Intern

De dag begon mooi en helder, maar lang kon dat niet duren. Ik zag het in het regelmatige stiksel van de hoofdsteun van de stoel voor me. Ik zag het in het vale, stoffige linoleum waarmee de coupévloer bekleed was. Ik zag het in de uitpuilende vuilnisemmertjes, de afgedankte gratis kranten, het roze kauwgom onder een armleuning. Ik zag het aan al die kleine dingen zoals ik het zag in het centrum van de stad, in de grauwe starheid van de kantoorgebouwen, de liefdeloosheid van de asfaltwegen, de stilettoglans van de trambanen. Ik hoorde het in de stem van de conducteur over de intercom: ‘Dames en heren, jongens en meisjes, een hele goede morgen! Het volgende station is stationnetje Haarlem. Na een korte, maar noodzakelijke stop rijden wij voor u verder naar Haarlem Spaarnwoude, de Halfweg-Zwanenburg, Amsterdam-Sloterdijkje en onze eindbestemming op deze stralende maandag is Amsterdam Centraal. Als u ons in Haarlem gaat verlaten, denk dan aan uw eigendommen en vergeet ze vooral niet mee te nemen. Reist u op saldo en maakt u deze ochtend verder geen gebruik van onze diensten, vergeet u dan vooral niet uit te checken. Namens het voltallige NS-personeel wens ik u een heel prettige dag toe. Volgende station, stationnetje Haarlem.’
Lang zou het niet meer duren voor de hemel betrok, misschien eerst met aardige schapenwolkjes, waarschijnlijker nog met diepgrijze bouwwerken van vocht, torenend boven onze hoofden, rustig wachtend tot we uit onze plaatsen van beschutting kwamen voor ze hun zegeningen lieten neerdrenzen op de hoofden van de mensen. Mensen die geluidsoverlast veroorzaken. Mensen die afval op straat gooien. Mensen die hun hond uitlaten, maar de rommel van de hond niet opruimen. Mensen die in restaurants hun telefoon op tafel leggen. Mensen die op verjaardagen hun telefoon op tafel leggen. Mensen die in het openbaar in zichzelf praten. Mensen die in het openbaar voor zich uit schreeuwen. Mensen die in het openbaar hard fluiten of zingen, meestal zonder melodie. Bedelaars. Enquêteurs. Jehova’s getuigen. Mensen in reflecterende jasjes of felle T-shirts die vragen of je even tijd voor ze hebt. Mensen in reflecterende jasjes of felle T-shirts die je vervolgens op hun meest oprechte toon ‘toch’ een prettige dag wensen. Mensen die straatkranten uitventen. Mensen die voordringen. Mensen die praten tijdens de film. Mensen die rechts inhalen. Mensen die bumperkleven. Mensen die telefoneren tijdens het autorijden. Mensen die hun luidruchtige kinderen niet vermanen. Mensen die zeuren en klagen maar dat brengen als goedbedoeld advies. Mensen die zeuren en klagen en dat brengen op een vermoeide toon die aangeeft dat als iedereen maar veel eerder naar hen had geluisterd de wereld nu niet zo’n afschuwelijke rotzooi zou zijn. Mensen die de weg vragen en je aanwijzingen negeren. Mensen die de weg vragen en twintig meter verderop opnieuw iemand staande houden alsof jouw aanwijzingen onbetrouwbaar zouden zijn. Mensen met tatoeages in hun gezicht. Mensen met tatoeages in hun nek of hals. Mensen met tatoeages op hun armen, rug, buik of billen. Mensen met tatoeages op hun boven- of onderbenen, op hun voeten of tenen. Vrouwen met tatoeages vlak boven hun borsten zodat ze te allen tijde laag uitgesneden shirts moeten dragen, anders ziet niemand ze. Mannen met tatoeages op hun onderarmen zodat ze zelfs in koud weer de noodzaak voelen met opgestroopte mouwen rond te lopen. Mensen met meer dan één oorring per oor. Mensen die niet kunnen rondkomen en drie pakjes sigaretten per dag roken. Mensen die niet kunnen rondkomen en vier kinderen hebben, met een vijfde onderweg. Mensen met een verstandelijke beperking die kinderen willen. Mensen die hun kinderen vernoemen naar personages uit soapseries. Mensen die hun kinderen vernoemen naar acteurs uit soapseries. Mensen die hun kinderen vernoemen naar de popidolen uit hun jeugd. Mensen die hun kinderen een naam geven van twee willekeurige lettergrepen die aan elkaar geplakt zijn. Mensen die kijken naar zogenaamde realityprogramma’s. Mensen die niet weten dat al die programma’s geregisseerd worden. Mensen die dat wel weten, maar het niet kan schelen dat die programma’s geregisseerd worden. Mensen die films kijken op commerciële zenders. Mensen die accepteren dat een film zes keer wordt onderbroken door reclame en vlak voor het laatste halfuur nog door een nieuwsblok en een weerbericht. Mensen die vegetarisch zijn en dat uitdragen. Mensen die gelovig zijn en dat uitdragen. Mensen die hun leven inrichten op basis van ideeën die zijn geformuleerd eeuwen voor het elektrisch licht werd uitgevonden. Mensen die geloven dat de aarde minder dan tienduizend jaar oud is. Mensen die proberen andere mensen van het tegendeel te overtuigen. Mensen die geheelonthouder zijn en dat uitdragen. Mensen die gelukkig zijn en dat uitdragen. Mensen met idealen, en erger nog: mensen die hun kinderen opvoeden naar de richtlijnen van hun idealen. Mensen met principes. Mensen die hun principes ventileren. Mensen die op straathoeken en zelfgemaakte podia hun principes ventileren. Mensen die op verjaardagen hun principes ventileren. Mensen die tegen het gebruik van condooms zijn. Mensen die tegen inentingen zijn. Mensen die zeggen dat het de schuld is van de Turken. Mensen die zeggen dat het komt door de Marokkanen, de Polen, de Joden, de negers, de homo’s, de lesbo’s, de veganisten, de verzuiling, de ontzuiling, Geert Wilders, Job Cohen, Theo van Gogh, de moslims, de imams, de moskeeën, 11 september, George W. Bush, Vladimir Poetin, solar flares, de Big Bang, de expansie van het universum, het uiteendrijven van de continenten, de opwarming van de aarde, het smelten van de ijskappen, het kappen van het regenwoud. Mensen die zich beroepen op hun liberale denkbeelden, maar niet tegen argumenten kunnen. Mensen die onder het mom van een open discussie proberen de zekerheden en principes van anderen te ondergraven. Mensen die een telefoongesprek beëindigen met ‘Is goed, doe-doei!’ Mensen die het woord ‘gekkenhuis’ gebruiken om enthousiasme uit te drukken. Mensen die ‘euri’ zeggen als ze ‘euro’s’ bedoelen. Mensen die het stellen van een vraag laten voorafgaan door ‘Mag ik je iets vragen?’ Mensen die instappen voor anderen de trein hebben verlaten. Mensen die de deur niet voor een ander openhouden. Mensen die niet opstaan voor ouderen in trein of tram of bus. Mensen die hun hond niet hebben opgevoed, waardoor het beest naar alles blaft of gromt. Mensen die een hond kopen als puppy maar hem van de hand doen als hij groter wordt. Mensen die roddelbladen lezen en denken dat het een nuttige tijdbesteding is. Mensen die roddelen. Mensen die denken dat er over hen geroddeld wordt. Mensen die mij willen betrekken in geroddel. Mensen die willen dat er over hen geroddeld wordt terwijl dat niet zo is. Mensen die denken dat er niet over hen geroddeld wordt terwijl dat wel zo is. Mensen die actief zijn op de sociale media. Mensen die niet snappen dat ze hun toch al goedkope leven op die manier te grabbel gooien. Mensen die niet snappen dat ik niet geïnteresseerd ben in de volgende zaken: waar ze naartoe op vakantie gaan, wat ze die eerste avond op Kos gaan eten, wat de kinderen aanhebben, waar de hond is ondergebracht, welke kerken en winkels en paadjes en dorpjes en stadjes en terrasjes en toeristenvallen ze hebben bezocht, hoe hun bezwete zomerse koppen eruitzien na drie weken felle zon en liters ouzo, hoe hun verstuikte enkel eruitziet, hoe hun nieuwe fiets eruitziet, hoe hun nieuwe vriendin eruitziet, hoe gek ze zijn op hun nieuwe vriendin, welke koosnaampjes ze hebben bedacht voor hun nieuwe vriendin, dat ze eens lekker een avondje thuis blijven met een film en een glas wijn, dat ze naar de bioscoop zijn geweest, dat ze naar een nachtclub zijn geweest, naar een strandfeest, naar een rave, naar een festival, hoe dronken ze zijn geworden, hoe onverstandig dat was, hoe ontzettend gezellig het stiekem toch was; filmpjes van wat hun baby allemaal kan, maar vooral − want veel grappiger − niet kan; foto’s van zonsondergangen, weilanden, honden op stranden, huisdieren met onderschriften, duinen, grappige verkeersborden, files, geen files, kinderen op fietsen, bejaarden met feestmutsen, een blauw lijk in een greppel, a pig in a cage on antibiotics.

Ik ben net als jij: ik heb dit ook niet gewild.

Ik ben overgeleverd aan de genade van andere mensen. Ik besta, beweeg en adem, bij de gratie van het feit dat anderen mij geen geweld aandoen. Tegelijkertijd betekent dit dat ik altijd het idee heb dat anderen mij geweld aan willen doen. Dit besef beperkt mij niet in mijn functioneren. Wel heb ik gedurende de dag vele momenten waarop ik denk dat ik aan een moord of een ongeluk ben ontkomen.

Waarom zou ik mezelf toestaan gelukkig te zijn?

De dag na de uitvaart ging ik weer aan het werk. Mijn collega sprak me aan, een hand op mijn onderarm. Op zijn gezicht de uitdrukking die moest zeggen dat hij deelde in mijn verdriet, maar eveneens dat het goed was dat ik doorging met mijn leven. Hij zei tegen me dat het voor Tessa waarschijnlijk een mooie dood was geweest. Toen ik vroeg wat hij bedoelde zei hij dat ze niet had geleden en dat was belangrijk. Ik vroeg hem wie hij godverdomme was dat hij bepaalde wat belangrijk was voor mijn vrouw. Of hij misschien een uniek inzicht had in haar stervende brein en dat hij daarin gezien had dat dit toch wel de sterfwijze was die haar uiteindelijke voorkeur had. Dertig en midden op straat een hartaanval. Prachtig. Teken ik voor. Doe mij ook maar. Ik zei hem dat het volgens zijn analogie niet erg zou zijn wanneer hijzelf morgen dood neer zou vallen. Even keek hij me bevreemd aan, alsof ik hem had bedreigd. Hij had zijn handen geheven en zei dat hij het goed bedoelde. Ik zei dat hij naar de hel kon gaan en of hij dan onderweg even goed op het plaveisel wilde letten.

Dat is niet echt zo gebeurd.

Er was wel een collega die zei dat het voor Tessa waarschijnlijk een mooie dood was geweest. Ik wist niet of ik hem moest uitlachen, verrot schelden of in elkaar slaan. Ik bedankte hem voor zijn mooie woorden en ik wendde me weer naar mijn computerscherm, het teken dat wat mij betreft het gesprek ten einde was. Hij ging half op mijn bureau zitten, koffie plensde over de rand van mijn beker maar dat zag hij niet, en begon een verhaal te vertellen over een oudtante van hem die twee jaar geleden was gestorven. Het mensje was negentig en der dagen moe, maar toch had het hem bijzonder aangegrepen. Ze was altijd een deel van zijn leven geweest, zei hij. Nou ja, niet dat hij haar veel zag of sprak. Eigenlijk nooit. Maar van sommige dingen verwacht je eigenlijk niet dat ze zullen verdwijnen. Begreep ik wat hij bedoelde? Tijdens zijn verhaal had ik een paperclip omgebogen tot ik een recht stukje metaal overhield. Toen ik bevestigde dat ik hem begreep gaf hij me een klopje op de schouder. Ik legde mijn hand tegen zijn nek en duwde hem omlaag zodat hij met zijn kop tegen mijn bureaublad ramde. Voordat hij van de schrik kon bekomen klom ik op mijn bureau, zette met mijn benen zijn armen klem en hield met één hand zijn hoofd stil. Hij schreeuwde en schopte en schudde hard met zijn hoofd heen en weer. Dat had op de lange duur ook niet veel zin. Ik dreef de pin in zijn ooghoek. Bloed welde op. Toen ik dacht dat ik diep genoeg zat, begon ik het staafje in horizontale positie te duwen, de oogkas als hefboom. Ik lepelde de oogbol uit zijn hoofd. De collega gilde. Ik liet het oog op zijn wang rusten en gaf hem een ferme vuistslag in het gezicht om hem te kalmeren. Toen stond ik op, opende mijn gulp en piste in de lege oogkas. Toen hij toch weigerde stil te blijven liggen brak ik mijn koffiebeker op de rand van het bureau, zette een scherf op zijn keel en zaagde net zo lang tot ik op zijn nekwervels stuitte.

Dat is niet echt zo gebeurd.

De dag na Tessa’s uitvaart zat ik in de trein naar mijn werk. Ik keek om me heen naar mijn medepassagiers en hun apparaten. De man naast mij zat een filmpje op YouTube te bekijken. Ik kon niet horen wat het was, hij had een koptelefoon ingeplugd, maar zo te zien was het een jongen van een jaar of veertien die een horrorfilm recenseerde. Ik wilde naar buiten kijken, maar het was nog donker en ik zag alleen schimmige kopieën van de anderen en de vage contouren van mijn eigen gezicht. Voor het station zat een zigeunervrouw met een accordeon. Ze speelde altijd hetzelfde nummer. Het klonk als iets uit The Godfather, maar dat was waarschijnlijk toeval. In Ierland zijn straatmuzikanten verplicht minstens achttien liedjes te kennen. In Nederland niet. Niemand zegt er iets van. Als dat wel zo is, als ze wordt weggestuurd, heb ik dat nooit zien gebeuren. Ik geef haar iedere dag vijftig cent. Dan glimlacht ze met een mond waarin tanden ontbreken en ze zegt iets wat net zo goed een belediging zou kunnen zijn. De grote klok in de gevel van het station staat al een week op vijf voor halfzeven. Het kan zijn dat hij defect is, het kan ook dat ik iedere dag rond dezelfde tijd tegen de gevel omhoogkijk. Ik heb nooit de tijd genomen om het te controleren. Op een dag zal ik dat waarschijnlijk wel doen, maar dan weet ik niet wie ik hierop moet aanspreken. Of als het voornemen eenmaal is besloten zal ik constateren dat de klok het die dag weer wel doet. Wat zou kunnen betekenen dat hij net die dag gerepareerd is of dat hij altijd goed gelopen heeft en dat het probleem zich louter en alleen in mijn hoofd afspeelde.

De rit naar mijn werk duurt twintig minuten. Op een ochtend had ik me voorgenomen van plek te wisselen zodra ik ergens muziek vandaan hoorde komen. Ik ben vijf keer van plek gewisseld. Na de zesde keer hield ik het voor gezien. Een jongen met een koptelefoon trommelde met de maat mee op zijn bovenbenen, zijn hoofd ging naar voren en naar achteren. Bonk bonk bonk bonk. Ik knikte hem toe. Hij keek glazig terug. Hij leek mijn aanwezigheid nauwelijks te registreren. Ik knikte nog eens. Ik liep naar hem toe. Ik liet hem zien wat ik in mijn hand had. Ik drong mezelf bij hem op schoot, stak het lemmet in het verhemelte van zijn open mond, wrikte en stootte tot zijn ogen bloedden. Ik zaagde tot het lemmet door zijn vernielde neus weer naar buiten kwam.

Dat is niet echt zo gebeurd.

En iedere dag kwamen er nieuwe mensen bij. Onstuitbaar. Zo absurd, zo grotesk, zo onbegrijpelijk kon ik ze niet verzinnen of de straat kotste ze uit, de straat ontlastte zich, de onschuldige beschaafde schappen van mijn winkel in. Mensen die de vraag ‘Is het een cadeautje?’ met nauwelijks onderdrukte hilariteit beantwoorden met ‘Ja, een cadeau voor mezelf’. Die vervolgens ook willen dat ik het boek voor ze inpak. Mensen die de vraag ‘Wilt u een tasje?’ beantwoorden met ‘Als je hebt’. Mensen die niet weten welk boek ze zoeken. Mensen die wel weten welk boek ze zoeken: het staat op een blaadje. Het blaadje ligt thuis. Mensen die een boek zoeken voor hun vader, moeder, opa, oma, broer, zus, oom, tante, verre neef, vage kennis, afscheidnemende collega, zwangere buurvrouw, schoolgaande kind dat eigenlijk nooit leest en denken dat die omschrijving volstaat. Mensen die het boek daar vorig jaar hebben zien liggen, het was blauw en zo dik en het ging over de Tweede Wereldoorlog en waarom ik dat toch niet weet. Mensen die een roman zoeken: o, het is het mooiste boek dat ze dit jaar gelezen hebben. Nee, geen idee meer hoe het heet. Iets met ‘poort’ in de titel, kan dat? Mensen die zeggen dat ze het dan wel via bolcom gaan bestellen. Let wel, niet bol punt com, maar bolcom. Mensen die een boek zoeken dat lekker wegleest. Mensen die iets zoeken wat lijkt op dit, maar dan totaal anders. Mensen die een boek zoeken met een filosofisch thema. Mensen die een boek zoeken waar niemand in doodgaat. Mensen die een boek zoeken waar je lekker om kunt lachen. Mensen die zeggen dat ze een boek elders veel goedkoper hebben gezien. Mensen die ervan overtuigd zijn dat een boek al verschenen is terwijl ik ze kan aanwijzen, op de website van de auteur, dat het nog niet eens geschreven is. Mensen die om vriendenkorting vragen. Mensen die afdingen. Mensen die denken dat je achterlijk bent en de naam van de schrijver gaan spellen. Martin Bril. M-A-R-T-I-N B-R-I-L. En dan ook de spatie noemen. Mensen die denken dat ze lollig zijn. Mensen die vragen of ik deze boeken allemaal gelezen heb. Mensen die hun vraag laten voorafgaan door ‘Je zal dit wel niet in huis hebben’. Mensen die willen weten waar de poëticale werken staan. Mensen die vragen naar boeken van dokter Vestdijk. Mensen die vragen naar boeken van Nitsie Frens of Saskia van Noort (want ze zijn zo ontzettend fan). Mensen die klagen dat je een bepaalde auteur niet op voorraad hebt, maar erger nog: mensen die zich erover verbazen dat je een bepaalde auteur niet op voorraad hebt. Mensen die zeggen: Kent u dat niet? U bent toch boekverkoper? Mensen die zeggen: Kent u dat niet? Dat is een heel beroemd boek. Mensen die denken dat je wil luisteren naar een beschrijving van hun hobby’s. Mensen die denken dat een boekverkoper heeft bijgeleerd voor sociaal werker. Mensen die ruzie zoeken. Mensen die denken dat ze geen lichaamsgeur hebben. Mensen die denken dat hun drankkegel niet waarneembaar is door medemensen. Mensen die met je in discussie willen gaan over de Heer. Mensen die vervolgens zeggen hoe ontzettend jammer het is dat je naar de hel gaat wanneer je nadrukkelijk aangeeft dat niet te willen.

Toen Tessa nog leefde keek ik iedere avond het journaal. Daar ben ik op een gegeven moment mee opgehouden. Een veroordeelde pedofiel werd uit een woonwijk geweerd door zogenaamd bezorgde omwonenden. Ik zei tegen het scherm dat we in een rechtsstaat leefden en dat een persoon die zijn straf heeft uitgezeten net zoveel recht heeft op een zo normaal mogelijk bestaan als ieder ander. Je kan het dan wel niet prettig vinden dat die persoon bij jou in de buurt komt wonen, maar het is niet alsof de gemeente in kwestie de persoon ergens dumpt en vervolgens hoopt dat er niks misgaat. Een jongen met een tribale tatoeage in zijn nek zei met slome stem dat hij vond dat zo’n man niet in hun buurt thuishoorde. Waar moet hij dan naartoe? vroeg ik het scherm. Overal zijn er domme klootzakken als jij die een mening hebben over onderwerpen waar ze zich niet in verdiept hebben. Als de overheid rekening moet gaan houden met jouw soort, dan komt nooit meer ergens iets van. En ik besefte dat dit de kern is van onze gemankeerde democratie: de mensen die het land besturen moeten luisteren naar mensen die geen idee hebben hoe je een land moet besturen. Het overgrote deel van de bevolking bestaat uit laagopgeleide randdebielen. En helaas is het ook nog eens zo dat laagopgeleide randdebielen iets doen waar beschaafdere, beter opgeleide mensen niet zo snel toe bereid zijn: ze willen in het openbaar een grote bek opzetten. Dus is dit altijd het geluid dat je hoort bij dat soort straatinterviews. Je kunt zeggen wat je wil van dictatoriale regimes, maar één ding is daar absoluut helder: het is prima dat je een mening hebt, hoe ongefundeerd ook, maar uit hem in het openbaar en niemand hoort ooit meer iets van je.
Volgende item. Een gemeente had honderdduizend euro uitgegeven aan een oversteekbrug voor eekhoorns. EEN OVERSTEEKBRUG VOOR EEKHOORNS. In de kleine bossen die een drukke N-weg omgeven woonden vijf eekhoorns en de gemeente wilde niet dat die beestjes gestoord zouden worden in hun bestaan door zoiets onplezierigs als platgereden worden door passerend verkeer. Ondanks deze ontzettend doordachte en diervriendelijke plannen moest de investering toch als een mislukking worden beschouwd, want in de anderhalf jaar dat de eekhoornbrug nu klaar was hadden precies nul eekhoorns er gebruik van gemaakt.
Er waren nieuwsitems over mensen in de showbizz die hun bedrijf voor een slordig miljard hadden verkocht aan een Amerikaanse grootmacht in entertainment. In mijn avondjournaal. Een keer openden ze hiermee. Syrië. Irak. Oekraïne. Mexicaanse drugsoorlogen. Raciale onrust in de VS. Noem een Afrikaans land en ik noem de ziektes, de hongersnood, de burgeroorlog, de raszuivering, de godsdienstwaanzin. Mijn journaal opent met Reinout Oerlemans die met uitgestreken gezicht komt uitleggen waarom hij programma’s is gaan produceren. O ja, en als hij een film regisseert laat hij zijn baard staan, want zonder baard ben je als regisseur natuurlijk totaal ongeloofwaardig. Je bent bezig met het vervaardigen van kunst; dan heb je geen tijd voor zulke aardse zaken als het scheren van je gezicht.
Na verloop van tijd merkte ik dat ik schor werd van het schreeuwen naar het scherm. En toen zei Tessa dat het misschien beter was als we geen journaal meer keken.

Ze was op haar gezicht gevallen. De klap werd gehoord door een omwonende die meteen het alarmnummer belde. Later ben ik nog bij die mevrouw op de koffie geweest. Een aardige oude dame. Ze was erg geschrokken, zei ze. Het was een harde klap. Ze moet al voor ze de grond raakte buiten bewustzijn geweest zijn, zei ze, anders had ze vast geprobeerd de val af te weren. Ik knikte en dronk van de te hete thee. Midden in de nacht op de intensive care vertelde men mij dat haar oogkas was gebroken, en haar neus. Ik knikte en keek op haar neer. Het lichaam was bedekt met een laken, als voorbereiding op de totale toedekking. Het hoofd leek vervormd, ingedrukt, het leek lager te liggen dan de rest van het lichaam. Ik had mijn hand op haar naakte arm gelegd en even had ik gemeend te voelen dat ze al koud was. Dat de dood reeds was ingetreden zonder dat men mij dat had willen vertellen. Of dat het gebeurd was op het moment dat ik haar aanraakte. Dat mijn aanwezigheid de doorslag had gegeven, een delicate balans naar de verkeerde kant had laten doorslaan. We konden het niet weten. Net zomin als ik kon weten of iets in mijn gedrag had kunnen voorkomen dat zij hier nu lag. Hulpeloos, niet kunnen vechten voor haar gezondheid, machines die een akelig soort optimisme verbeeldden. Simpelweg haar hart dat tegen haar zei ‘Jij hebt het leuk genoeg gehad, jouw tijd is geweest, zo is het klaar’.