Eurydike



Hij was oprecht dus ik volgde
Op gepaste afstand traag maar zeker
Mijn gevoel van overtuiging deed aan als weten
Zo liep ik hem na in het donker ontdaan van mijn gedachten


Die van boosheid en ook angst
Omdat ik wist hoe vaak hij al betoverd had
Zich na grote tegenslag herwon wat onmogelijk had geleken
Klaarspeelde en hier in het diepe donker binnenkwam alsof er geen beletsel was


We elkaar opnieuw voor het eerst ontmoetten
Ik geef toe dat ik me eerder als een schaap gedroeg een lam
Gevat in de vacht van een doodgeboren ander lam vurig hopend
Op een moeder die juist haar jong verloor en zich wel ontfermen zou


Over mij. Zo keek hij liefdevol
Onmiddellijk zonder voorbehoud
Keek bleef kijken en zei nog geen woord
Maar ik had wat hij wilde zeggen allang gehoord


Het aanbod van een uitweg samen
Ik wilde hetzelfde zag maar geen reden
De verbintenis af te slaan ons niet te verlaten
Op voortaan een meer dan onszelf alleen ik deed wat hij vroeg


Toen gebeurde wat was voorspeld
Ik stortte ter aarde gebeten door een slang
Werd onder intens gezang door hem naar hier weggebracht
Daarna was hij radeloos lang apathisch tot hij mij weer halen kwam


In zijn blik werd het geweldig stil
Werkelijk alles rondom het rumoerigste
Zelfs verstomde op het ogenblik van kijken
Of bevroor het? Durfde ik niet te denken zodat ik het niet zag


Het zou toen duren nog
Eer hij zijn hand uitstak en zich voorstelde
Vertelde wie hij was een zanger die niet meer zou vertrekken
Uit mijn gezicht er ook met de ogen dicht zou zijn altijd hij zwoer het heel nabij


Dat zien kwam als een schok
Zou ook niet meer overgaan wist ik
Voelde er moesten toch ook anderen zijn geweest
En stoelen tafels borden glazen kaarsen meubilair en ramen


Met uitzicht. Vast zou er ook
Gedronken zijn gelachen gezongen
Werd er rondom ons gedanst? Achter handen besmuikt
Gefluisterd onbeschaamd gewezen zelfs? We hadden niets gezien


Of gemerkt van de wereld
Die ons omgaf en in onze herinnering
Zo onvoorstelbaar volkomen ontbrak zo totaal
Afwezig was dat twijfel rees of die er ooit wel was geweest


Ik zou het allemaal nog zien
Hoe hij liep zich telkens verschool
Als hij weer onzeker was ontroostbaar
Ons bezong wanneer ik door een ander met aandacht werd bezien


Ik zijn lange haren streelde eindeloos
In hem de kiemen zaaide dat hij zeker kon zijn
Dat ik hem liefhad als een ooi haar lam en omgekeerd
Er nooit een ander alleen maar hij mijn zanger dat dit altijd


En zo waren we weer bij het begin
Ons lot toen het allemaal nog voor ons lag
Het afgezonderd samenkomen extase en jaloezie verdriet
Geen ruimte kregen. Je zult me toch volgen? vroeg hij en daar liep ik al


Zag hem op de rug stoer en sterk
Kon me daarachter ophouden al wist ik
Ook hoe teder en kwetsbaar hij kende zijn zwaktes
Zijn daadkracht overmoed zijn grootste angst en juist daarom


Ik was niet bang behalve
Voor hem voor het vuile lot
Dat ons was opgelegd de opdracht
Die hij – niet aan denken – mogelijk niet volbrengen zou


Ik vervloekte mij al die tijd
Waarom had ik mij niet lelijk gemaakt
Met houtskool of voorgoed met het scherp van een schaar
Maar bedacht toen: hij zal het alleen maar zien wanneer hij omkijkt


En zelfs nu het donker is
Hij voetje voor voetje de weg vindt
Die ik ook loop en ons hopelijk naar buiten leidt
Waar wat ons bindt gezichtloos wordt voortgezet vanuit de herinnering


Gaat dat nooit voorbij
Maar toen al hoorden we het ruisen
Van de wind het schel en boosaardig gekras
Dat een aankondiging was ineens kwam een fel licht over ons


En besefte ik hoe afzichtelijk
Ik geworden was zo bleek en slap
Alsof op het moment dat ik gebeten was
Verdween wat mij volmaakt had en wist toen waarom


Hij maar niet omkeek terwijl
Wij naar boven liepen vlak voor de uitgang
Mijn valse vacht was opgemerkt nog voor de lichtschijn
Me overspoelde waar ik ten slotte worden zou wie ik was nooit meer zou zijn