Hoe wil ik dat dit lied klinkt?

Ik denk niet dat we de poëzie moeten redden. Ik geloof ook niet dat de grote massa daarop zit te wachten en ik geloof nog veel minder dat er meer mensen gaan lezen als we de poëzie gaan simpel houden. Reken maar dat we dat ook op onze bek zouden krijgen. Het zou geen week duren voor ons opportunisme zou worden verweten. We kiezen namelijk helemaal niet zo veel. Wat een mens bezighoudt die een beetje langer nadenkt over zelfs de meest alledaagse dingen, dat kan de meeste mensen eigenlijk gestolen worden. In Vlaanderen hebben al die mensen die nooit wakker liggen van het voortbestaan van zoiets stils en vreemds als de poëzie een heel handig stopwoord voor dat soort van goede voornemens: en nie filosoferen hè. Zoiets als ‘nicht resonieren’.

En bij de boekhandel waarmee ik vanochtend belde, had het leuke meisje aan de telefoon nog nooit van T.S. Eliot gehoord. Moet ik het haar kwalijk nemen dat ze liever met haar vriendje naar Jurassic Park gaat? Hoe dan? Moeten we de poëzie, de filosofie redden door ze te versimpelen?

Moeten we de muziek van Mahler versimpelen om de grote massa het licht te doen zien? Kunnen we die ingewikkelde symfonieën misschien van een beetje Prince voorzien? Laat voor mijn part Mahler Mahler en Prince Prince, allebei even goed.

Moeten we de groei van de perzikboom versimpelen? Moeten we dat stomme milieu niet dringend versimpelen? Nu hebben we er niets anders dan gedonder mee. Moeten we de dna-streng niet dringend versimpelen? Zoals die er nu uitziet, verstaat geen zinnig mens er iets van, toch? Kijk naar al die andere uitstervende beesten. Kunnen we ze niet wat versimpelen zodat ze beter tegen de huidige smaak gewapend zijn? Het is duidelijk hun schuld dat het de mens geen reet kan schelen. Ze moesten zich maar een beetje verstaanbaarder maken, de poëtische dinosauriërs, met al dat hermetisch gesnurk en gesnuif van ze. Moeten we een versimpelde Faverey maken, een Faverey décafeïné, zeg maar? Het klinkt wel chic, nu nog een mooi rood verpakkinkje en we halen hoge oplagen. Maar voor wie gaat het dan nog om die eerlijke, schitterende, onvervangbare Faverey met heel zijn typische menselijke diepte en verwarring? Nee dus. Dat soort intelligentie van Faverey is nu eenmaal zeldzaam. De natuur heeft zo haar elitaire kantjes wat dat betreft.

Een opzettelijk versimpelde dichter wordt een leugenaar, een stuntman, een ijdeltuit met een sociaal maskertje op, iemand die probeert te vergeten wat zijn eigen eerlijke inzicht van hem vraagt, ook al is dat niet populair. Hij wordt de zoveelste producent van het leuke kleurtje in de supermarkt om de hoek, het deuntje bij de koffie zonder koffie. Hebben we daar al niet meer dan genoeg van, van dit soort kleffe producten die tegemoet moeten komen aan de algemene behoefte aan dingen zonder kraak of smaak? Zou het niet beter zijn zorg te dragen voor een poëzie die het recht opeist en de moed heeft te zijn wie of wat ze werkelijk is, namelijk sterke koffie voor wie met mondjesmaat proeft? Ik weet het, er zijn mensen die liever afgeroomde melk hebben, maar die hadden we al.

Ik wil me maatschappelijk gesproken niet elitair opstellen, absoluut niet. Ik voel me zelfs nauw betrokken bij de politieke en sociale gebeurtenissen van de tijd waarin ik leef. Net daarom maak ik me ook geen illusies over de potentiële machtsvergroting van zoiets ingewikkelds als de poëzie. Zelfs eenvoudige gedichten zijn op een bepaalde manier moeilijk, want het gaat om een bijzondere manier van aanvoelen die haaks staat op wat je voortdurend om je heen ziet. Het domste wat je kunt doen, is iets wat in de verdrukking komt juist zijn specifieke kwaliteit afnemen. Dan verlies je nog het laatste restantje publiek dat je nodig hebt om te overleven.

De maatschappelijke functie van poëzie ligt voor mijn part precies in haar dwarse bestaan, in het feit dat ze misschien het laatste overgebleven reservaatje is waar nog geen loodrechte geasfalteerde taalsnelwegen lopen, waar het beeld en het inzicht hun eigen onvoorspelbare weg kunnen gaan. Krijgen we nu ook nog zo’n ijveraar die het bos gaat redden door het te vernielen, een ambtenaar voor het sociale welzijn van iets dat de grote massa toch geen reet kan schelen? Kom zeg! Laat maar zitten voor mijn part. Democratisch denken betekent niet alles uitvlakken maar de verdwijnende minderheden erkennen in hun specifieke waarden. En dat is ook zo voor de poëzie. En door voor die specifieke waarden op te komen kun je iets voor die minderheid doen, niet door ze te verplichten zich aan te passen aan de verpletterende tirannie van Zijne Majesteit Het Gezond Verstand en dat soort simplificaties. Op dezelfde manier werd in de jaren vijftig de les gelezen aan componisten als Sjostakovitsj: geen mineurtoonaarden meer voor het gezonde Russische volk. Weg met al die intellectuele troep. Dat deuntje kennen we toch? Dubravka Ugresic meldt ons dat er in Servië en Kroatië voor het ogenblik veel, heel veel eenvoudige poëzie wordt geschreven en voorgelezen. Echt waar. En ze gaat allemaal over hetzelfde. Misschien weet u ook wel over wat.


Brief van Stefan Hertmans, voorgelezen door Maarten Doorman bij Perdu op 26 maart 1994, ter gelegenheid van ‘Zo wil ik dat dit lied klinkt’, een avond over Vlaamse poëzie, naar aanleiding van een artikel van Jan Kostwinder.