Het nieuwe universalisme

Brieven over Chris Kraus

Dichters Maarten van der Graaff en Frank Keizer bezochten de Amerikaanse auteur Chris Kraus in Londen voor een interview. Het werk van Kraus heeft de laatste jaren cultstatus gekregen onder een jonge generatie schrijvers. Van der Graaff en Keizer bespreken het belang van haar romans voor hun eigen werk. Momenteel zijn ze bezig met een vertaling van Kraus’ bekendste boek, de briefroman I Love Dick uit 1997.

Frank,

Jij kreeg de tip eerder dan ik, van Rachel als ik het goed heb, en daarna gaf je hem door: ‘Lees I Love Dick van Chris Kraus.’ Inmiddels heb ik deze woorden tegen tientallen anderen herhaald. ‘En lees daarna Aliens & Anorexia, daarna Torpor en dan Summer of Hate (Dick (1997), Aliens (2000) en Torpor (2006) vormen een drieluik).’ In de voorbije anderhalf jaar veranderden deze vier romans mijn leven.
Toen we tegenover Chris Kraus zaten vond ik dat ze zo laconiek over haar boeken sprak. Alsof het genrefictie was. Het valt bijvoorbeeld op – ik zit hier de geluidsfragmenten van ons interview uit te tikken – hoe ze I Love Dick haar ‘girl book’ noemt, een boek over twintigersdingen, daten, verliefdheid. ‘Torpor is een boek over je dertigste,’ zegt ze met haar chronisch verbaasde stem (‘yeah right, right!’). Sylvie uit Torpor heeft dan ook dertigersproblemen. Ze wil een kind, een carrière, ze heeft een man met demonen die haar ambities maar half serieus neemt, ook waar het zwangerschap of het adopteren van een kind betreft. Kraus: ‘In Summer of Hate gaat het over in de veertig zijn, je hebt een bepaald niveau bereikt maar vraagt je af: wilde ik dit wel echt? Alle boeken gaan over prototypische vrouwelijke situaties, maar steeds in een breder landschap van ideeën.’
Is dit niet wat deze boeken zo aantrekkelijk maakt, dat ze over rommelige, aanklooiende figuren gaan die zichzelf tegelijkertijd als materiaal opvatten voor iets groters, de analyse van een casus?
Ik zie ons steeds dat vliegtuig uit lopen richting de aankomsthallen. Kraus zou over een uur voorlezen in de London Review Bookshop, we hadden haast.
Later zat jij nerveus in het niemandsland op een bankje. Ik ijsbeerde op een paar vierkante meter van het Verenigd Koninkrijk. Hoe kon iemand in godsnaam zijn paspoort in het vliegtuig laten liggen? Vlak voor me onderwierp een politieagent een man uit Syrië aan een tergend lang verhoor, een douanier vernederde een vrouw met een hoofddoek. Grenzen zijn echt, hard, maar voor jou, een witte man uit Nederland, toch vloeibaarder. Eén e-mail met een kopie van je paspoort in de bijlage was genoeg.
Op de stoep van de London Review Bookshop stond een medewerker overgebleven flessen wijn leeg te gieten. Een paar uur later wandelden we langs helverlichte gentlemen’s clubs in Camden Town. Met vier lauwe flesjes Foster’s onder handbereik bereidden we onze afspraak met Kraus voor. Kwart voor twaalf, boven galerie Raven Row.
We zaten aan een houten tafel in de keuken van het witte, lichte appartement boven de galerie waar Kraus gastschrijver was. Even zag ik haar als de onthechte kosmopoliet die zo vaak in haar romans figureert. Natuurlijk wilden we met haar over de mystica Simone Weil praten. In Kraus’ roman Aliens & Anorexia wordt nagedacht over de manier waarop Weil is mishandeld door haar biografen, hoe ze haar tot psyche en uiterlijk veroordeelden. Weil werd het recht op abstractie ontzegd. Kraus vatte het bondig samen: ‘De hooggestemde, spirituele of filosofische verlangens van vrouwen worden getrivialiseerd en teruggebracht tot een persoonlijke pathologie.’
Natuurlijk was dit ook met de schrijfster Chris Kraus gebeurd. Ze sprak er feitelijk over, opmerkzaam en op een grimmige manier geamuseerd. Ik veerde op toen ze de succesvolle Amerikaanse auteur Ben Lerner de maat nam – ik vind zijn debuutroman Leaving the Atocha Station erg sterk. Ze vertelde hoe sommige besprekingen van haar boeken eerder recensies van haar leven waren. Zo zouden ze Ben Lerner nooit durven bespreken. Over Lerners tweede roman, 22:04: ‘Ik vond Leaving the Atocha Station goed, oprecht. 22:04 daarentegen leek me wat onwaarachtig, op een valse manier naïef en bedacht. Strategisch. Een soort Woody Allen-achtige, intense en persoonlijke neurose, narcisme, maar dan totaal doorgecomponeerd en zo erudiet dat hij een soort punt van transcendentie bereikt. Hij baant zich vanuit zijn persoonlijke angst en neurose een weg naar transcendentie via literatuur.’
Ze merkte op hoe vreemd het was dat niemand op het idee was gekomen om te analyseren wat Lerner nu eigenlijk deed in dat tweede boek van hem. Het ging in haar ogen om het kritiekloos zalven van een genie, ‘alsof het boek niet door een persoon geschreven was’.
Het viel me op hoe scherp en nuchter ze naar de Amerikaanse literaire wereld keek. Een conservatieve wereld, volgens Kraus. Wat in de kunstwereld allang gemeengoed is, moet vaak nog inburgeren in de literatuur. Ze stoorde zich aan de journalistieke drang om steeds weer een nieuwigheid te bedenken, zodat de mensen tenminste ergens over kunnen praten. Kraus gaf het ‘postinternettijdperk’ als voorbeeld en hoe alles opeens in het licht daarvan begrepen moet worden. We kwamen hierdoor over het denken in generaties te spreken: ‘Alles lijkt te worden opgesplitst langs generationele lijnen. Generaties slinken nu tot de duur van een insectenleven. Dat is zo kunstmatig. Alsof de hele wereld bestaat uit white art kids uit de hogere middenklasse.’
De duur van een insectenleven: al die oppervlakkige essays waarin een handvol romans als bewijsstukken voor de geestesgesteldheid van een generatie wordt opgevoerd, ook in Nederlandse boekenbijlagen is het geen onbekend fenomeen. Al die stukken over millennials: ‘Denken 29-jarigen die werkzaam zijn in een winkelcentrum in Milwaukee, Wisconsin als millennials?’ Ze stelde de vraag zowel spottend als ernstig.
Welke levens zijn het waard om beschreven te worden? Het deed me denken aan Paul Garcia uit Summer of Hate, de man op wie de upper class kunstcritica Catt Dunlop verliefd wordt. Zij ontvlucht in paniek haar oude leven en besluit verkrotte woningen in Albuquerque, New Mexico op te kopen en te renoveren. Paul heeft in de gevangenis gezeten voor creditcardfraude en probeert zijn leven een andere wending te geven. Met hulp van Catt gaat hij studeren aan de UCLA, maar hij wordt voortdurend gedwarsboomd door het Amerikaanse rechts- en gevangenissysteem.
Het klassenverschil in deze gedoemde relatie wordt nergens weeïg gedramatiseerd. ‘He has no information,’ verzucht Catt ergens, die moet toezien hoe Pauls ondernemingen stuklopen. Hoe vaak lees je een roman waarin personages als Catt en Paul elkaars leven proberen te redden?

X Maarten

Beste Maarten,

Toen ik I Love Dick las, ruim een jaar geleden nu, liet ik alles uit mijn handen vallen. Ik was sinds een paar maanden afgestudeerd en zat op een dood spoor. Het manuscript waar ik aan werkte was in het slop geraakt, ook al deed ik alsof dat niet zo was. Ik leed aan het richtingloze, adolescente gevoel niet voor deze wereld geboren te zijn.
Het lezen van I Love Dick veranderde dat allemaal. Het is inderdaad een boek over typische twintigersdingen en het hielp me dan ook om mijn eigen leven te zien als het leven van de 26-jarige die ik was. Een en al rommeligheid, angst en verlangen naar intimiteit. Maar haar werk gaf me vooral de instrumenten om te schrijven over mijzelf op een manier die zowel doorleefd was als serieus. Kraus zette emotionele ervaringen in als filosofische concepten en de manier waarop ze dat deed was nieuw voor me. ‘I want to make the world more interesting than my problems. Therefore, I have to make my problems social.’ Een zin uit het boek die ik aanstreepte bij mijn eerste leeservaring en nog steeds regelmatig aanhaal. De bundel die ik dit jaar publiceerde, heet niet voor niets Mijn eigen problemen.
En zo kan ik doorgaan met citeren. Er was een tijd voor en een tijd nadat ik Chris Kraus had gelezen. Waarom is haar naam in de literaire wereld zo onbekend, terwijl ze in de kunstwereld veel wordt gelezen? Het was mijn eerste vraag aan haar. Haar antwoord: theorie. Ze vertelde over de uitgeverij waar haar boeken verschenen, Semiotext(e), opgericht door haar voormalige echtgenoot Sylvère Lotringer. Er is een directe lijn van Semiotext(e) naar de kunstwereld en die loopt via theorie, en dat zorgde ervoor dat haar werk op een andere golflengte lag. Veel schrijvers vinden onderdak in de kunstwereld omdat de grote uitgeverijen in de Verenigde Staten alleen nog maar commerciële successen najagen.
Ik vraag me af of dit ons voorland is. Een uitgeverij als Semiotext(e) zou ik in Nederland graag hebben. Het is een bijzonder fonds, dat zijn wortels heeft in de nauwe band tussen tegencultuur en theorie, en in de jaren tachtig onder de naam Foreign Agents veel continentale filosofen in Amerika introduceerde. Bataille, Foucault, Virilio, Baudrillard. Vrouwelijke filosofen zaten er niet tussen, want volgens Lotringer hielden die zich alleen met psychoanalyse bezig en daar had hij een hekel aan.
Om de dominantie van mannen bij Semiotext(e) te doorbreken startte Kraus begin jaren negentig de reeks Native Agents, als tegenhanger van Foreign Agents. Native Agents is een reeks van voornamelijk vrouwelijke Amerikaanse auteurs die allemaal in de eerste persoon schrijven, maar niet op een conventionele manier. Het ‘ik’ van schrijvers als Kathy Acker, Eileen Myles en Cookie Mueller is een publiek ik, dat zich in de wereld beweegt in plaats van zich eruit terugtrekt. Kraus gaf in ons gesprek deze kenmerken van de boeken die Semiotext(e) uitgeeft: ‘Er is niets bijzonder experimenteels aan wat we publiceren. Het is allemaal verhalende fictie, rechttoe rechtaan, die twintig jaar geleden door reguliere uitgeverijen zou zijn uitgegeven. Alle boeken waartoe we ons aangetrokken voelen zijn emotioneel, oprecht, intelligent, persoonlijk en werelds, en dat allemaal tegelijk. Het zijn conceptuele romans, maar niet droog.’
Conceptueel, maar niet droog. Dat is precies wat ik zo aantrekkelijk vind aan het werk van Kraus. De typering zegt ook veel over haar eigen schrijven. Haar romans lijken genrefictie (de briefroman, de modernistische roman, het noirverhaal...), maar ze deconstrueren de genres waar ze op geënt zijn en scheppen zo ruimte voor andere stemmen. Dat klinkt als oude koek, maar is het allerminst. Kraus begint waar de geïnstitutionaliseerde deconstructie ophoudt: waar ze implicaties krijgt voor het leven. Er staat iets op het spel in de lompe metafictie (om een term van jou te stelen) die ze bedrijft. ‘Who gets to speak and why is the only question,’ lees je dan ook in I Love Dick.
Het is inderdaad verbluffend hoe nonchalant Kraus over dit boek spreekt. ‘Toen ik aan I Love Dick begon wist ik niet dat ik een boek aan het schrijven was. Het waren gewoon brieven, gericht aan een persoon. En pas toen ik geen antwoord kreeg, realiseerde ik me dat ik misschien een boek aan het schrijven was.’ Achteraf lijkt het boek een triomf, maar je moet niet vergeten dat de roman ontstond vanuit een ondergeschikte positie, een positie van vernedering. De situatie van het personage Kraus als het boek begint: een mislukte carrière als experimenteel filmmaker en algehele miskenning van haar intellectuele en emotionele bestaan.
De brieven die ze schrijft zijn gericht aan Dick, en het is inderdaad iemand die echt bestaat. Maar natuurlijk is hij ook een soort über-Dick. Een constructie. Dick is theoreticus, academicus en bevriend met Sylvère, die ook in het boek de echtgenoot is van Chris. Terwijl Sylvère en Dick enkele recente theoretische trends bespreken, begint Dick met Chris te flirten. Chris wordt verliefd en er ontspint zich een schaamteloze correspondentie waarin Chris zichzelf blootgeeft. Haar vernedering, seksuele verlangens, het onbegrip waar ze op stuit, haar frustraties. Kraus rekent af met privacy, die volgens haar vooral het patriarchaat ten goede komt. Ze laat ook zien wat een roman kan zijn. Niet iets verzorgds, maar een wilde, rommelige zak. Met het internettijdperk heeft dat inderdaad weinig te maken: in dit boek wordt nog gewoon gefaxt. En je treft er essayistische passages in aan over schizofrenie, kapitalisme in de derde wereld, vrouwelijke kunstenaars, veel geroddel en puberaal aandoende ontboezemingen. ‘If women have failed to make “universal” art because we’re trapped within the “personal,” why not universalize the “personal” and make it the subject of our art?’ citeert ze kunstenaar Hannah Wilke. Kraus is erin geslaagd die methode te vertalen naar literatuur. Het particuliere kan een paradigma worden.
Om die reden ben ik mijn ervaring aan de grens in Engeland ook als een bron van informatie gaan zien. Ik werd hard met mijn neus op het feit van mijn blankheid gedrukt, terwijl de man uit Syrië en de vrouw met een hoofddoek niet volledig als individuen werden behandeld. We spraken erover dat deze informatie de roman vaak niet bereikt: ‘Midden jaren nul, tijdens de hoogtijdagen van de Bush-jaren en de Irakoorlog, hielden de intellectuele wereld en de kunstwereld zich alleen maar bezig met de politieke theorieën van weleer. Er was een sterke heropleving van het situationisme aan de gang en nog steeds gebeurde er van alles rond Franse theorie. Maar niemand wilde zich met iets actueels bezighouden.’
Er is nauwelijks een term denkbaar die meer minachting oproept in de Nederlandse literatuur, maar moeten we die actualiteit, dat wil zeggen wat er op dit moment gebeurt met onze levens en lichamen, niet juist beschrijfbaar proberen te maken? Een eigentijds soort détournement...

X Frank

Frank,

Zoals een zwarte pocket van Semiotext(e) perfect in de zak van een afgedragen punkjack past, zit postmoderne theorie de personages van Kraus als gegoten. Dit is hun informatie, zo zijn ze opgeleid, maar al die Franse theorie wordt voortdurend getest op bruikbaarheid. Het doel: een analyse van de alledaagse Amerikaanse werkelijkheid. Ook wanneer er geen namen vallen proef je deze manier van denken. Op de tweede bladzijde van Torpor worden de vroege jaren negentig als volgt beschreven:

‘Collateral damage’, a military term coined to describe the accidental wasting of civilian populations, is just beginning to crossover into self-help therapeutic terminology. Somewhere in the Persian Gulf, civilians cower in the rubble while in New York, Sylvie’s friends discuss the ‘collateral damage’ of their break-ups. Everywhere, there is this yearning for simplicity.

Onweerstaanbaar toch? We zouden elkaar, als de fan boys die we zijn, urenlang passages kunnen voorlezen. Natuurlijk wordt de academische wereld waarin haar personages zich begeven even vaak op de hak genomen. Het Sylvère Lotringer-karakter is hier een ideaal vehikel voor. In alle romans duikt hij op: de wereldse filosoof die doorzakt met grootheden als Félix Guattari en zich van het ene naar het andere prestigieuze project sjoemelt. Onder deze bedrijvigheid gaat een continentale droefheid schuil, zo wordt Jerome Shafir uit Torpor gegijzeld door het Holocaustverleden van zijn Franse familie. In I Love Dick schetst het personage Chris Kraus het volgende grappige portret van haar man: ‘Beneath his reputation at the Mudd Club as the philosopher of kinky sex, Sylvère was a closet humanist. Guilt and duty more than S&M propelled his life.’
In een discussie met Sylvère zegt Chris: ‘History isn’t dialectical, it’s essential, some things will never go away!’ Een van de grootste problemen die nooit weggaan is natuurlijk seks. Ik vraag me regelmatig af wat ik er eigenlijk over te zeggen heb en wat het betekent om een mannelijke heteroseksuele schrijver te zijn. Niemand betwist mijn recht op abstractie. Ik heb nog geen antwoorden, maar herinner mijzelf eraan dat het leven niet persoonlijk is.
Chris citeert ergens in een brief aan Dick haar dagboek – ik weet niet of deze passage je nog bijstaat, maar toen ik hem voor het eerst las werd me opeens duidelijk hoe ingrijpend deze ervaring is, een van totale onderdompeling in je seksualiteit: ‘female, wanting to love men, be fucked. Is there a way to live with this like a gay person, proudly?’
In Torpor windt Jeromes afwezigheid tijdens de seks Sylvie op. Ze brengt dit in verband met de machtsrelaties binnen SM – een metafoor in Kraus’ oeuvre voor het niet-normatieve, voor posities die in de dominante cultuur als pervers te boek staan:

It’s like he is an instrument of something far outside himself. When he makes her come, all this fucked-up gender stuff dissolves and she feels her body spinning backwards towards itself at different ages, 14, 11, once she went back as far as 5.

Maar uiteindelijk is ook dit – zoals je weet – een break-up story. Sylvie gaat bij hem weg, alleen en gewichtloos eindigt ze in L.A., waar iedereen die niet bij het geïnstitutionaliseerde kunstwereldje hoort een mislukkeling is. Ze geeft zich over aan recreatieve seks, voelt zich bevrijd. De torpide jaren met Jerome in hun buitenhuis in het desolate stadje Thurman zweren nog na, maar L.A. is upstate New York niet en in het open landschap van deze stad laat ze alles achter zich wat ‘Europees’ is: geschiedenis, oorlog, causaliteit.
Waar schrijft Kraus over? Over vrouwen die mannen verlaten, Franse theorie en Amerikaanse landschappen, over het domein van kunst en wetenschap waar je zomaar uit verbannen kunt worden. Ze schrijft over kunstenaars en filosofen: vrouwen die pervers zijn omdat ze zich uit een verlamming hebben gedacht.

X Maarten

Maarten,

Een week voordat we naar Londen gingen, las ik in Zuid-Frankrijk La pesanteur et la grâce van Simone Weil, gekocht in een boekhandel in Antibes. Simone Weil had hier ook in de buurt gewoond, op een boerderij, waar ze op het land werkte en zichzelf uithongerde om dichter bij de arbeider te kunnen komen.
Ook ik wilde naar de bron. Weil had ik leren kennen via Chris Kraus. Haar tweede roman Aliens & Anorexia, die deels aan I Love Dick voorafgaat en zich deels afspeelt waar Torpor eindigt, is een portret van deze mystica en denker. Als criticus gaat het Kraus niet alleen om kunstwerken, maar ook om kunstenaarslevens. In Londen was ze om te spreken over haar biografie in wording van Kathy Acker, iemand die haar leven, lichaam en persoon tot de inzet van het schrijven maakte, en voor wie experimenten als cut-ups ook een lichamelijke component hadden. Waar de mannelijke Franse filosofen alleen over schreven – de fragmentatie van het subject – dat praktiseerden deze vrouwelijke schrijvers. Ook Simone Weil maakt deel uit van deze tegengeschiedenis, die Kraus in haar romans maar ook in essayboeken als Where Art Belongs (2011) en Video Green (2004) onder het stof vandaan haalt.
Aan die andere canon – of eigenlijk, de afwijzing van zoiets normatiefs als een canon – wordt in Aliens & Anorexia verder geschreven. Het is de kroniek van een aangekondigde mislukking. Chris is in Nieuw-Zeeland om haar experimentele lowbudgetfilm Gravity & Grace te schieten, maar niets verloopt volgens plan. De productie blijkt veel te duur, de crew is compleet onbestuurbaar, en als de film af is wil geen festival hem aankopen en vertonen. Daar begint het boek, opnieuw vanuit een mislukking, die aan het einde niet wordt overwonnen, maar de noodzaak blootlegt om andere dan de conventionele vormen (het Huwelijk, een Carrière) uit te proberen. ‘It is less absolute, perhaps. But better,’ denkt Chris in Torpor, als ze eenmaal in Los Angeles is. In L.A. experimenteert Kraus met virtuele SM-relaties – via de telefoon, via e-mail – die diasporisch en utopisch zijn omdat ze voor intimiteit zorgen te midden van de anonimiteit van L.A., deze stad die één groot simulacrum is.
Een belangrijk begrip in Aliens & Anorexia is decreatie. Een soort transcendentie: je omarmt het uiteenvallen van je ik waardoor je in een buitenaardse staat komt. Om mijn nogal suffe vraag hoe zij dit duidelijk ondefinieerbare concept eigenlijk zou definiëren moest Kraus lachen: ‘Ik heb er geen definitie van! Volgens mij citeer ik Simone Weil ergens als volgt: naar iets moois kijken en het niet willen bezitten, maar voor eeuwig in de cyclus blijven, zodat je jezelf verlaat en ermee versmelt. Dat is haar meest poëtische moment als ze het over decreatie heeft. “It’s time we thought about leaving the body behind,” zegt Burroughs, die ik ook citeer in het boek.’
Het vreemde is dat de uitspraak van Burroughs serieus gelezen wordt, maar een soortgelijke positie bij Weil leidt tot uitsluiting en marginalisering. Decreatie is wat de losse thema’s van het boek samenbrengt: SM, anorexia (‘Anorexia is not evasion of a social-gender role; it’s not regression. It is an active stance: the rejection of the cynicism that this culture hands us through its food’), de tegentraditie van kunstenaars als Paul Thek, die de geaccepteerde versie van de jaren zestig inruilden voor een versie die smeriger, abjecter was. Kraus verbindt die thema’s met de zoektocht naar een nieuw soort subject dat niet tot vrouwelijkheid kan worden gereduceerd. Zo ben ik ook mijn eigen mannelijke lichaam gaan bevragen, de normen en verwachtingen waarmee het is omringd, in een poging ze minder absoluut te maken.
Aliens & Anorexia eindigt met het script van Gravity & Grace. De roman en de film blijken elkaar, zoals in hun titels al wordt gesuggereerd, te spiegelen. Wat de film wilde zeggen, wordt uiteindelijk in de roman voltrokken. ‘Why should women settle to think and talk about just femaleness when men were constantly transcending gender?’ vraagt Chris zich af, als Sylvère, pragmatisch als hij is, haar aanspoort om zichzelf als feminist te branden. Die weigering is het nieuwe universalisme.

X Frank