De lach

I

We zaten in de keuken, tussen de resten van het ontbijt. Tubes plamuur, afplakband en verfrollers lagen tussen de potten jam en de vleeswaren. Buiten scheen de zon, maar die hadden wij niet veel gezien. Al zes weken waren we aan het verbouwen. De zomervakantie duurde niet lang genoeg om het af te krijgen. Aan het begin hadden we klusjesmannen ingehuurd, toen was het geld op en de laatste weken voor we weer aan het werk moesten, kluste mijn man en ging ik op pad met onze zoon.
Na een verhit echtelijk gesprek, waarbij er een rol afplakband door de kamer was gevlogen, zocht ik hulp. Een vriend van ons kende een timmerman die een Afghaanse vluchteling onder zijn hoede had genomen. De Afghaan zou goed kunnen schilderen en, wat ook van belang was, hij vroeg maar een tientje per uur.
We hadden nog tien minuten om te bespreken wat de Afghaan vandaag zou kunnen doen, dan zou hij op de stoep staan. Daarnaast moest binnen vijftig minuten onze zoon ontbeten hebben, aangekleed worden en met een tasje met reservekleding en een knuffel op de crèche afgeleverd zijn. Mijn man had sinds ik twee dagen geleden de komst van de Afghaanse vluchteling had aangekondigd herhaaldelijk zijn twijfels geuit en ook nu zei hij: ‘Als hij het niet kan, kost het me meer tijd aan uitleg dan wanneer ik het zelf doe.’
Ik zei dat hij dingen uit handen moest leren geven. Ik zei dat hij er genoegen mee moest nemen dat het met hulp misschien iets minder mooi zou worden dan wanneer hij het zelf zou doen, maar dat het wél af zou komen. Ik zei dat ik er genoeg van had om elke avond het stof van de pannendeksels te vegen.
Mijn man sloeg met vlakke hand op tafel. De potten jam en de plamuurmessen rammelden. Omdat ik geen zin had om in het bijzijn van onze zoon ruzie te maken, deed ik er het zwijgen toe.
Een paar minuten later stommelden ze de trap op: de timmerman en de Afghaanse vluchteling, die zich voorstelde als Farshad. Ze kwamen bij ons aan tafel zitten. Ze wilden geen koffie. Farshad zat aan het hoofd. Hij hield zijn jas aan. Het was een bomberjack, de Amerikaanse pilotenjas uit de jaren vijftig die eind jaren tachtig veel door gabbers werd gedragen en nu geliefd was onder tienermeisjes.
Farshad was klein en gespierd. Zijn gezicht had iets Chinees. Hij glimlachte welwillend, alsof hij ons wilde geruststellen. De timmerman vertelde kort en feitelijk over zijn situatie. Farshad was vierentwintig en verbleef nu zeven jaar in ons land, zonder definitief bericht of hij kon blijven.
‘Vreselijk,’ zeiden we. Even schoot door ons hoofd wat we zelf tussen ons zeventiende en vierentwintigste hadden gedaan.
De timmerman knikte. Hij had Farshad ontmoet bij een vriendin die vrijwilligerswerk deed en hem onder zijn hoede genomen. Ze gingen samen naar de sportschool, en soms hielp hij hem aan klussen. Timmeren leerde hij hem niet. Hij kon geen verzekering voor hem nemen en het risico op een verwonding door een zaagmachine of ander apparaat was te groot. Dus deed Farshad vooral schilderwerk, binnenshuis, en zwart.
‘Koffie.’ Onze zoon zette roze plastic kopjes neer voor Farshad en de timmerman, die Kees bleek te heten. Farshad lachte en deed alsof hij dronk.
We keken op de klok en gingen over tot de instructies. We wezen op muren en plafond. Mijn man zei Farshad dat hij eerst voorstrijk moest aanbrengen en dan vier uur later de verf. Eerst de randen, dan het vlak invullen. Ook liet hij zien welke roller waarvoor diende. In de keuken hingen nog geen gordijnen en onze stemmen klonken luid.
‘Dank u wel,’ zei Farshad.
Onze zoon deelde houten stukken banaan uit en zette daarna een pannetje met stoffen wortels op tafel, met een brandend fietslichtje bovenop.
Farshad glimlachte, ‘dank u wel’. Toen onze zoon niet keek deed hij het lichtje uit.
Ik vertelde hoe laat we weer thuis zouden zijn en waar de koffie stond.
‘Oké, dank u wel,’ zei Farshad.
De timmerman, mijn man en ik praatten nog even over onze levens zonder vaste banen, ik als schrijfster, hij als architect, over de onzekerheid en de soms moeizame relatie met opdrachtgevers. Onze zoon deelde houten taartjes uit. ‘Aardbeien,’ zei hij.
Ik keek op mijn telefoon. ‘Tien voor negen!’ Mijn man trok onze zoon bij zijn speelgoedkeuken weg en ik deed een trui over zijn pyjama, waarvan de broek best kon doorgaan voor een joggingbroek.
‘Eerst voorstrijk, dat laten drogen. Er staat zes uur op de pot, maar vier uur is ook genoeg,’ zei mijn man nog eens. ‘In de tussentijd kun je kozijnen schuren en in de grondverf zetten.’
Ik vroeg me af of Farshad het woord tussentijd kende.
‘Oké,’ zei Farshad. Hij glimlachte weer, en knikte.
Bellend en onze zoon met zich mee trekkend verliet mijn man het pand.
De timmerman keek naar Farshad. ‘Kan ik weg?’ vroeg hij.
Farshad stond op om hem een hand te geven. Zijn handen trilden. Pas nu zag ik dat hij ondanks zijn permanent vriendelijke gezichtsuitdrukking zenuwachtig was. ‘Kan ik me verkleden?’ vroeg hij. Hij had een kleine weekendtas bij zich. Ik deed de deur van de kinderkamer voor hem open.
Even later tilden we samen de keukentafel naar de voorkamer en ging Farshad aan de slag met een rol plastic. Het zag er ongemakkelijk uit. Ik kreeg het gevoel dat ik beter thuis kon blijven om hem te begeleiden. Ik schreef onze telefoonnummers op. ‘Bel maar als je nog vragen hebt.’ Ik zei nog eens dat hij koffie kon zetten en alles uit de ijskast mocht pakken wat hij maar wilde. Vanuit het trapgat gooide ik hem de reservesleutel toe: ‘Voor als je naar buiten wilt.’
Hij zei dat hij niet naar buiten zou gaan.

II

Om iets over vijf kwam ik thuis, met een dreinerige zoon op de arm. Ik zette hem op de grond en hij rende meteen naar de trapleer; dat Farshad daar al op stond belette hem niet omhoog te klimmen en zich aan zijn benen vast te klemmen, ‘Ladderwagen!’
Ik trok mijn zoon los en keek om me heen. Het plafond was geschilderd, maar het kartongrijs van de gipsplaten en de voegen ertussen scheen nog door de witte verf. Verder had Farshad wel het vlak gevuld maar de randen opengelaten, precies andersom als wat mijn man had geprobeerd uit te leggen. In het kozijn lag een schuurblokje en wat gebruikt schuurpapier, maar geschilderd was het niet, net zomin als de muur eromheen. Op het balkon stond een asbak met vijf peuken, op het aanrecht open potten verf en bakjes met kwasten en rollers.
‘Het moet nog een keer,’ zei Farshad. ‘Morgen.’
Hij ging zijn werkkleding uittrekken. Toen hij de deur van de kinderkamer opende, kwam er een walm aftershave uit.
‘Ruikt vies,’ riep mijn zoon.
Ik gaf hem tachtig euro en vroeg of dat voldoende was.
‘Ik had ook pauze,’ zei hij.
‘Laat maar,’ zei ik.
‘Dank u wel,’ zei hij.
Ik vroeg waar hij woonde.
‘In Katwijk,’ zei hij.
Katwijk, was dat niet een paar oude mannen op een bankje aan zee, een ondanks alles standhoudende Hervormde Gemeente, en daaromheen nieuwbouw zover het oog reikte? Was hier in de stad geen plek? ‘Moet je daar nog helemaal naartoe?’
‘Nee,’ zei hij, ‘daar is het asielzoekerscentrum. Vanavond ga ik met Kees naar de sportschool en dan bij hem slapen.’
Mijn zoon had een van de kwasten gepakt. Ik trok hem uit zijn handen waarna hij het op een brullen zette.
Ik suste mijn zoon en zag het plastic vloerzeil opgevouwen in een hoek. Dat had Farshad kunnen laten liggen. Hij liep naar de trapleer, wilde die dichtklappen.
‘Laat maar. We zien je morgen,’ zei ik.

III

Toen mijn man rond halfzeven thuiskwam staarde hij verbijsterd naar het halfgeschilderde plafond en naar de muren, die nog even kaal waren als die ochtend. Hij sloot een verfblik af en zette kwasten in de week.
‘Wat heeft hij in godsnaam gedaan vandaag?’ Hij banjerde door de kamer. ‘Waarom zit er voorstrijk op de lakroller?’ Hij keek naar het plafond en liet zijn hand over de kozijnen gaan. ‘Hij kan niet schilderen,’ brieste hij. ‘Hij kan er helemaal niks van. Ik zei het toch. Ik wil dat je voortaan eerst met mij overlegt.’
Ik zei dat het maar een tientje per uur had gekost.
Mijn man zei dat een tientje zwart ook weer niet zo heel weinig was, dat we zelf niet veel meer verdienden.

IV

Die avond keek ik het journaal. Het kabinet riep gemeenten op extra huizen en bedden vrij te maken voor vluchtelingen. Met name uit Irak en Syrië nam het aantal vluchtelingen toe. Het was nu eenmaal zo afgesproken in Europa, zei de staatssecretaris. Persoonlijk was hij meer voor opvang in de regio. ‘Maar het kan toch voorkomen dat er mensen hier aanbellen.’ De meeste burgemeesters die hij in de avonduren persoonlijk, zoals hij zei, belde, vertelden hem dat het ‘toevallig heel lastig lag in hun gemeenten’.
Mijn man kwam terug van hardlopen. ‘Zeven jaar, dat is toch onmenselijk,’ zei hij.
‘Dat is alsof je iemands leven steelt.’
Ik zei dat ik het goed vond van die timmerman dat hij Farshad hielp, dat er mensen waren die niet vertrouwden op de instellingen maar zelf deden wat ze nodig achtten. Toen kregen we weer ruzie. Ik vond dat mijn man de plint van de keuken had kunnen doen in plaats van te gaan hardlopen en hij vond dat ik ook zelf weleens een muur kon schilderen.

V

De volgende ochtend verliep rustiger. Farshad was er al om acht uur, doorweekt van de regen. September liep op zijn einde en de eerste herfstbuien dienden zich aan. Mijn man gaf hem koffie en terwijl ik mijn haren kamde en tanden poetste en het rugzakje van onze zoon vulde, legde hij alles nog eens uit. Hij beklom de sporten van de ladder. In de lucht deed hij voor hoe je moest rollen. ‘Met watergedragen verf is het moeilijkste…’ zei hij. ‘Kijk, je moet hem helemaal uitrollen.’ Hij wees op een plek waar Farshad dat gisteren niet had gedaan.
‘Het was daar alweer droog,’ zei Farshad.
‘Je moet gestructureerd werken.’ Mijn man deed voor hoe je een kwast uitspoelde.
Ik moest naar een afspraak, gooide mijn spullen in een tas en riep tegen Farshad dat hij me kon bellen als er iets was. Als ik zag dat hij gebeld had zou ik niet opnemen, zei ik, maar hem terugbellen.
‘Dank u wel,’ zei hij.
Tussen de middag kwam ik even thuis. Farshad zat te lunchen met een fles drinkontbijt en een pak appelrondo’s. Hij bood mij er ook een aan. ‘Gezond,’ zei hij, ‘met vruchten.’
Ik vroeg hoe het ging met zijn procedure voor een verblijfsvergunning.
‘Ik wacht,’ zei Farshad. ‘Dat is moeilijk.’
Ik knikte.
‘Dan ga je hier kapot.’ Hij wees op zijn hoofd. ‘Daarom sport ik veel, maar ik rook ook veel. In Katwijk zijn er mensen die alleen roken, verder niks...’
‘Hoe is je advocaat? Ben je tevreden?’ vroeg ik.
Hij knikte. ‘De rechter was positief, maar ik zou begin juli uitslag krijgen van IND en ik hoor nu nog steeds niks.’
Ik vroeg of hij wist waarom het zo lang duurde.
‘Zo gaat het.’ Hij stond op en ging naar het balkon om te roken.
Ik keek naar Farshad, die over onze kleine binnenplaats uitstaarde naar de stapels bierkratten van corpsstudenten, de badslippers van een jong stel dat pas samenwoonde en de ooit wellicht nog bruikbare mdf-kastplanken, stukken oranje touw en fietskarkassen van de Marokkaanse buren.
Als Farshad niet in Nederland mocht blijven zou dat een beter verhaal opleveren dan als hij wel kon blijven. Fictie was gebaat bij conflict en drama, de werkelijkheid niet, of toch wel? Veel mensen leken zich veilig te voelen als ze zich het allerergste voorstelden, en dat vervolgens bevestigd meenden te zien in de krant of op de televisie.
Ik vroeg Farshad of hij om vijf uur kon stoppen, zodat hij weg zou zijn als ik met onze zoon thuiskwam. ‘Heb jij hier familie?’ vroeg ik.
Hij schudde zijn hoofd. ‘Zijn ze nog in Afghanistan?’
‘Nee,’ zei hij. ‘Mijn ouders wonen in Pakistan. Niet goed. Soms kunnen ze niet naar buiten, door het schieten.’ Hij wees naar de muren. ‘Is het goed?’
‘O sorry.’ Het plafond en de muren waren in elk geval helemaal wit, nu misschien vanmiddag de kozijnen nog. ‘Heel mooi, hartstikke fijn.’
Hij stak zijn hand uit: ‘Dank u wel.’
‘Jij bedankt,’ zei ik. ‘Mogen we je nog bellen als het nodig is?’

VI

Het werd weekend. Ik ging naar de supermarkt met onze zoon, en ’s middags naar de kinderboerderij. We voerden alle dieren opdat mijn man kon klussen. De hoge populieren langs de geitenwei waren al bijna helemaal geel. Toen we thuiskwamen zat er een klink op de deur naar de wc en de gaten in de muur boven de ramen waren gedicht. Maar het plafond lag weer open, er was een leiding niet goed gelegd en het was gaan lekken. Ik slikte en ging koffiezetten. Toen mijn man eenmaal zat zei ik dat we in dit tempo met kerst nog niet klaar zouden zijn. Misschien zou hij straks in elk geval de afwasmachine kunnen aansluiten, de wc-pot bevestigen en het traphekje vastmaken, zodat onze zoon niet elk moment van de trap zou kunnen vallen of erger nog, de voordeur uit zou lopen.
‘Maak maar een lijstje,’ zei mijn man op sombere toon.
‘Zal ik Farshad nog één dagje vragen?’
Hij knikte en stond op om weer verder te gaan.
‘We helpen hem,’ zei ik, ‘en we houden er zelf ook nog iets aan over.’ Ik stuurde Farshad een bericht. Hij reageerde meteen. Maandag moest hij stempelen in het asielzoekerscentrum. Op dinsdag kon hij weer komen.

VI

Hij werkte nog vier dagen bij ons en sliep bij Kees. Het ging niet snel, maar het vorderde. Hij maakte minder fouten, mijn man leerde hem dingen, en hij was misschien ook meer op zijn gemak. Het was moeilijk in te schatten, hij bleef vriendelijk lachen, ook als dingen misgingen. Voor het verhaal was het beter als het flink mis zou gaan. Als ik mijn gouden armband ineens kwijt zou zijn of als op een dag onze muren beklad zouden zijn met een woedende leus of als Farshad onze zoon een klap zou geven omdat het in zijn land nu eenmaal gebruikelijk was om kinderen te slaan. Maar zo was het niet.
Vrijdagmiddag dronken we een kop thee. We konden Farshad niet langer houden.
Het geld was op. Ik moest eerst een verhaal afmaken en een lezing geven voor we hem weer in konden huren.
Hij had nog steeds niets gehoord van de IND; als hun bericht negatief was zou hij in hoger beroep gaan.
‘Wat zou je willen doen als je in Nederland mag blijven?’ vroeg ik.
‘Schilderwerk,’ zei hij, ‘of tegelzetten, dat kan ik ook heel goed.’
Mijn man was binnengekomen met onze zoon, die met rode konen tegen hem aan hing. Hij zei dat hij een schilder kende waar Farshad misschien stage kon lopen. Ik voegde toe dat hij een opleiding moest gaan doen, dan kon hij verder komen en meer verdienen. Farshad zei dat hij te oud was. Ik zei dat hij al zoveel doorzettingsvermogen had getoond dat hij het vast zou kunnen, dat ik een vrouw kende die op haar veertigste nog was gaan studeren en nu advocaat was. Mijn man zei dat je moest oppassen in de bouw. Aan de onderkant waren veel misstanden en mensen die voor veel te weinig geld werkten.
Farshad knikte. Hij vertelde hoe hij toen hij net in Nederland was voor een aannemer had gewerkt die maar drie euro per uur betaalde. Hoe er in een van de opvanglocaties een Marokkaan op hem was afgekomen die hem wel honderd euro per dag wilde betalen, maar dan wel met drugs dealen. Hij lachte. ‘Ik kan altijd nog bakker worden, dat deed ik in Pakistan.’
‘Heb jij daar ook gewoond?’ vroeg ik.‘Ja, vanaf mijn elfde. Toen mijn familie was gevlucht. Ik werkte bij die bakker tot mijn veertiende. Het was goed. Later werkte ik in Pakistan een keer in de bouw en betaalde iemand mij helemaal niets toen ik klaar was. Maar ik moet brood kopen, zei ik.’
We zeiden dat we hem wel weer zouden bellen. Een vriendin van mij had misschien ook werk voor hem.
Hij gaf ons een hand. ‘Dank u wel.’

VIII

En zo verdween hij uit ons leven. En nu is het bijna november en het begint al flink koud te worden. Gisteren heeft iemand een bloempot voor onze deur gestolen. Er stond Heuchera in, met dat mooie rode blad. Gemeenten willen geen grootschalige noodopvang meer, in Limburg gaan vluchtelingen op verkeersles en in de krant staat dat ze maar eens ‘dank je wel’ moeten leren zeggen en Zwarte Piet moeten accepteren en dan zal het allemaal wel goed komen.
Ik moet eens bellen hoe het met hem gaat. Mijn zoon begint zindelijk te worden. Vorig weekend werd het wintertijd en sindsdien wordt hij elke ochtend om kwart voor zes wakker. Ik moet nog een stepje voor hem zoeken op Marktplaats, die stepjes zijn belachelijk duur. Maar ’s avonds ben ik te moe, misschien omdat het eerder donker wordt.