Anniemarie

door Rogi Wieg

Voor Tjitske Jansen, the next (next generation)

Yep, you sure look fine. – I’m walking the tightrope.
You wanna meet behind the horizon? I ain’t gonna
do something wrong. Just poetry darlin’ and no conversation.
I’m a bluesman, but I’m a good man. Love modern times.

Ik spreek jullie dan maar aan op een manier zoals Raymond Carver dat doet in zijn lange vers ‘You Don’t Know What Love Is’ dat over Charles Bukowski gaat, een avond, over liefde en ook dichters. Ik doe dat onder andere op deze wijze omdat het een mooie wijze is en omdat ik, net als Bukowski, met een veel jongere vrouw leef. Tweeëntwintig jaar jonger dan ik, slim, mooi, ‘I’m in love with this young broad’, zegt Bukowski in het gedicht van Carver. Ik lijk op Charles Bukowski, mijn leven dan, en ook op Raymond Carver. Verdomd afhankelijk van allerlei troep, vroeger zwerven van vrouw naar vrouw, soms een knokpartijtje, of een diep bloedende neerslachtigheid, ontheemd, verliefd, wij zijn de loopjongens van de Beesten met een lever die naar de bliksem gaat. Gekke vogels. Maar dat leg ik verder niet uit, alleen dat ik in de gevangenis, net als Bukowski, misschien meer mannen met klasse heb ontmoet dan op universiteiten en poëzieavonden. Goed, ik ben zesenveertig en zij vierentwintig, Anniemarie, klassemeid, haalt het geld binnen. Ik doe niks. Gokken en soms dichten. Zilveren bestek jatten. Proza kan de pest krijgen.

Maar ik heb mijn herinneringen: dat ik, toen ik jong was, veel gemakkelijker klaarkwam dan tegenwoordig. Ligt aan mijn lijf, de pillen, de bijballen. Nee, niet aan Anniemarie, dat zit prima. De poëzieavonden toen ik jong was, daar gaat het nu om. Of speciaal één avond dan, geloof ik. Wij waren een ander soort dichters dan die dames en heren van tegenwoordig. We hadden nooit een cent, het was altijd winter, we hadden geen baantjes bij glimmende tijdschriften, glimmend als de gepoetste schoenen van een stervende onder Eerste Hulp Licht.

Of werk op goud-marmeren uitgeverijen. Wij waren sloebers, koningen, keizers met ambities zo groot als die van een piepjonge ‘grootvader weet alles’ Bobby Dylan, ‘nice girls in Amsterdam’, zei hij zo’n veertig jaar later, voordat hij zijn stem weer eens forceerde. Maar ik heb hem de hand mogen schudden. Yep, connecties. We droegen gympen met gaten en hadden Vijanden in poëzieland. En we wilden erop los neuken. Want daar word je toch ook kunstenaar voor? Niks internet, schrijfmachines, handschriften, ik hou van Anniemarie, maar die mobieltjes, die elektronica, die carrières, die muziek! We schelen een complete, eeuwige kosmos vol zwarte en witte gaten, een symmetriebreuk.

Die ene avond. Over gedichten die dingen zouden zijn, of als thema de dingen hadden en niet de mensen. Hoe was dat ook alweer? Ik herinner me niks! Dus wat willen jullie van mij? Toch ging die avond over poëzie. Ik móét me daarom wel iets herinneren. Dat het in orde was, of klote. Dat ik alleen was, want dat ben je altijd. Er was een discussie. Zegt me niks: ‘discussie’. Waarover? Slim gelul zonder kop of staart. Zo gaat het meestal. En je kreeg geen geld als je aan zo’n poëzieavond deelnam. Of een fooi. Dat gaf allemaal niet. Ze moesten daar in de winter stapels gedichtenbundels in de fik steken om het een beetje warm te houden.

(In de bak kreeg je een telefoonkaart voor twee blikjes cola, dat klopt tenminste.) Ik ben voor ‘vuile jood’ uitgemaakt. Maar nooit op die poëzieavonden, daar nooit! Ik heb blanke mannen tanden uit hun smoel geslagen. Maar daar nooit! Ik heb een messteek in mijn linkerlong ‘opgelopen’. Maar daar nooit! Daar ging het over gedichten, al weet ik weinig meer over ‘de dingen’ en ‘de mensen’. Volgens mij leefde de dichter Jan Kostwinder nog op die avond. Ik weet het zeker. Hij was bepaald niet moeders mooiste. Je moest niet samen met hem onder een paraplu worden gezien. Die Kostwinder was niet dom. Zonde dat zo iemand ineens doodvalt, terwijl hij een vent is met hersens. En ik ben doorgegaan. Als het gekromde of vlakke heelal. De filosofie van ‘Het Dinggedicht’? Zal ik daar een academische verhandeling over houden? Jullie kunnen ook nadenken! Doe het zelf en laat mij slapen. Bukowski slaapt, Carver slaapt. Ik hoor hen snurken. Anniemarie rookt sigaren. Zo’n klein meisje met een grote sigaar en een fles wijn... ‘You Don’t Know What Love Is’ gaat over mensen en dingen en liefde. Over een avond. Niet over ‘Meer in mensen dan in dingen’, of ‘Welke dingen, welke mensen?’ En ik weet wat liefde is. Ik weet het echt, net als Charles Bukowski en Raymond Carver dat weten/wisten.

Hoe die avond was? Oké denk ik. Rustig, vermoed ik. Een stel dichters die wat babbelen met elkaar. That’s all.

Kijk, mensen en dingen zijn elementair, dus in de diepste, diepste basis, slechts complexe wiskundige vergelijkingen vol natuurkundige eenheden. Elementair: equivalent aan energie + energie. En dat zijn verzen ook. Niets voorstelbaars. Herdenk het geheugen. De avonden die je grotendeels bent vergeten. Maak liefdesverzen voor bijvoorbeeld Anniemarie. Maak ook ‘dinggedichten’, wat dat ook moge betekenen. Luister naar ‘Angel Eyes’, met Wynton Marsalis, naar ‘My Funny Valentine’ met Art Blakey. Luister en spreek. Maar sterf niet als Alexander de Grote.

The next (next) generation doet het mooi, als... En maak nu zelf deze metafoor maar af ! Moet ik soms altijd dichter blijven? Wie gaat de gedichten van Rogi Wieg schrijven als ik dood ben? Mijn dochtertje Hannah Wieg? Nee, nee, nee, nee, nee, nee! Het mag, zal en kan niet gebeuren. Ik ben ik en dit is een logische waarheid. P=P.

Anniemarie kleedt zich uit. I ain’t no bad case of love, cause I love modern times.

oorspronkelijke aankondiging

ZO WIL IK DAT DIT LIED KLINKT III

Zaterdag 26 Maart 1994

ZO WIL IK DAT DIT LIED KLINKT III: VLAAMSE POËZIE

Met: Dirk van Bastelaere, Erik Spinoy, Koen Stassijns, Peter Verhelst

Voor de derde avond in de reeks wil Perdu de blik richten op de Vlaamse poëzie. In de afgelopen jaren verschenen enkele opmerkelijke Vlaamse debuten, die ook in Nederland positief werden ontvangen. Voor de Vlaamse poëzie lijken zaken als welluidendheid en muzikaliteit van oudsher eerder kenmerken dan voor de Noord-Nederlandse. Hoe willen Vlaamse dichters dat hun lied klinkt?

De dichters Dirk Van Bastelaere, Erik Spinoy, Koen Stassijns en Peter Verhelst schreven voor deze gelegenheid een gedicht over een door hen bewonderd Nederlandstalig dichter of gedicht. Zij zullen hun werk voordragen en gaan over poëticale opvattingen in discussie.

Deze avond is tot stand gekomen met medewerking van de uitgeverijen De Arbeiderspers, Atlas en Prometheus, alsmede van boekhandel Athenaeum, waar de dichters zaterdagmiddag vanaf 15.00 uur signeren.