Keeping Things Whole

In a field
I am the absence
of field.
This is
always the case.
Wherever I am
I am what is missing.

When I walk
I part the air
and always
the air moves in
to fill the spaces
where my body’s been.

We all have reasons
for moving.
I move
to keep things whole.

Mark Strand, Selected Poems (1980)

Bovenstaand gedicht is me nogal lief. Het hing een tijdje naast de werkkast in de gang. Daar, onderin, naast het oud papier en een petroleumstelletje dat van mijn grootmoeder is geweest en dat danig in de weg staat, staat ook mijn koffer.

Wat op reis onder andere fijn is, is om uit die koffer te leven. Je moet het ermee doen, het zijn deze broeken en deze truien en over het algemeen staan er geen petroleumstelletjes of andere door tijd en verhalen bezielde objecten, die met zachte dwang simpelweg door te bestaan een samenhang afdwingen.

Ik heb een vriendin die weleens half schertsend uitroept: ‘Kijk! Hier wonen ook mensen.’ Dit zegt ze bij voorkeur als we door heel kleine dorpen rijden. Het is een verbaasde constatering die me ontroert. Kennelijk hebben we moeite om terwijl we leven blijvend en aanhoudend te weten dat er andere mensen zijn, even groot en levend, waar dan ook op de planeet – ik maak het waarschijnlijk veel heiliger nu, dan hoe zij het bedoelt. Wat ik probeer te zeggen is dat ergens vreemd zijn goed kan zijn voor je relativerend vermogen.

Ik houd van het vogelperspectief vanuit een vliegtuig. Vaak, als we eenmaal boven de wolken uitkomen, waar de zon altijd schijnt, denk ik onwillekeurig aan de regel van Joni Mitchell: I’ve looked at clouds from both sides now. In het liedje wil dat zoveel zeggen als ‘mij hoef je niets meer op de mouw te spelden’, maar aan het eind van elke strofe zingt ze: ‘Maar juist wat me op de mouw gespeld is lijkt te beklijven.’

Iemand op wie ik verliefd ben schafte recent een drone aan. Dronebeelden kunnen nogal adembenemend zijn. Op het strand van Wijk aan Zee steeg het ding naast ons op, als een groot insect, en verdween ergens loodrecht boven onze hoofden. Op de beelden zie je twee figuren naar boven kijken en vervolgens die twee figuren flank tegen flank over een breed strand voortbewegen. Achter hen de zon en voor hen de donker schuimende Hoogovens. De hond draaft soms aan de voet en schuiert dan weer de vloedlijn af. Dat de figuren bewegen is waar het om gaat. Je blijft kijken, het bewegen is heilzaam. Ik denk aan Mark Strand en zie twee figuren iets heel houden.

Als je reist kun je je veel eenvoudiger voorstellen als iemand anders. ‘My name is Rebecca, nice meeting you, I like your smile/bike/book/dog/protesting sign/garden/wife/hat/horse/painting/party/bedroom.’

Soms zak ik door de manier waarop ik zaken met elkaar in verband breng heen. Mijn reizen is ook een verlangen naar het zoeken naar nieuwe manieren. Waarmee dan nog eens verteld is dat reizen niets oplost, maar het bewegen zelf en het feit dat je van twee kanten hebt gekeken kunnen bevredigend zijn.

Hannah van Wieringen (1982) schrijft toneel, proza en poëzie. Eerder dit jaar verscheen Als vrouwen vrienden zijn, een bundeling van haar laatste twee toneelteksten. Ze schrijft nu aan een nieuwe toneeltekst voor een dansvoorstelling van Toneelgroep Oostpool en ICK, die in oktober 2019 in première gaat: All over, acts of love

Meer van deze auteur