Het kasteeltje

Het toegangshek werd op afstand bediend en ging geluidloos open, nog voordat ik op zoek kon gaan naar een intercom of bel. Ik had al een flink eind gelopen vanaf het dorpsstation en de enige reden dat ik het kasteeltje had gevonden, was vanwege een gebrek aan afslagen. Een paar honderd meter vanaf het station was er geen bereik meer en moest ik de weg vinden zonder telefoon.

Ik was op zoek. Waarnaar? Een identiteit, een natie, recht van bestaan zonder schuld, misschien trots. Maar ook andere, onnoembare dingen. Iets om me hartstochtelijk voor in te zetten. Iets om voor te vechten. Ik wilde graag vechten, maar was er ook doodsbang voor. Ik las Nietzsche met mijn buurmeisje. Zij moest altijd lachen om hem, niet grinniken of glimlachen maar hardop lachen met het hoofd naar achter en de mond open. Schaamteloos. Eigenlijk vond ik het vervelend dat ze hem niet serieus nam en ze keek me aan en zei: hoe kun je niet lachen om iemand die schrijft: ‘Men is het minst verwant met zijn ouders: het zou het uiterste teken van banaliteit zijn, verwant te zijn met zijn ouders’ of een hoofdstuk met de titel: ‘Waarom ik zulke goede boeken schrijf’? Ze zei: dat is toch gewoon heel erg grappig? Maar dat was niet wat ik las in Nietzsche. Ik las: geef je eigen leven vorm. Laat je niet leiden door de geschiedenis. Leef gevaarlijk, denk voor jezelf, wees sterk, neem het recht te beslissen wat waar is. En vooral, maak je niet druk om wat goed zou zijn. Dat is wat ik las. Dat is wat ik wilde kunnen. Dus kort na het eindexamen gebruikte ik het spaargeld, dat vrij was gekomen op mijn achttiende verjaardag en vooral bedoeld was voor het collegegeld van de komende jaren (de verwachting was dat ik verstandig zou zijn), om een cursus te boeken bij een zomerschool in een echt kasteel. De doelstelling van de cursus volgens de website was ‘Bildung en moed voor de moderne mens.’

Langs de opengaande hekken liep ik over het grindpad naar het hoofdgebouw. Voor het bordes nog meer grind en in het midden een perkje met kleine struiken die doorbogen onder de topzware kronen van dubbele rozen. Daar weer in het midden een bassin met schelpmotief aan de buitenkant en bovenop een cherubijn die vanuit het vaatje op zijn schouder eeuwig water uitgoot. Ik was nu al een beetje teleurgesteld, want had toch gehoopt op een wat, tja, verhevenere smaak? Zo’n fonteintje hadden de buren van mijn ouders in onze twee-onder-een-kapwoning ook, maar dan zonder die mosaanslag. Als ik aan het lezen was op mijn zolderkamer aan de achterkant van het huis met het raam open, kon ik het ritmische geluid horen van de buurman die elke dag het grove grind in de tuin harkte uit angst voor dat mos. Panische angst moet het zijn geweest, want die harksessies besloegen uren. Mijn vader maakte altijd een praatje met de man en vertelde mij dan uit den treure dat de buurman vijfenveertig jaar voor het ministerie had gewerkt. Vijfenveertig jaar! Zo’n carrière zat er voor mij niet meer in. Zo werkte dat helaas niet meer, zelfs niet bij de ambtenaren van de Rijksoverheid. Maar als ik mijn best zou doen en verstandig studeren zou het wel goed komen. Ik werd fysiek onpasselijk van het idee te eindigen zoals de buurman, of mijn vader, en soms vervulden de berichten van klimaatvervuiling me met diepe voldoening. Nog liever het einde van de hele planeet en de mensheid erbij, dacht ik, dan dat.

Lange tijd was ik aan het piekeren hoe een mens heroïsch kan zijn in seculiere tijden. De wereld is zo belachelijk en banaal en ik had nog zo oneindig veel tijd van leven, leek het. Klimaatactivisme vond ik een beetje primitief en mensen helpen zoals andere vrienden deden in weeshuizen en scholen in Afrika, Zuid-Amerika en Azië, zwak. Ergens had ik gelezen dat al die ontwikkelingshulp in derdewereldlanden ook maar een cynische industrie was waar de lokale bevolking nauwelijks mee geholpen was. Zonder verder onderzoek was dat gerucht genoeg om ook dat idee voor mijn tussenjaar af te wijzen. Bovendien ben ik heel erg bang voor insecten en wilde ik absoluut niet naar de tropen.

Het kasteeltje was eigenlijk een vrijstaande negentiende-eeuwse villa. De deur stond open en ik liep naar binnen. Na een paar keer voorzichtig ‘hallo’ geroepen te hebben in de hal, probeerde ik de trap. Op de eerste overloop zat een meisje op een protserig bankje. Ze las een dikke vergeelde pocket en droeg een kort rokje. Ik kon de kwetsbare blauwgroene aderen zien bloeien onder de gladde, bleke huid van haar bovenbenen. Snel keek ik weg. De kaft van haar boek was bedrukt met een ouderwetse geairbrushte afbeelding van een schaars geklede vrouw tegen de achtergrond van opmerkelijk goed belichte rotspartijen. Ze was denk een jaar of vijftien en keek ongeïnteresseerd op toen ik langsliep om direct weer terug te keren naar haar boek.

Op de volgende overloop stond een frame met een middeleeuws aandoend harnas. De holle figuur hield in een hand een lans en in de andere een wit schild met rood kruis. De bovenkant van de rode pluim op zijn helm kwam nauwelijks tot mijn kin. De eigenaar van het harnas had ooit een hele smalle taille en kleine voeten gehad, afgaande op het borststuk en de puntige metalen schoenen. In een opwelling klopte ik op zijn helm en schrok van het galmende geluid door het lege trappenhuis. Snel liep ik nog een paar verdiepingen omhoog, maar ik kwam niemand tegen en keerde dus maar weer terug naar het meisje op de eerste verdieping en vroeg haar waar ik de organisatie of receptie zou kunnen vinden. Ze keek me aan, nog steeds zonder interesse. Vervolgens deed ze haar mond wijd open. Ze had geen tong. Ik meende een glans van tevreden kwaadaardigheid in haar ogen te zien toen mijn gezicht verstrakte van schrik. Ze deed haar mond weer dicht en wees de trap af.

Toen ik de begane grond weer had bereikt stapte er net een jongen door de voordeur naar binnen. De jongen was lang en breed met glanzend kastanjebruin achterovergekamd haar en ik verachtte hem meteen als een waarschijnlijk ongecultiveerde maar daardoor niet minder geaffecteerde corpsbal en verlangde tegelijkertijd intens naar zijn goedkeuring. Ik vroeg hem een beetje nerveus wie het sprakeloze meisje op de overloop was. Hij fronste even en zei toen gehaast: kom je mee? We gaan rugby spelen in de tuin. Ik keek uit het raam in het trappenhuis en zag door het authentiek bobbelige glas een groep jongens duwend het veld aan de achterkant op lopen. Ze droegen geen sportkleren maar lichte overhemden in spijkerbroeken en nauwsluitende colbertjasjes. Ik vroeg me af hoe ze gingen rugbyen zonder modder op hun kleren te krijgen en scheuren in de oksels van hun voering. Misschien was de eerste stap in mijn bildung dat ik me over dat soort kleinigheden geen zorgen meer zou maken.