De Verloren Tijd

Niemand had nog een reputatie. Iedereen was zesentwintig. Geld was er niet en kwam er ook niet aan. De dagen waren lang genoeg om serieuze boeken te lezen, op drie mensen tegelijk verliefd te zijn, in het donker door de stad langs feestjes te drijven die al uren bezig waren af te lopen, brieven te schrijven en die persoonlijk te bezorgen, smeulende ruzies uit te praten zonder ze echt te doven en ook nog een boekwinkel open te houden van tien tot zes.

De Verloren Tijd was eerder een alibi dan een boekwinkel. Een alibi om loopbaankeuzes met ernstige consequenties uit te stellen. Een alibi voor mensen om ergens binnen te lopen zonder te hoeven toegeven dat ze om een praatje verlegen zaten. Een alibi, dat vooral, om te leven alsof er in de wereld niet veel belangrijkers bestond dan boeken.

Dit was het pre-digitale tijdperk. Frans Kellendonk leefde nog en de boekenbijlage van Vrij Nederland verscheen maandelijks. Mensen spraken elkaar, soms zelfs op straat, opgewonden aan over Cirkel in het gras. Die tijd was het. De fragmentatie van het ik werd langzaam gemeengoed. Lyotard had zijn expositie in Parijs. De Nobelprijs voor Claude Simon viel in een beleefde, wat ongemakkelijke stilte. De vraag was of vrouwenliteratuur zich verder moest ontwikkelen binnen een eigen circuit. Doe Maar hield op te bestaan, en het was de lente van de kopieermachines.

Als gastredacteur in een nummer van de Held, gewijd aan literaire blaadjes, schreef ik: ‘De blaadjesmaker houdt fysiek contact met de tekst in alle stadia van de produktie.’ Dat was een principekwestie: toen al een beetje ouderwets, maar niet onmogelijk.

De enige avant-garde waartoe ik ooit behoord heb is die van het fotokopiëren. Om de maand schraapten we 700 gulden bij elkaar en kochten een kaart voor 10.000 fotokopieën bij de Grand Prix aan de Weteringschans. En die gingen op ook, aan de tijdschriftjes, boekjes, brieven en plakkaten die we zelf volschreven, vormgaven (met plakletters, gebogen over de stofkap van een platenspeler, die dienstdeed als lichtbak, met een bureaulamp eronder geschoven), vermenigvuldigden en op de fiets langs brachten bij de honderdtwintig mensen op onze adressenlijst.

Bij de Grand Prix konden ze traploos vergroten en verkleinen, tweezijdig, op alle soorten papier en als het moest zelfs op linnen of plastic. Ik kwam er bijna dagelijks. Het was er altijd heet en benauwd, alsof het tijdgebrek van alle klanten de zuurstof opslokte.

Alles hing af van de jongens achter de grote machines. Hoe meer haast ik had, hoe zachter ik praatte. Dat deden zij ook. Jeukend van bijna hysterisch ongeduld stonden we te fluisteren over onmogelijke fotokopieën. De boeken en de krantjes van De Verloren Tijd waren uitvindingen die alleen toen gedaan konden worden, in de korte jaren tussen stencil en desktop.

De Verloren Tijd was een simpel idee. Geld en apparaten waren er niet. Bleef over: mensen, boeken en een plek. Die drie maakten elkaar mogelijk. Voor een echte boekhandel waren ze alle drie noodzakelijk. Zonder elkaar werkten ze niet.

Waar ik het beeld van een echte boekhandel vandaan had weet ik niet precies. Shakespeare & Co, de legendarische zaak van Sylvia Beach in Parijs, had er iets mee te maken – maar toen ik daar op mijn eenentwintigste binnenliep vond ik zowel de boeken als de mensen te oud. Om de sfeer die we zochten te illustreren plaatste ik twee jaar later, in ons openingskrantje, een citaat van Leonard Woolf over hardop nadenken, lage balken en lange rokerige avonden. Dat citaat had ik zelf verzonnen, maar de associatie met de Bloomsbury Group plaatste ons tenminste in een traditie – al was dat meer ter geruststelling van onze eerste bezoekers dan uit heimwee naar de jaren twintig.

Zelf had ik een logica voor ogen die paste in het hier en nu.

Van de boekenverkoop zouden we het niet moeten hebben, dat was meteen duidelijk. Daarvoor was onze voorraad te klein en de aanvoer te ingewikkeld: doosjes beschadigde exemplaren, met de fiets opgehaald bij de uitgeverij. Aan reguliere boekenlevering deden we niet: de boeken mochten tenslotte niet duurder zijn dan ik zelf kon betalen. Ik was bovendien niet de gedroomde boekverkoper: de interessantste exemplaren las ik liever zelf dan ze van de hand te doen. (Mijn favorieten: Max Frisch, Louise Erdrich, Richard Brautigan, Louis Paul Boon, Ingeborg Bachmann, Marguerite Yourcenar, Julio Cortázar, Lawrence Durrell, Christa Wolf, J.D. Salinger, Mar-guerite Duras.)

De winkel was er dus niet voor de verkoop. Maar boeken zijn mooi. In een lege kamer vol boeken staan meer verhalen dan in een kamer vol mensen maar zonder boekenkasten. Dus: hoe minder boeken we verkochten, hoe mooier de plek.

En de plek was goed. Het oude atelier van een vioolbouwer, met een marmeren toonbank, een lessenaar voor de beambte van dienst, hoge kasten met glazen schuiframen en natuurlijk het souterrain met de lage balken, verlicht door matglazen tl-buizen achter kaasdoek. De schimmelende vochtplekken verdwenen achter boeken en het werk van de jonge kunstenaars die we vroegen te exposeren. (Schilderijen van Randall Centrum, foto’s van Wijnanda de Roo, tekeningen van Floor van Keulen.)

Nu de mensen nog. Ik hield van mensen maar had een hekel aan smalltalk en verkeerde in de koppige overtuiging dat praten over boeken dezelfde intensiteit zou moeten hebben als het lezen of zelfs het schrijven ervan. Mensen bij elkaar zag ik graag dansen of voetballen, maar wij hadden geen disco of sportveld. Wel een boekhandel, en dus zou ik mensen bij elkaar brengen om te praten over boeken.

Achteraf kan je zeggen dat de logica klopte. De plek verhuisde, van de Gerard Doustraat naar de Kerkstraat en ten slotte naar de Kloveniersburgwal, de mensen veranderden en de boeken ook. Toch houden die drie elkaar nog steeds in balans. Het ideale soort balans: telkens als de dingen iets te lang en iets te stevig standhouden verschuift er iets en moet de hele constructie weer opnieuw.

De Verloren Tijd werd een echte boekhandel. De plek begon te ademen. Er waren dagen dat we boeken verkochten. Er waren avonden dat de teksten van hongerige jongens, het voorlezen van lange gedichten in het Pools, de rijmelarij van terecht vergeten dichters uit de zeventiende eeuw of de concentratie van mensen die heel eenvoudig spraken over hun meest dierbare boek ervoor zorgden dat niemand last had van de schimmelplekken, de lage balken of de slechte wijn. En ik leerde iets te zien.

Het had iets met de tijd te maken, met generaties en met het belang van stilte in een afgeladen kamer. De Verloren Tijd was een verhaal. We maakten van dag tot dag mee hoe het verliep. Maar het was wel een verhaal zoals verhalen toen verteld werden. Fragmentarisch, in- en uitlopende hoofdpersonen, geen scheiding tussen feit en fictie, abrupte overgangen, harde montage, veel witregels. Belangrijkste kenmerk: het mocht niet af. Elke keer dat er dreigde iets te stollen, vaste vorm te krijgen, moest het verhaal worden opengebroken.

Intuïtief begreep ik dat er niet één stijl of smaak de overhand mocht krijgen. Sensitieve dichters, ernstige feministes, ambachtelijke drukkers, literaire krakers, ouderwetse verhalenvertellers, klassieke wetenschappers, ambitieuze debutanten – ze moesten leren elkaar in dezelfde ruimte te verdragen. Ik leerde de betekenis van het woord discours. Ik ontwikkelde zelfs een vage notie van het begrip paradigma. En mijn instinct zei dat discoursen en paradigma’s zich alleen ontwikkelen als er andere discoursen en paradigma’s doorheen praten. Raken ze in zichzelf opgesloten, gaan ze dood.

Diezelfde logica dicteerde dat De Verloren Tijd een boekwinkel moest zijn met plaats voor muziek, beeldende kunst en film. Amsterdam was een koortsachtige stad. Er gebeurde van alles op plekken waar niemand een week eerder nog van gehoord had. Het belangrijkste nadeel van een leven met boeken is het isolement van de buitenwereld. Als ik zelf in een boekhandel opgesloten moest zitten, dan moest de stad maar naar ons. Anderen mochten De Verloren Tijd een literaire oase noemen, ik zag het meer als een pleintje. Buiten luisterden onze dichters ook naar muziek, hun vrienden waren beeldend kunstenaar, ze waren verslaafd aan de bioscoop – en waarom zou het buiten anders zijn dan binnen?

Boven aan het houten trappetje naar de bovenverdieping stond een cassetterecorder. De muziekkeuze was belangrijk. Stilte in een kleine boekhandel maakt zowel bezoeker als verkoper ongemakkelijk. Je moet kunnen doen alsof je elkaar niet in de gaten hebt. Er moet muziek tussen. Maar dan wel muziek die bijna, maar net niet helemaal past bij de voorkeur van de koper. Bij een Kavafis-liefhebber draaiden we The Smiths. Bij iemand die speurde tussen de delen Privé-domein hoorde Hazes. Toen Joost Zwagerman, op dat moment een jachtige schrijver zonder boek, me complimenteerde omdat ik de Cocteau Twins had op staan wist ik dat er bij zijn volgende bezoek iets heel anders moest klinken. De muziek was er om mensen zich net niet helemaal thuis te laten voelen.

Beeldende kunst was er even vanzelfsprekend als muziek, even eclectisch, evengoed een plattegrond vol witte vlekken voor zoektochten waarvan de zoekers leefden in de veronderstelling dat ze het ene na het andere uitroepteken plaatsten. Dat het eerder vraagtekens waren, die statements van staaldraad, klodders verf en overgeschilderde krantenknipsels, dat begrepen we later pas. Mocht ik in de literatuur nog vaag het besef hebben dat we af en toe genregrenzen overtraden, met een schelmachtige trots, in de beeldende kunst had ik niets om op af te gaan dan het sympathieke hoofd of de overweldigende bravoure van de kunstenaar die zich kwam aandienen.

(Dit was nog voor de entree van K. Michel, die meer dan wie ook gedaan heeft om criteria te introduceren in De Verloren Tijd. Hij was op een eksterachtige manier belezen, wist iets van andere werelddelen en episodes in de literatuurgeschiedenis, las beeldende kunst en muziek even grondig als boeken, en belangrijker nog: hij baseerde zijn oordeel op iemands werk, niet op zijn persoonlijkheid.)

Het bijzondere effect van een echte boekhandel is, kan zijn, was in ons geval soms, dat al die in- en uitlopende paradigma’s elkaar niet op de laagste maar op de hoogste gemene deler vinden. De Verloren Tijd had op zijn beste dagen een extreem goede smaak. Postmodern zonder uit de bocht te vliegen. Historisch bewust zonder academisch te worden. Hoffelijk tegen gevestigde reputaties zonder in het stof te kruipen. Experimenteel maar niet onverstaanbaar. Gevoelig maar niet slap. H.H. ter Balkt zakte er door een van de witte plastic stoeltjes en declameerde gewoon verder met die stentor. Anna Tilroe kondigde er een nieuwe fase van artistiek engagement aan, onder de titel ‘L’art pour l’art en de ommekeer’, in haar allereerste publieke lezing. Matthijs van Boxsel droeg pakken en lanceerde flarden sardonische eruditie waarvan niemand besefte dat ze later terecht zouden komen in De encyclopedie van de domheid.

Goede slechte smaak was nog niet ingeburgerd, toen. Des te groter de opluchting op een dinsdagavond, toen Peter Elberse – hoofdredacteur van de Held – en ik opkeken van ons werk aan weer zo’n meesterlijk nummer van dat wereldtijdschrift, grijnzend een jas aantrokken, in razende vaart naar zijn huis fietsten, want hij had een televisie, en net op tijd in zijn leunstoelen vielen voor het begin van de Blues Brothers. En des te groter de euforie toen Jessica Durlacher – hoofdredactrice van de Held – op de Tweede Verloren Verjaardag voor een volle zaal, wiebelend op hoge hakken, haar diepgekwelde versie zong van ‘Ik heb geen zin om op te staan’, met Rogi Wieg op piano en Jaap Boots op gitaar.

Er is geen generatie ontstaan in De Verloren Tijd. Al die zesentwintigjarigen vonden elkaar zolang niemand nog een letter had gepubliceerd. Zodra de eerste boeken verschenen – Zwagerman, Wieg, Bril & Van Weelden – bleken de verschillen groter dan de verwantschap. Als er al iemand geloofde dat hier een groep begaafde leeftijdsgenoten klaarstond om de wereld te veroveren, dan was De Verloren Tijd de beste plek om hem van dat idee af te helpen. Ronde verhalen hadden toen toch al weinig kans, en er zoemde te veel afleiding, tegenspraak en geschiedenis rond, zowel op de boekenplanken als onder de lage balken van het souterrain, voor zoiets eendimensionaals als het mobiliseren van een generatie.

Het kwam ook door de gaten in het gesprek, de pauzes tussen de opwinding door, de stiltes in de afgeladen kamer. Opgroeiend in het Amsterdam van de jaren tachtig leerde ik dat het afbreken van dingen evenveel waarde kon hebben als het opbouwen ervan. Begonnen vanuit het verlangen naar de intensiteit van het praten over boeken leerde ik de waarde kennen van het tegendeel ervan, het diapositief van de gesprekken die ik mogelijk maakte. Ik ontdekte de schoonheid van onbedoelde haperingen, van stiltes die niemand had voorzien.

Misschien begon dat met Hans Kloos, de dichter die op de meest onverwachte momenten, ook voor hemzelf, vreselijk trefzeker kon zijn. Hij had een onverwisselbare manier van voorlezen. Alsof hij het gedicht binnenstruikelde, met onlogische afbrekingen in het midden van een regel, tegelijk heel geconcentreerd en buiten adem. De stiltes die hij liet vallen namen je bij verrassing. Ze lieten zich niet door de woorden van het gedicht dicteren. En gaven mij daarom de indruk dat er een andere logica aan het werk was dan die van de conventionele grammatica. Een dialoog van onuitgesproken zinnen, zinnen die op het punt stonden geformuleerd te worden, bij nader inzien toch maar verworpen, opgeslagen als mogelijkheid, even later toch weer overwogen, uiteindelijk beantwoord of gewoon verdrongen door zinnen met een hogere urgentie, een onmiddellijker soortelijk gewicht.

Er stonden boeken in de kast die niet verkocht werden en zelfs nooit ter hand genomen werden door een mogelijke koper. De roman van Eduard Visser, Fyffes heten nu Chiquita, was er zo een. Vanachter mijn lessenaar heb ik hem dag in dag uit zien staan, zonder er ooit ook maar in te kijken. Er waren vaste bezoekers van de literaire avonden die nooit een woord zeiden. Die man met baard en coltrui, bijvoorbeeld, die jarenlang zwijgend zijn plaats innam, tot aan de dag dat ik hem bij binnenkomst iets te hartelijk vertelde dat een avond bij ons niet compleet was zonder zijn coltrui, waarna ik hem nooit meer heb gezien. Namen zulke romans en bezoekers niet deel aan het doorlopende verhaal dat De Verloren Tijd was? Ik denk van wel. Ze voorkwamen, juist door de aanwezigheid van hun stilte, dat er zoiets ontstond als een aaneengesloten verhaal, een eenstemmig gesprek. Ze zorgden ervoor dat wat er ook werd opgebouwd – een plattegrond van Amsterdamse literaire blaadjes, een geschiedenis van het modernisme, een generatie – incompleet bleef.

Achteraf was De Verloren Tijd dus misschien toch vooral een alibi voor een ander verhaal, een verhaal dat we alleen maar konden vermoeden, een verhaal waarvan het elk van ons vrijstond het naar eigen inzicht af te maken, een verhaal dat zich vrijuit kon voortbewegen, in de diepte, juist omdat er aan de oppervlakte voldoende gezegd werd om de aandacht af te leiden. Het zichtbare, gedeelde verhaal van De Verloren Tijd kan na vijfentwintig jaar samengesteld worden uit documenten, feitelijke herinneringen, naast elkaar gelegde anekdotes. Het heeft de vrijheid gegeven aan al die andere verhalen waaruit een echte boekhandel is opgetrokken. De verhalen van tentoongestelde schilderijen die elkaar aankijken in de nacht, als iedereen is vertrokken, van de tegen elkaar aan geperste boeken op de onderste plank, afhankelijk van een toevallige bezoeker om ze te verlossen van hun ongekozen buren, van een toegeslagen piano in de hoek achter de tribune, van de tegels achter een dichtgetrokken gordijn, van dichters die niet meer kunnen meepraten omdat ze te vroeg zijn doodgegaan.


oorspronkelijke aankondiging

WELKE DINGEN? WELKE MENSEN?

Vrijdag 31 oktober en Zaterdag 1 november 1986

Ruim tien jaar geleden schreef Paul Rodenko in De Revisor zijn ‘Opmerkingen over materiepoëzie’. Het begrip materiepoëzie, hier en daar zeggen ze ook wel ‘dinggedichten’, betekent dat het gedicht wordt vrijgemaakt van iedere plicht tot mededelen, en dat de dichter, de maker, uit beeld verdwijnt.

Belangrijke dichters als Kouwenaar, Ten Berge, Beurskens en de hier onder genoemde, hebben op heel verschillende manieren materiepoëzie geschreven. Op dit moment lijkt de concentratie erop te vervluchtigen. De vraag is dus: met welke erfenis moeten welke dichters verder?

I: Opmerkingen over materiepoëzie

Met: Piet Meeuse, Rein Bloem, H.H. ter Balkt, Frans Budé

Piet Meeuse houdt als filosoof en dichter een inleiding over de ontwikkeling van het dinggedicht. Vervolgens spreken de dichters Rein Bloem, H.H. ter Balkt en (onder voorbehoud) Frans Budé, tien jaar na Rodenko, hun eigen opmerkingen over materiepoëzie uit, daarmee verschillende nog zeer aktuele polemieken binnen de Nederlandse poëzie opstokend.

II: Een discussie over het dingdichten

Met: Bernlef, Joost Zwagerman, Howard Krol

Een veelzeggende titel uit J. Bernlef’s poëties werk is ‘Meer in dingen dan in mensen’.

meer in dingen dan in mensen

Omdat de dood in mensen huist
de buitenkant van dingen is
kan ik alleen in dingen leven zien

Hun stug en tegendraads bestaan
hun onverminderd staren in het zicht
van de mij toegemeten jaren

Daarom zie ik meer in dingen dan in mensen
die ene mens die in mij groeit
in richting en in zwijgen naar hen toe.

Enige tijd geleden vroegen we tien jonge dichters hierop te reageren, ook weer in dichtvorm. De van strekking en nivo nogal wisselende gedichten presenteren we nu in de bundel ‘Welke dingen? Welke mensen?’ met bijdragen van o.m. Aap Noot Mies [Arjen Duinker en K. Michel], Roeland Fossen, Rogi Wieg en Joost Zwagerman.

De laatste stelt in een begeleidende brief: ‘Waar echter mensen als Kouwenaar, Bernlef en ook Faverey beweging als een soort juk ervaren, die hen het streven naar poëticale verabsolutering moeilijk zo niet onmogelijk maakt, heb ik, als lid van de dichtergeneratie die ná hen komt, op mijn beurt weer te maken met die verdomde leegte die bij ieder gedicht om de hoek komt kijken!’

Een generatiekonflikt? Dan wel een waarbij leeftijden en stellingen door elkaar lopen. Bernlef en Zwagerman gaan erover in discussie, onder leiding van collega Howard Krol, en in aanwezigheid van nogal wat dichters van beide ‘generaties’.