zijn. Ze stellen dat de basiselementen van het leven: huisvesting, onderwijs, gezondheidszorg, voor steeds meer mensen onbetaalbaar worden. Velen die deze basisvoorzieningen veilig willen stellen raken verstrikt in een hopeloze schuldenproblematiek. Zelfs een volledige middenklassebaan is vaak onvoldoende om die het hoofd te bieden. De schuldenindustrie van incassobureaus en deurwaarders, die in de VS veel en veel groter en machtiger is dan in Europa, is er in hun ogen op uit deze kwetsbare groep uit te buiten en het onmogelijk te maken dat ze ooit van hun schulden af komen.

Wat de Debt Resistors doen is klassiek activisme. Een beweging van onderop, autonoom, basisdemocratisch, gericht op bewustwording en resultaat. Het opzetten van gemeenschappen en netwerken van lotgenoten waarin kennis, contacten en juridische ondersteuning worden gedeeld vergroot de weerbaarheid. Maar het afgelopen jaar heeft er een nog veel verdergaand en controversiëler initiatief gelopen, dat met het begin van het nieuwe jaar weer is gestopt. Het heette Rolling Jubilee (naar het bijbelse jubeljaar waarin schulden nietig worden verklaard) en kwam er kort gezegd op neer dat men via een website geld inzamelde en met dat kapitaal de schuldenmarkt op ging. Moeilijk te innen schulden worden doorverkocht, vaak aan bedrijven die hardhandiger en intimiderender methodes toepassen dan gewone banken en ziekenhuizen. De prijs voor zo’n schuld is soms maar vijf of tien dollarcent per dollar. De Debt Resistors van Rolling Jubilee kochten vooral medische en huisvestingsschulden op en verklaarden ze nietig, oftewel, inden ze domweg niet. De betrokkenen kregen een brief waarin stond dat ze van aflossing waren verschoond.

Met iets meer dan 600.000 dollar aan ingezameld geld wisten ze zo 14,7 miljoen dollar aan schulden te laten verdampen. Het klonk als een uitgekookte Robin Hood-actie, en dat was het ook voor de mensen die ermee geholpen werden, maar er was ook kritiek op. Moest je wel op die manier meedoen aan die perfide handel in schulden en daardoor de prijs van de schulden opdrijven? Leidde dat niet alleen maar tot een nog hardere aanpak van de andere schuldenaren? Bracht je zo het idee van solidariteit niet in gevaar? Zoals gezegd, het Jubilee is afgesloten en men stopt nu alle energie in het opzetten van debtors unions.

Confessie

Hoe anders is het vertoog dat je aantreft in de papieren waarin verslag gedaan wordt van het Schuld-project van No Academy en Het Instituut! Wat we erbij in aanmerking moeten nemen is dat hierin gewerkt wordt met jonge, beginnende kunstenaars, niet met in sociale projecten ervaren vakgenoten. Wat opvalt zijn een paar dingen. Natuurlijk is er ook hier sprake van de empowerment-gedachte: de jongeren uit hun isolement halen, hun sores laten delen en met hulpvaardige buitenstaanders laten praten over wat eraan gedaan kan worden. Waar in het Amerikaanse activisme de nadruk ligt op de politieke analyse van het systeem, het aan de kaak stellen van de misdadigheid ervan en het organiseren van juridische en economische tegenmacht, is het Nederlandse initiatief sterk gericht op de persoonlijke ontwikkeling van de schuldenaar. Niet zo vreemd, omdat het exclusief voor jongeren bedoeld is.

Hoewel er een heel praktisch en economisch aspect aan zit (wat wil je, wat kun je, hoe kun je je eigen geld verdienen zodat je de schulden aflost) is het begrip van de weerbaarheid die dient te worden opgebouwd veel ruimer. Eerst is er de psychologische kant. Het afbouwen van ontkenning, schaamte en woede. En die leidt tot een centraal begrip in het project, dat bij de Amerikanen helemaal buiten beeld blijft: confessie. Het onder ogen zien en de volle verantwoordelijkheid nemen voor de schuld, als iets dat je, zij het met steun en hulp, zelf moet oplossen.

Dan komt de derde trap: je hoeft je niet schuldig te voelen over je schuld, maar als je van je schuld af wilt zul je moeten leren iets van je leven te maken. En zo krijgt de schuldhulpverlening in dit project een levensbeschouwelijke kant: in de teksten die het plan voor de Ons Bank beschrijven wordt de weerbaarheid die de jongeren kunnen verwerven direct in verband gebracht met het aristotelische begrip van het goede leven. Oftewel: regie krijgen over je eigen leven is meer dan schaamte en woede afleggen en door beter werk te vinden je zaakjes financieel regelen. De manieren waarop de coöperatie de jongeren uit de schulden wil helpen gaat in hun ogen idealiter gelijk op met het zich bewust worden van de invloed van de cultus van geld, succes en consumeren op hoe je over je eigen leven nadenkt. Lichtelijk gechargeerd is de boodschap: de beste weg uit je problemen is te zoeken naar werk en mensen, kennis, situaties en bezigheden waar je gelukkig van wordt. Als je in die speurtocht investeert ben je zowel praktisch als mentaal weerbaarder.

De rol van kunst

Zo kom ik op de opvallende rol die in het Schuld-project is toebedeeld aan kunstenaars. Zowel bij de groepsgesprekken als bij de trainingen, en zeker in de eindfase, waarin de jongere op zoek gaat naar ‘nieuw werk’ en hij/zij daarvoor een buddy krijgt toegewezen, spelen kunstenaars een sleutelrol. Het heeft er alles van weg dat al datgene wat verder gaat dan het economisch weerbaar maken van de jongeren in dit project is toevertrouwd aan kunstenaars. Wat verwacht men van kunstenaars, wat voegt kunst precies toe?

De eerste die ik daarnaar vroeg was Sophie Krier, die zichzelf eerder een kritisch ontwerper of artistiek onderzoeker zou noemen. De rol van kunstenaars of social designers in projecten als Schuld is niet kunstwerken te maken over de situatie van die jongeren, maar met beelden, verbanden en vragen te komen die de problemen in een ander daglicht zetten. De neiging bestaat om te denken dat men het probleem wel kent en dat het erom gaat dit zo snel en gemakkelijk mogelijk op te lossen. Kunstenaars brengen vragen en waardes binnen het gesprek die verzwegen en vergeten aspecten van de situatie activeren. Dat schept ruimte om de problemen anders te bekijken. In dit geval konden de jongeren op een andere manier omgaan met hun schuldenproblematiek dan wanneer ze alleen als werkzoekende benaderd zouden zijn.

Maar zou een filosoof of een psycholoog, of een bevlogen onderwijzer, niet net zo’n bijdrage kunnen leveren? vroeg ik. Wat is het eigene van kunst? Of beter nog: waar is de kunst gebleven? Is het alleen een vehikel voor een opening in het sociale proces? Volgens Krier is het creëren van zulke openingen, het ontsluiten van mogelijkheden door middel van het indelen van een ruimte of door het inzetten van beelden en geluiden, bij uitstek een expertise die uit het artistiek onderzoek of de kunst voortkomt. Natuurlijk bestaat er het risico dat kunstenaars zich voor het karretje van een bedrijf of een overheidsinstelling laten spannen. Maar een goede kunstenaar zal altijd een manier vinden een bepaalde mate van autonomie te behouden en in zijn bijdrage trouw te blijven aan de onoplosbare en conflictueuze kanten van de situatie waarin hij betrokken wordt.

In de ogen van Beatrice Puijk is de term kunstenaar een vage verzamelterm geworden, een verwarrend begrip. Veel mensen die opgeleid zijn als kunstenaar voldoen niet aan het traditionele model van een maker die een oeuvre ontwikkelt en dat aan een publiek toont. Hun opleiding en ook de moeilijke economische situatie drijft ze eerder in de richting van projecten waarin ze een rol spelen als social designer of community artist en ja, soms is dat niet te onderscheiden van het werk van een sociaal-cultureel werker of een in opdracht werkende creatief. Ze heeft een afkeer van kunst die zichzelf als product ziet. Idealiter is de bijdrage van kunstenaars het op de proef stellen van grenzen en vanzelfsprekendheden. Het is een vorm van culturele Research and Development, die openingen en ontregeling zoekt en zich niet laat leiden door wat als nuttig geldt. Veel van wat waar, waardevol en mooi is, is niet nuttig. Dat is het eigene dat kunstenaars of social designers kunnen inbrengen.

Carina van der Ham maakte zeefdrukken met twee jongeren in het Schuld-project. Ze ziet haar bijdrage niet als een kunstwerk, maar als het inbrengen van kunst als manier van denken en leven. Ze liet zien wat er kan gebeuren als je met de denkwijze en de middelen van een kunstenaar ingaat tegen de angst en woede die veroorzaakt worden door de gezichtsloze en vaak onmenselijke behandeling door schuldeisers. Het leren zeefdrukken en het op een andere manier naar die brieven leren kijken was daar onderdeel van. De aandacht voor het ambacht en voor esthetiek is minstens zo belangrijk als het ingaan op het sociale probleem. Van der Ham ziet kunst als een bevrijdende, ruimte makende kracht die in te schakelen is juist als mensen daar totaal onbekend mee zijn. Omgekeerd zegt ze dat zij van zulke uitwisselingen veel leert, het voedt haar eigen werk, waarin ze eropuit is te tonen hoe verbonden kunst is met de context (plekken, omstandigheden en mensen) waarin ze ontstaat en bestaat.

Als ik Johan Wagenaar, kunstenaar, docent en directeur van Het Instituut, naar de eigen inbreng van kunstenaars in dit soort maatschappelijke projecten vraag wordt hij enthousiast. Als het goed is, zegt hij, zijn kunstenaars doortrokken van de enorme rijkdom die de kunst biedt om menselijke kennis en ervaring te verbeelden. Om over mensen en de wereld in beelden te denken. Kunst toont in gecomprimeerde en verhevigde vorm het menselijke geworstel met ideaalbeelden, verleiding, ethiek, magie en geweld. Kunst is een domein met eigen technieken en een eigen logica, maar er komt zo veel samen aan kennis, politiek, schoonheid en onvoorspelbaarheid, dat de inzet van kunstenaars in maatschappelijke projecten uitgelezen kansen biedt om verbindingen te leggen tussen uiteenlopende disciplines en om tegenstrijdige belangen en denkwijzen bloot te leggen en wie weet te overbruggen. Niet alle kunstenaars zijn er geschikt voor, al was het maar omdat zulke processen vaak niet zonder conflicten verlopen; maar juist daardoor kan de betrokkenheid van kunstenaars een verfrissend effect hebben.

Weg uit het museum

Marcel Duchamp, die in het begin van de twintigste eeuw op onnavolgbare wijze zijn kunst liet versmelten met zijn leven en zijn directe omgeving, zei in de jaren zestig, toen conceptuele kunst en pop-art opkwamen, dat de kunstenaars van de toekomst ondergronds zouden gaan. Ik heb me altijd afgevraagd wat dat zou kunnen betekenen. Schilders, beeldhouwers, glaskunstenaars, fotografen en tekenaars zijn er nog altijd. En in musea en galeries of op het internet zien we video’s, installaties en horen we geluidswerken. Maar er zijn steeds meer kunstenaars van een ander, min of meer ondergronds soort, wier werk van een afstand makkelijk is af te doen als sociale decoratie of modieus getint maatschappelijk werk. Maar dat is makkelijk en cynisch. Van iedere kunstsoort zijn slechte en belachelijke voorbeelden te vinden.

Ertegenover staat de vaststelling dat de twintigste-eeuwse kunst doortrokken is van het verlangen om de kunst uit de musea, de salons en de galeries te krijgen en een verrijkend en zinvol bestaan in het dagelijkse maatschappelijk leven te geven. Bauhaus, Malevich’ suprematisme, de Stijl, dada en de surrealisten zijn er historische voorbeelden van. In de naoorlogse kunst waren politieke actie en massamedia de voornaamste wegen om dat ideaal na te streven. In de eenentwintigste eeuw wordt misschien een nieuwe kunst volwassen, waarin nauwelijks nog is aan te wijzen waar het kunstwerk nu precies is. Waarin er ook geen publiek in de traditionele zin is, omdat er vooral betrokkenen en deelnemers zijn; de kunst lost op in een kleinschalige gemeenschap, in een plan, een reeks gebeurtenissen. Een kunstvorm waarin ook het genie of de persoon van de kunstenaar van ondergeschikt belang wordt en niet langer de bron van betekenis en waarde is.

Laten we het eens op een rijtje zetten. De onwil en doofheid tussen disciplines en belangen overwinnen. Vergeten en verzwegen mogelijkheden van ruimtes en maatschappelijke situaties tonen. Ruimte maken voor de menselijke maat, onzekerheden en imperfecties. Mensen inspireren met de kracht van schoonheid, aandacht, kunde. Het vermogen mensen spontaan te laten samenwerken in een kleine of lokale gemeenschap van diverse samenstelling. En dat alles zonder dat het tot meerdere eer en glorie van een instituut strekt. Of dat er iemand rijk van wordt, of dat er winst wordt gemaakt. Zonder dat het gaat om het ego van degene die het in beweging zet. Het gaat om een vorm van weten en doen die wordt ingezet om het leven beter te maken. Als tegenwicht tegen de waarden van de technologie, de economie, de bureaucratie en de media in. Een tegenzet, die de pijnlijke waarheid en het conflict niet schuwt.

Als je ernaar moest raden, zou je zeggen dat het om een politieke ideologie of een godsdienst ging. Maar het gaat over een vorm van kunst. Het is gemakkelijk om met al die grote woorden en lovenswaardige bedoelingen het belang ervan te overschatten. Maar iets vergelijkbaars werd gezegd van initiatieven die we tegenwoordig aanduiden met de verzamelnaam sociaal doe-het-zelven. Die bepalen in toenemende mate de discussie over de rol van de overheid en de politiek. Waar we de afgestoten taken van de overheid door bedrijven laten overnemen, en waar niet. En wat dan? In onze levens en ons werk hebben politieke ideologieën en religies hun organiserende en inspirerende rol verloren. Zou deze manier om kunst en kunstenaars in te zetten een manier worden om dat verlangen naar verbinding en inspiratie te laten kristalliseren? Om persoonlijke beleving te koppelen aan een hedendaags, soms tijdelijk en geografisch verspreid idee van gemeenschap? Het is als met zo veel dingen: in algemene termen klinkt het gezwollen, verdacht en zijïg, maar als je gaat kijken en met de mensen optrekt, zie je het gedoe, wat er misgaat en wat er vaak ondanks alles gebeurt, en dat is wonderlijk hoopgevend.