Gedichten

Stilleven

Ik zie het brood, begroet de noten, ruik
het vlees. Een glimmende kan, bolle buik,
het glas staat leeg. Ik wil het mes nemen
van het tinnen bord, twijfel of dat mag.
Niets hier kan worden opgetild
dan bewaard in eigen kracht.

Als niemand de kan leegschenkt,
het brood aansnijdt, belegt met vlees,
de noten kraakt, dan wil ík de korst
te lijf, de geur van worst verdeeld,
de walnoot stevig in mijn greep.

Kom aan, genoeg geschranst, het mes
weer teruggelegd, de schaal gedraaid

voor u die smachtend tafelen gaat.


Appel

Zo onherroepelijk de appel zijn kleur,
zijn vorm afstaat. Het wordt, het is,
weer maanden later, valfruit
bij dezelfde boom vandaan, een appel
eenzaam in de velden van verderf,
dood zuigt zich naar binnen, ontneemt
de tijd zijn schittering. Zonder tegenklank,
zoals de aarde soms, krimpt de appel,
houdt nog even vast aan een zwart,
langzaam tevoorschijn, nauwelijks,
en toch – hij glanst.


Reiswekker

Hoe heb je, klein fragiel wijzertje,
de nachtelijke uren beleefd, mijn blik
van je af, haast geruisloos, toen de dood,
in zijn riekende lijfgewaad geen gezicht,
aan mijn laken snoof, met zijn kleffe tanden
friemelde aan een sloop, onderwijl
iemand op de gang een reis begon, schrapend
zijn stem, langs alle deuren en schachten?

Tot aan een kille klik – je grote broer,
die het sein doorgaf: de nacht gehad,

in minder dan geen tijd het opstaan, traag
bewegend, beelden uit het hoofd verjaagd.


Zwart trouwkostuum

In een van de zijzakken droge, bleke sprieten
van ooit samen in het gras, een zwarte knoop
eeuwig in reserve, krulletjes pijptabak,

versneden in dagen die ik niet ken.
Ik weet niet van hun eerste nachten, van blinde
gehoorzaamheid, wellust of compassie,

zachte brandewijn of pijn. Ik zie de precisie
van het snijwerk, het gelikte van de pochet,
het haast volmaakte van een mager mannenlijf,

nooit eens een vloek, een zucht uit volle borst.
Alle dagen telden, alle nieuws bracht schrik.


Koffer

In een verloren hoek te R. waar je geduldig
wacht onder wolken stof in zoetruikende gangen,
eindeloos tot rusten verplicht, niemand weet.

Uitgewoond pension in buitenwijk, beschimmeld
trapportaal, blauw licht sijpelt langs de wanden,
je hardkartonnen deksel ingedeukt, niemand weet.

Bij een smoezelige grenspost in de vrieskou
laat je je niet openen, men vloekt, sleept je,
onverteerbaar, smijt met je, niemand weet.

In een Kretenzer kloostercel verberg je honing en
wijnen stevig in het donker, wisselende beloften
onder het trillende licht van een lamp, niemand weet.

Van je kapotte hengsel, je roestige scharnieren,
de striemen op je huid, van afgebroken reizen
en telkens afscheid nemen, niemand weet.