Omar en The Wire

Ik breek mij af, bouw mij op. Zo begon anno 1989 mijn eerste poëziereis. Woorden juttend en schakelend, vulkanologisch een eigen alchemie brouwend, stolselmatig op weg. Van Strombolicchio tot Navagio, in de 32 windrichtingen. West werd Oost, Noord werd Zuid in het vijfde element van de verbeeldingskracht. Middelpuntvliedend en -zoekend, walsend en strompelend tot voorbij de tegenpolen. Een vonk die verdwijnt in de nacht.

‘Daar heb je ons Brugje, het bouwertje met het gruyèrekaashoofdsyndroom.’

Voort! Op maat van de muziek! Geen militaire 1–2-mars, maar een walsend 1, 2, 3.

Verder, vier vissersklokken kleppen. Spookverschijning van de pentaquark... Hoog en laag vallen samen. Ze dansen op het tapijt van ruimte en tijd, rollen naar de rand. Soefi’s en het pianospel van Alain Kremski. Hoor de roep van de zigeuner: de blinde violist Tcha Limberger doet de snaren trillen. Pepe Marchena bezingt een romance in Córdoba, scheurt de gepolijste flamenco open. Dan beukt John Cale demonen los. You’re a ghost la la la la la la la la la. Ready for war.

Pelikanen beginnen te klepperen van de kou. Poesjes worden sneeuwvlokken en wervelen in het rond. En dat terwijl een kind zich dood speelt in Gaza – het zwarte gat van de nieuwe eeuw. Engelen vallen, bommen zingen.

Ondertussen kijk ik naar The Wire, het zingen van de draad. Prikkeldraad. Afluisterapparatuur. Vijf seizoenen voor je hongerige dvd-speler. Tijd voor een borrel, Bunk.

Voor ik aan mijn poëziereis begon, oefende ik mij eerst – Montaigne indachtig – in de levenskunst. Overstag en overkop. Lucebert, Rabelais, rimbombo rimbombo – pas later las ik Bakhtin. Ik zond ‘baldakijnen’ en ‘vliegende tapijten’ naar Yang en belandde zelf in dit circuit, in deze werrelt, die zo dwerrelt.

Perdu? Daar hoorde ik Lucas Hüsgen, briljante geest. Vorig jaar zag ik hem in Leuven even terug. Ik ontmoette daar ook de belezen en bevlogen Joris Vercammen: geef mij een whisky, wat een poëtisch talent. Luister, hoe zijn geliefde Laura (Verlinde) met hem fonkelt – samen ‘Wolf’ – op www.myspace.com/wolfsamples. Door die ontmoetingen op het einde van mijn eerste poëziereis ontdek ik – nu pas – Paulus Böhmer. Al die heelallen en heelallen in een heelal. Andere zonnen, andere planeten./ Stervelingen die van geen ophouden weten, die hoge baren/ trotseren, van inzinkingen leren [...]

Al sinds ‘De zeemeerman’ van Paul Snoek schrijf ik gedichten. Ik vond geen uitgever tot ik met een pony van Troje in poëzieland geraakte. Maar ik wilde ook bravoure uitdragen, het tonen van vallen en opstaan – geen voer voor het salonparcours. Ik deed niet zomaar wat. Om trouw te blijven aan de kwetsbaarheid én de spinnenwebconstructies van mijn drieluik Strombolicchio – Dwangbuis van Houdini – Santander bracht ik ook op het podium op onafhankelijke wijze evocaties en exploraties. Een totaaloptreden kon gemakkelijk twee uur duren – na een intro van een uur.

Ik ondertekende ‘De vegtlijnen’ van ontdekkingsreiziger pur sang Han van der Vegt in een hoorndolle vossenperiode omwille van het pathos maar vooral omdat ik Gedichtendag een secretaressedag vond. Ik moest nodig eens op mijn donder krijgen. Ik werd door iemand ‘een hype’ genoemd (die hype die tien jaar duurde, is nu pas officieel over) en een vos mag toch niet doodgeknuffeld worden? Vossen worden opgejaagd! Maar ik kleurde ook voor en na die tijd buiten de lijnen. Ik gedroeg mij anti-autoritair, doch niet los uit de pols omwille van de ontregeling. Ik wilde kijken in het ongewisse, het gebied aftasten waar duisternis en stilte zichtbaar worden. Ik had een dwarrelende wereld in een sneeuwbol voor ogen. Ik probeerde ook voorbij de dichotomie van klassieke voordracht / performen te geraken – wat soms lukte als ik voldoende veerkrachtig was. Een tel verder dan de geijkte maat van de beluistering en de consumptie. Ik speelde geen piraatje – zelfs niet voor kinderen met Het Kapersnest: ik wás een rover. Jongeren luisterden geboeid naar de albatros van Baudelaire. Een lafbek in zicht? Dan nam mijn destructieve alter ego Enterhaeck het roer over en ging ik zelf naar de haaien. Een zeeschuimer is toch geen salonridder?

Ondertussen moest wel de huur betaald worden. We are all prostitutes zong ooit The Pop Group. Ik trad veel op, maar gaf alles. Ik maakte mijn eigen dwangbuis tot ik erin opbrandde.

Nu zoek ik weer de marge. In afzondering ga ik op zoek naar grensgebieden en de moeilijk te vinden stilte. Kielhalen en optrekken.

Uiteindelijk omvatte mijn eerste poëziereis vijf dichtbundels: vijf cd’s in één box, van vulkanisch tot uitdijend. Het tweeluik Spinalonga – Navagio had zijn innerlijke Villon-noodzaak. François was geen troubadoursdoetje.

Enkele van mijn verzen zijn verliefd geworden op een lied en die breng ik zo. Van veel gedichten blijf ik af, ik draag ze niet voor. Ik ben nu helemaal van attributen ontdaan. Ik was geen handelsreiziger in fetisjen. Ik maakte koppelingen, veelheden, stromingen zoals Rutger H. Cornets de Groot terecht opmerkte. Ik heb het gedurfd om op het podium die gedichten die zich daartoe lenen uit te vergroten (o, des dichters onwaardig gedrag!). Het heeft wel de aandacht afgeleid van al die verzen die in hun complexiteit ook zonder mij blijven zingen. De perceptie van sommige ontvangers pinde zich vast op het orale of het theatrale.

Toch heb ik er geen spijt van. Horen wil wie hoort. Maar het wordt hoog tijd om af te monsteren. Ik duik onder om mij te herbronnen voor mijn vertrek op een tweede poëziereis – in een andere stemming.

Back to The Perdu Years. Ook op het podium speelde ik op niet vrijblijvende wijze met toeval en niet-toeval. Met licht en donker. Met evenwicht en discipline (cf. eerste helft van Santander) tegenover: onevenwicht en ontsporing (cf. de tweede helft). Ik zocht de confrontatie met mijn kwaadaardigste invocatie. Met ongepolijste klezmer- en zigeunermuzikanten probeerde ik een wendbare schotelantenne te maken – van een melig grapje tot ontroering in één derwisjdraai. Gedoemd om vroeg of laat te crashen, ik wist het op voorhand. Maar het hoorde bij het durven op je bek gaan. Ik was geen ‘podiumdichter’ met een veilige ‘performance’, maar het project bracht wel – op zijn best – een ‘gebeurtenis’.

Ik was niet wit geschminkt, die keer in Perdu. Ik had 41 graden koorts en dat paste wonderwel bij de uitgekozen gedichten die de ijle golflengten aftastten. Er hoorden ook intiem voorgelezen verzen bij. Bij een voordracht luister ik immers naar wat de gedichten van mij vragen. Vele poëmen willen niet dat ik ze voordraag. En gelijk hebben ze. Andere verzen dompelen je onder in een sfeer of hebben een wolkenvorm: die zie je het best zelf voor je ogen, poëzie als beweeglijke wolken die op papier voorbijdrijven.

Het is woelig water dat de wolken wiegt. Kolkend soms. Het sleurt je naar de dieperik. Daar zinkt het smokkelende wrakhoutschip de Navagio. Iemand maakt het verdacht, een ander in de Westhoek kraait victorie en schiet een harpoen achterna.

Ah, Perdu! Ik liet ook waan en zin van de personages uit de triptiek aan het woord. Een hellebewaarder, een machtswellustige dichter-tovenaar en zijn rivaal Sneeuwmaker: allen woonden ze in hetzelfde, exploderende hoofd. Men herinnert zich bij die voordrachten vooral de surrealistische inkleding. Toch had ik nooit een bromfietsketting bij. Herinneringen leiden hun eigen leven. Het was gewoon een metalen ketting uit een doe-het-zelf-zaak die de ketens van Harry Houdini moest verbeelden. Uw ketens. Mijn ketens. Onze ketens, voor elkaar.

Ontsnappingskunstenaar Harry Houdini, zijn initialen vind je terug in mijn naam. Met hem is het allemaal begonnen. Zelf eindigde hij: punched in the stomach by a young man. En net als bij Harry moest mijn concentratie op het ontsnappen vroeg of laat in een zwart gat verdwijnen. Met je ene been op Plato, met het andere op Aristoteles en zo op verkenning gaan? Als een Flammenwerfer dansend met een bajonet wal en schip trachten te verbinden? Soms varend buiten de territoriale wateren? Klimmend en dalend en zo uit het keurslijf van de dualiteiten jongleren? Zeg dan maar dag met het handje... Neem nota, het was en is mij om de poging tot ontsnapping te doen – dat werd bij mijn debuut opgemerkt door Marc Reugebrink in De Groene Amsterdammer. Ik betrachtte geen synthese of finaliteit, mijn lava mocht niet stollen. Het mocht wel oplossen in het zoutbed waar les extrêmes se touchent. Ik was geen ‘kwakzalver’ maar een ‘kwikzilver’. Een avonturier met een missie die zijn bewegingsvrijheid volop wilde benutten. Teder met woorden, poëtisch in woord en daad, maar dan de regels openklauwen en diep bijten in het misleidende, gestolde vlees van de taal. Tegelijkertijd probeerde ik af te kicken van mijn eigen ‘tritonisme’ – herinner u mijn obsessie voor het knikje onder aan de letter V. Bezeten door een derde getal dat niet enkel op de derde dag opduikt, maar ook in de wetenschap (de symmetrie der dingen maar dan: drie paar quarks) en in de muziek. Bezoek The Bohlen-Pierce Site en www.kees.cc – 13 tones in the 3rd harmonic.

Ik vind het nog steeds het recht en de plicht van de dichter om grenzen te verkennen, ze soms te overschrijden op eigen risico. Je moet op tijd je eigen publieksvriendelijkheid ondermijnen, ongemakken teweegbrengen – ook voor jezelf. Maar wat als je door critici gevangen wordt in een rol die eigenlijk maar een facet is van waar je voor staat?

Dan laat ik mezelf door de mand vallen. Dan glip ik door de mazen van het net. Ik geef toe, ik ontblootte te veel de eigen Schwanz, ik ben een varken in het diepst van mijn gedachten. Mijn huid is van aap. Net zoals de uwe trouwens.

De dynamiek der tuimelaars betrachten, dat is wat ik wilde. Wat leverde dit alles op? Schoonheid en pijn, enkele missers maar ook voltreffers, een kwinkslag en een dodelijke val. Het is zoals het leven zelf dat zich manifesteert. Antonin Artaud (vert. Hans van Pinxteren):

Zwarte dichter, de borst van een maagd
spookt door je geest.
bittere dichter, het leven kolkt
en de stad kookt.
de hemel valt in bakken regen.
je pen krast in het hart van het leven.

Ik sta ook blijvend in bewondering te kijken ‘naar een grote hoek van kraanvogels’ zoals Comte de Lautréamont dat deed. In De zangen van Maldoror schreef hij, bij aanvang van een storm (vertaald door C.N. Lijsen):

Nadat hij onverschrokken enige keren met zijn ervaren blik alle kanten uitgekeken heeft, maakt de voorste (want hij heeft het voorrecht zijn staartveren te mogen tonen aan de andere kraanvogels die in verstand zijn mindere zijn) met zijn waakzame roep van mistroostige schildwacht, om de gemeenschappelijke vijand af te weren voorzichtig en elastisch een zwenking met de punt van de meetkundige figuur (misschien is het een driehoek, die deze wonderlijke trekvogels in de ruimte vormen, ook al ziet men de derde zijde niet) als een bekwaam kapitein, dan naar bakboord, dan naar stuurboord en hij manoeuvreert met vleugels die niet groter lijken dan die van een mus, om op die manier, want hij is niet dom, een andere weg in te slaan, die hem verstandig en zekerder lijkt.

Bij de ballen en de boog van Chlebnikov, ik geef niet op. Ook al kom ik nog niet tot aan de enkelhoogte van Vondel, wiens camerastandpunten ik als jongeling bewonderde. Laat mij groeien. Daar hoort ook mijn snoeischaar bij. Niet om de hagen rond de gebouwen der Ruimtelijke Ordening te behagen. Wooninspectie, het spijt me, mijn queeste is voortdurend in constructie. Tijdens mijn eerste reis confronteerde ik harmonie met ruis en liet ik onharmonische indringers toe in de kweekpoel van mijn poëzie-organismen.

Waar voert de nieuwe reis mij naartoe? Een mysticus en dichter fluisterde in het oor van een schelp: ‘Om te geraken tot dat wat je niet kent, moet je een pad bewandelen dat je niet kent.’

Ik reis om het reizen zelf. Mijn schip is de taal.

Noem mij dus geen ongevaarlijke gek. Ik geef toe, deze dichter was ooit in de ban van Nikola Tesla de Bliksemmaker, elektriciteitsgenie van Transsylvanië. Later, als een opstandig genstertje, op een doornen-tot-een-roos-zoektocht. Maar de bezwering ga ik niet uitleggen. Een dichter dient de verschillende velden te beschouwen, te doorploegen, maar ook blijft hij een dichter. De wilde roos bloedt.

Wat verblindt mij als een duif die door het glasraam vliegt, op mijn
hoofd gaat zitten? Wie leest schaamteloos in mijn ziel? Bepotel mij
niet, afblijven! Ik ken je niet. Wie ben je, lezer? Ja, jij – wie ben jij?

Aan het woord is Maria della Spina in de bundel Spinalonga. (Bekroont de roulette die bundel toch wel met de driejaarlijkse Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap! Shit. De jury kiest voor de derde hond die met het been gaat lopen.)

Omhels toch de wereld die een waaier van werelden is. Grijp het dagdagelijkse leven bij de strot, tot de laatste slik, want dra is het feest bij de mollen. Tijd is er genoeg om dood te gaan. De strijkstok zonder speler raakt de laatste sluier aan. Wijsneuzen verbleken.

Overigens – www.overigens.be – ben ik van mening dat de navo niet enkel moet worden ter discussie gesteld maar ook afgeschaft.

West- en Oosthoek spuwen Omar Little uit, Omar uit de tv-reeks The Wire. Omar hoort niet bij East Side of West Side. Omar is een nomade op roverstocht. Bloed vloeit in Baltimore, het stolt niet. Omars ogen zijn maankralen. Omar scheert boven de tweespalt en boven de verdeel- en heersmentaliteit. Hij lacht zijn tanden bloot. Over het hele gezicht heeft hij een litteken. Omar heeft een erecode.

He’s gotta fall.

Na een overval, in bed bij zijn levensgezel, leest hij The Waste Land. Walt Whitman. Jorie Graham. Buiten trekt de nacht een laken over de stad.

Omar zucht. Stringer Bell, Stringer Bell – Stringer all the way. Omar staat op, een rekening moet betaald. Hij hult zich in zijn nachtmantel. Steekt zijn heavy gun in zijn broek, Rilke in de achterzak. Nee, het is Lorca. Lorca sterft opnieuw en opnieuw. Omar Little vecht terug. Opnieuw en opnieuw. En dan nog een keer.

De nacht heeft Omars ogen.

Zeg jij het maar. Ja, jij hier en jij daar. Zeg het maar.

Zeg het.

‘Omar has to die.’oorspronkelijke aankondiging

OUDE VORMEN & NIEUWE VORMEN

Vrijdag 15 november en Vrijdag 22 november 1996

OUDE VORMEN

Met: Maria Barnas, Marc Beerens, Mark Boog, Heere Heeresma jr., Hendrickje Spoor en Marion Vredeling

‘Oude vormen’ is de eerste avond van een tweeluik over oude en nieuwe vormen. Lange tijd gold het navolgen van oude meesters als beste leerschool voor jonge schrijvers. Eind vorige eeuw werd het primaat van de imitatio verdrongen door dat van de originaliteit. Daarmee brak een periode aan van uitgebreid experimenteren met vrije (vers-) vormen, die haar hoogtepunt vond in de jaren vijftig, zestig en ze-
ventig.

Inmiddels hechten slechts weinigen nog geloof aan de mogelijkheid tot echte originaliteit en is een aantal auteurs teruggekeerd naar meer vaste vormprincipes. Regelmatig wordt er teruggegrepen op een eeuwenoude dichtvorm als het sonnet, zoals door Jan Kuijper bijvoorbeeld.

De experimentele roman heeft plaats gemaakt voor de meer traditionele roman, waarvan de opbloei van de historische roman wel het meest opvallende voorbeeld is.

Deze ontwikkelingen in de literatuur zijn voor Perdu aanleiding om ook de oude, uitgestorven genres opnieuw te bezien. Hoe zouden de in vergetelheid geraakte genres als de pastorale, het heiligenleven, de emblemata, het epigram, het spectatoriaal geschrift, de klucht of bijvoorbeeld het abel-spel, er vandaag de dag uitzien? Welke uitwerking hebben de beperkende regels van oude vormen op hedendaagse schrijvers?

Perdu heeft bovengenoemde dichters gevraagd deze oude vormen nieuw leven in te blazen.

NIEUWE VORMEN

Met: Chris Honingh, Peter van Lier, Jan Kuijper, Marc Reugebrink en Nachoem Wijnberg

In het programma ‘Nieuwe vormen’ vraagt Perdu een aantal dichters een dergelijke persoonlijke en nieuwe versvorm te ontwikkelen die ook bruikbaar zou kunnen zijn voor andere dichters.

Net als in de oude genres zou dit nieuwe poëtische genre een duidelijke vaste relatie tussen vorm en inhoud moeten hebben. (Denk bijvoorbeeld aan de ‘chute’ in een sonnet)

Juist het verband tussen vorm en inhoud in de te presenteren genres zou dan ook opnieuw bruikbaar moeten zijn voor andere thema’s en dichters. Spreken zullen: Nachoem M. Wijnberg, Chris Honingh, Jan Kuijper, Marc Reugebrink en Peter van Lier.

De genre-experimenten van de dichters en de sprekers vormen de basis voor een boeiende discussie na de pauze, onder leiding van Jan Kuijper, over de relatie vorm, inhoud, stijl en genre in de huidige (Nederlandse) poëzie.