Mensen uit de wijk

Een blinde vlek van auteurs uit de middenklasse die schrijven over de arbeidersklasse is de maatschappelijke norm van waaruit ze hun proza schrijven. Daardoor geven ze een vertekend beeld. Drie semi-autobiografische romans corrigeren dat beeld.*

Je eerste man

‘Je diploma …’ begint Sandra, ‘is je eerste man,’ vervolgt Tanya. Twee tieners uit een achterstandswijk – ‘de wijk’ – echoën de cruciale levensles die hun moeders uitentreuren herhalen. Wil je niet mijn leven, is de boodschap, haal dan een diploma en houd je ver van mannen (uit de wijk). De romans die ik voor dit essay heb gelezen suggereren dat dit kostbaar advies is. Wat de romans met elkaar gemeen hebben, zijn falende vaders, wanhopige moeders en kinderen die zichzelf een nieuwe taal aanleren – en daarbij niet geholpen worden door het Nederlandse (literatuur)onderwijs.


Nijmegen-Oost, 1980. Uit een serie gemaakt over stadsvernieuwing en renovatie in verschillende wijken in Nederland. FLIP FRANSSEN / HH


De geciteerde dialoog komt uit Het gym (2011) van Karin Amatmoekrim. Het Nederlands-Surinaamse meisje Sandra groeit op bij haar moeder in een achterstandswijk van IJmuiden. Het eerste wat je te weten komt over Sandra’s vader is dat ze hem ‘praktisch nooit’ ziet (hoewel hij tot haar afgrijzen steeds vaker langskomt), dat Sandra’s zusje ‘niet van hem’ is en dat hij ‘zijn andere gezin mee op vakantie [neemt]’. Sandra ziet met lede ogen aan hoe haar moeder om deze ‘lamlendige lapzwans’ blijft treuren en hem tegelijk uit financiële nood pragmatisch bespeelt. De grootste ramp die het gezin kan treffen, beseft Sandra, is een nieuwe zwangerschap als strategie om de vader aan boord te houden. ‘Als ze nu zwanger zou worden, zou ze straks ook niet kunnen werken. Dan bleven ze dus nog langer in de bijstand.’ Dat de vader bij zijn (nieuwe) kind zou blijven is immers slechts een theoretische mogelijkheid. De sociale knoop is strak aangetrokken: de moeder weet dat ze zich moet bijscholen om uit de armoede te komen en bij ontstentenis van financiële en huishoudelijke steun van de vader is precies die noodzaak om te studeren een rem op haar ontwikkeling. 

Hierin schuilt het verschil tussen Sandra’s gezin en dat van Remy, de jonge verteller van Alex Boogers’ debuutroman Het boek Estee (1999, onder het pseudoniem M.L. Lee). Vader Edward wordt consequent neergezet als ongeïnteresseerd en afwijzend, en als een lusteloze en onbetrouwbare partner – Remy’s zus Estee noemt hem ‘het stereotype van de afwezige vader’ – maar in tegenstelling tot Sandra’s vader vervult hij tenminste zijn patriarchale plicht als kostwinner. Bepaald welvarend wordt het gezin daar niet van – moeder Josefien verstopt waardevolle spullen uit angst voor de deurwaarder – maar dit inkomen verzekert een minimaal financieel comfort dat Sandra’s gezin ontbeert. ‘Hij bracht geld in het laatje, zoals Josefien zei, maar zoveel was dat nu ook weer niet en verder deed hij helemaal niets.’ Wat deze man precies uitvoert op de arbeidsmarkt blijft overigens onduidelijk. 

Hét referentiewerk van achterhaalde mannelijkheid – de Bijlmervariant van Joost de Vries’ Oude meesters, zo je wil – is wellicht Wees onzichtbaar. De wereld van de Nederlands-Turkse Metin – zijn beleving daarvan – wordt nagenoeg uitsluitend bevolkt door mannen en is doordesemd van de terreur van mannenwerelden. Nog meer dan de evidente armoede waarin het gezin in een kale Bijlmerflat leeft, is het angst die Metins leven regisseert. Angst voor zijn gewelddadige vader, met wie hij in een permanente strijd verwikkeld is; angst voor de psychopathische tiener Dino, zijn ‘rivaal’ op school; en verder de nooit aflatende angst voor mislukking en vernedering. Hij is een jongen die ‘jarenlang alleen maar bezig was geweest met overleven’. 

Het contrast met de wereld verbeeld in Het gym is frappant en vloeit behalve uit sociale verschillen voort uit genderverschil. Sandra’s vriendschappen bewegen op een glijdende schaal van affectie en minachting. Metins sociale ijkpunten zijn binair en mannelijk: hij leeft in een wereld van strijd (of lafheid) en rivaliteit (of broederschap), een wereld van vaders en zonen, waarin moeders en zussen in de marge ­figureren en meisjes enkel aan de rand van een zwembad oplichten. Wees onzichtbaar toont de mannelijkheid van ondergeschikte groepen, waarin het verschil tussen mannen en gevaarlijke honden gradueel is: ‘We mogen geen angst tonen, dat is juist gevaarlijk bij iemand als Dino’.

In een schrijnende update van ­Droogstoppel verschijnt Metins vader als een type met een karikaturale – zij het niet humoristisch bedoelde – stock phrase: ‘Ik ben geen klassieke vader, ik ben een communist!’ Harun is een seculiere, drankzuchtige macho die in onmin leefde met de Turkse overheid en weigert te werken voor de Nederlandse. Tegenover zijn disfunctionele vader plaatst Metin de ‘vrome vaders’ van zijn islamitische vriendjes in de flat, die ‘er wel ­[waren] voor hun kinderen’. Religieuze mannelijkheid wint op punten.

Hoezeer Metin ook onder zijn wangedrag te lijden heeft, zijn vader blijft zijn enige referentie. Kaya, zijn beschermheer op school, belichaamt zijn ideale ik, de zoon die Metin wil zijn voor zijn vader: eloquent, erudiet en dominant. Kenschetsend is de scène waarin Metin zijn vriend thuis voorstelt en meteen overvallen wordt door ‘een bijtende jaloezie die (…) vooral betrekking had op mijn vaders aandacht voor hem’. Ook het einde van hun broederschap staat in het teken van de strijd met de vader. Tegenover de dominantie van het alfadier is de verbale en intellectuele dominantie van Kaya een stap vooruit, maar Metin kan zijn vader pas echt overwinnen door ook zijn ideale ik te overwinnen. (En zo vertelt Isik niet een heel ander verhaal dan een doorsnee canonieke Nederlandse roman.) 

In het licht van een middag tienerborsten kijken met vader verschijnt de sociale mobiliteit van moeder en zus – het sociologisch meest relevante verhaal in dit boek – als niet meer dan een voetnoot. Een pijnlijk inzicht: in de patriarchale wereld van Wees onzichtbaar blijven vrouwelijke rolmodellen voor jongens nagenoeg onzichtbaar. Hoewel hij er weinig reflectie op biedt, is Isiks verdienste dat hij deze intersectie van gender en klasse zichtbaar maakt.

De ballen van je literaire goden

Voor zijn lijst leest Metin een ‘afschuwelijk boek dat [hem] dagenlang zou kwellen’. Auteur: Harry Mulisch. Boodschap: de maatschappelijke functie van (literatuur)onderwijs is het reguleren van de sociaal-economische hiërarchie met culturele middelen. Romans als Het gym, Wees onzichtbaar en Het boek Estee spelen zich niet toevallig tijdens de schooljaren van hun protagonisten af: hun cruciale maatschappelijke belang is precies dat ze dit mechanisme blootleggen. Een mechanisme dat de noodzakelijke voorgeschiedenis van deze romans vormt omdat het er juist op gericht is om hun protagonisten – en hun auteurs – de toegang tot de literaire wereld te verhinderen. Wanneer die toegang ondanks alle voorzorgen toch gevonden wordt, kan dit als triomf van een emancipatoire samenleving worden gevierd. 

De meest scherpzinnige analyse hiervan biedt Het gym. Sandra is de ander die het gym – metoniem voor de Nederlandse klassensamenleving – als uitzondering kan incorporeren. Als sociaal experiment en feel good experience ineen is Sandra voor de bourgeoisie van ‘het dorp’ even intrigerend als weldadig. De zelfgenoegzaamheid van haar aapjeskijkende chique vriendinnen is voor Sandra nog pijnlijker dan het agressieve racisme van haar kleinburgerlijke klasgenoot Bart. Als witte jongen uit ‘de stad’ is hij op school niet minder outsider dan Sandra en voelt hij haarscherp aan hoe kwetsbaar zijn klassenpositie is. Zijn onbehouwen populisme is ideologisch compatibel met de progressieve retoriek van de elite: het bevestigt die laatste in haar zelfbeeld en verschilt er louter op het niveau van talig fatsoen van. Bart wordt ‘ordinair’ gevonden maar zijn gedachtegoed niet weerlegd. Toch kan hij niet op tegen Sandra’s symbolische belang voor de school, wat haar als zijn ultieme klassenvijand identificeert en tegelijk zijn xenofobe populisme verklaart. Deze politieke analyse van Nederland heb ik nooit eerder zo haarfijn verbeeld gezien als in Het gym.

Als uitzondering op het uitsluitingsmechanisme ondervindt Sandra er niettemin grote hinder van. Hoewel deze cynische logica haar sociale mobiliteit mogelijk maakt, is haar slagen uitsluitend haar verdienste, want haar omgeving laat niet na haar aan haar marginale positie te herinneren. Sandra’s moeder mag het dan ‘walgelijk’ vinden ‘dat niemand in Nederland meer behoorlijk Nederlands sprak, behalve de Surinamers’, toch blijken Sandra’s taalgebruik en accent haar in sociaal opzicht sterker te markeren dan haar huiskleur. Bij het voorlezen raakt Sandra in paniek wanneer ze de afkorting drs. niet herkent, terwijl haar klasgenoot uit de betere middenklasse ‘het gewoon [wist]’. De zwarte jongen Henry Janssen, als baby geadopteerd door een chique Nederlandse familie, spreekt ‘als een rasechte kakker’ en vindt Sandra maar ‘een ordinair type’. Meer dan huidskleur verraadt taalgebruik klasse – de cruciale scheidslijn op het gym.

Het gym is een briljante analyse van taal als geleider van sociale ongelijkheid – en van de rol die literatuur(onderwijs) in dat proces speelt. In de les Nederlands leert Sandra dat belangrijke Nederlandse boeken zich afspelen ‘in het hoofd van een man’ die ‘kleine dingen heel erg groot maakt’. De nadruk op gender in deze scène kan niet verhullen dat literatuur hier evengoed als marker van sociale klasse functioneert: Sandra vreest dat haar eigen opstel ‘haar zou ontmaskeren als een plebejer’. Wanneer ze erin slaagt om de Nederlandse canon volmaakt te pasticheren ontvangt ze van haar docent de grootste lof, die haar klasgenoten vervolgens bekrachtigen. Hoewel deze literaire standaard voor hen onbereikbaar is, erkennen ze hem wel als sociale standaard. 

Het valt op dat Het boek Estee grotendeels dezelfde houding ten opzichte van literatuur(onderwijs) verbeeldt als Het gym. Remy’s oudere zus Estee, de eigenlijke hoofdfiguur van de roman, wordt in de les Nederlands ‘uit de klas (…) gestuurd omdat [ze] de favoriete schrijvers van de leraar had beledigd’. Ogenschijnlijk straft de docent haar voor een brutale opmerking over ‘de ballen van [zijn] literaire goden’. De onderliggende ‘belediging’ is Estees oprechte poging om de romans van canonieke Russische schrijvers, over wie ze in de les voor het eerst hoort spreken, te verbinden met het leven van haar grootvader. Waarop de docent denigrerend reageert: ‘Maar heeft hij tijdens zijn overpeinzingen per ongeluk ook nog wereldliteratuur geschreven?’ Bovenal maakt Estee de fout om autonome literatuur en het dagelijkse leven op een continuüm te plaatsen en zich zodoende in de ogen van de docent iets toe te eigenen wat haar niet toekomt. 

Mobiliteit

Het woord arbeidersklasse is een al te generaliserend etiket, want deze drie romans verbeelden diverse vormen van sociale achterstand en mobiliteit, die op complexe wijze verweven zijn met etniciteit en gender. De overeenkomsten tussen deze drie romans blijken misschien wel het beste uit een vergelijking met twee nadrukkelijk fictionele romans over personages uit de arbeidersklasse: Lieve Céline (2011) van Hanna Bervoets en De wafelfabriek (2017) van Roman Helinski. Waar die eerste mogelijk een empathische sprong van de verbeelding beoogt, voert die laatste zijn arbeidsters louter op als willoze figuranten in een reactionaire fantasie. 

De verbeelding van onderwijs en sociale mobiliteit vormt een scheidslijn tussen Isik, Amatmoekrim en Boogers enerzijds, en Bervoets en Helinksi anderzijds. Van sociale mobiliteit via onderwijs is in de roman van laatstgenoemden eenvoudig geen sprake. Bervoets kiest in haar verbeelding van de lagere klasse voor een laagbegaafde protagonist, Brooke, die door haar beperkte cognitieve vermogen bij voorbaat uitgesloten is van sociale stijging. De personages van Amatmoekrim en Isik beseffen ten enenmale dat vwo en universiteit de kortste uitweg bieden en dat je toegewezen school determinerend is voor je verdere leven. Het onvermogen van Estee om zich de onderwijstaal toe te eigenen drukt Boogers in haar wanhopige monologen op hartverscheurende wijze uit. Aan deze cruciale kwestie gaat Bervoets onbeschroomd voorbij.

De woorden van de juf verworden in Brookes hoofd tot ‘een soort mislukte pizza’

Brookes laagbegaafdheid tracht Bervoets in de vertelwijze te simuleren. Zo ervaart Brooke haar eigen leermoeilijkheden: ‘Ze hoorde wel wat de juf zei. Maar haar hoofd maakte er geen plaatjes bij’. Typerend voor die laagbegaafden-mimicry zijn de frequente vergelijkingen. De woorden van de juf verworden in Brookes hoofd tot ‘een soort mislukte pizza’; wanneer Brooke door klasgenoten aangerand wordt, voelt haar keel ‘als een fles cola die te veel geschud is’. Een welwillende lezer zou in deze stijltruc een empathisch gebaar kunnen lezen, alsof de verteller het intellectuele tekort van haar personage tegenover haar grote beeldende denkvermogen plaatst. Tegelijk gaat er een paternalistisch effect van uit, temeer omdat de beelden ontleend zijn aan de stereotiepe arme-mensenlevensstijl. 

Of dit paternalisme te vermijden is, weet ik niet – en wellicht is het niet aan mij om dat oordeel te vellen. Bervoets tracht haar protagonist regie te geven, Brooke lijkt brieven te schrijven en enkele beslissende levenskeuzes te maken. De roman laat subtiel de gentrificatie zien van Brookes wijk (Amsterdam-Noord) en portretteert haar moeder als welwillend en liefdevol. De plot – een hybride van ontnuchterend naturalisme en de soaps die het gezin volgt – neigt echter naar exploitatie. Lieve Céline cultiveert de fantasie dat Brooke één keer kan kiezen in welke wereld ze leeft – ze wil naar Las Vegas om Céline Dion te zien –, maar ondermijnt haar tegelijk fataal. Alles wijst erop dat Brookes keuzes desastreus en (zelf)vernietigend zijn. Bovendien is het nogal illusoir dat een laagbegaafde een reis naar de V.S. regelt. In hoeverre dit alles zich ‘echt’ dan wel in Brookes verbeelding afspeelt, maakt weinig uit. Beide scenario’s drukken het onvermogen uit zich de sociale mobiliteit van arme, laagopgeleide mensen anders dan als soapachtige catastrofe voor te stellen.

Helinski gaat een paar stappen verder dan Bervoets door zijn keuze voor een cyclische verhaalstructuur, die in De wafelfabriek meer dan ooit het reactionaire geloof verbeeldt dat niets ooit verandert. In de wafelfabriek werken naast moeder Gerda ook dochter Geertje en schoonzoon Patrick. Hoezo sociale mobiliteit? Het eerste deel van de roman en het korte laatste deel beginnen bovendien identiek: ‘Is hun werk een straf? Dag in dag uit controleren de vrouwen van de wafelfabriek de wafels die op de lopende band voorbijkomen’. In het verhaal dat beide uiteinden van de cirkel verbindt, laten de arbeiders zich door de cynische demagoog Arka Narovski verleiden tot een onbezonnen staking en (zelf)vernietigende gewelddaden. Waarna Arka de plaat poetst en de arbeiders zich opnieuw deemoedig schikken naar hun oude leider, de fabrieksbaas tegen wie ze zich eerder hadden gekeerd – al lang opgelucht ‘dat er weer iemand is om te volgen’, aldus de verteller. 

Verwerpelijk aan deze verbeelding is haar seksisme – het willoze gepeupel is niet toevallig overwegend vrouwelijk – en haar opzichtig symbolische karakter: het gáát niet eens om de arbeidersklasse maar om de universele ‘mens’. Typerend is het paternalistische perspectief van de becommentariërende verteller: ‘Nee, mees­tal denken mensen helemaal niet, doen ze maar wat’. Als er al sprake is van een leerproces, dan van een hernieuwd inzicht in de lotsbestemming van ondergeschiktheid en passiviteit. Zelfs de slachtoffers van de bloeddorst schikken zich in de status quo. ‘Nieuw werk zoeken, haar dochtertje van school halen, verhuizen?’ Nee toch? Elk streven naar verbetering maakt de ellende slechts doffer. 

De romans van Amatmoekrim, Isik en Boogers kan ik zonder voorbehoud realistisch en emancipatoir noemen. Of Bervoets en Helin­ski emancipatoire intenties hebben, is zeer de vraag. Het ontbreekt hun romans in elk geval aan sociale realiteit.  

* Ik wil graag Loranne Davelaar bedanken voor de hulp bij het samenstellen van dit corpus.