De klaagzang van carpentier

Op de hoek van de straten Estados Unidos en Perú bevindt zich de enige Engelstalige boekhandel van Buenos Aires. Expats en reizigers die het Spaans onmachtig zijn treffen elkaar hier, bij Walrus Books, een stoffig, kleinbehuisd winkeltje waarvan zelfs de etalage met boeken is dichtgemetseld, zodat er nauwelijks daglicht in doordringt, ook al brandt buiten de noenzon met veertig graden, zoals het geval was toen ik er binnenstapte en mijn ogen aan de schemering liet wennen.

Achter het bureautje zat een meisje te lezen. Ze keek even op en verdiepte zich weer in haar lectuur. Haar asymmetrische pony dekte één oog af, als het ooglapje van een frêle piraat. Ik merkte dat ik naar haar staarde en koos haastig positie voor een kast.

Het belletje rinkelde. Een heer op leeftijd betrad de winkel, hij droeg een grijs kostuum en een gleufhoed, die hij afnam om zich koelte toe te wuiven. Zweet liep in straaltjes langs zijn wangen. Hij leek me gelijk sympathiek. Ik maakte een opmerking over de hitte, hij vond dat het wel meeviel en vroeg waar ik vandaan kwam.

‘Ah, Nederland, ’ riep hij uit, wapperend met de gleufhoed, ‘Reinbert de Leeuw!’

Zijn accent verleende de naam een mythische klank, maar ik had hem goed verstaan. De heer vertelde dat hij via internet graag naar De Concertzender luisterde. De variëteit en kwaliteit van het aanbod vond hij erg hoog, ‘zoiets hebben wij hier niet’. Hij onderstreepte zijn kennis van zaken door te refereren aan De Leeuws succesvolle Satie-platen uit de jaren ’80 en vertelde dat hij hem persoonlijk meer waardeerde als dirigent dan als pianist, vooral in muziek van Messiaen, Vivier, Goebaidoelina – en natuurlijk Mauricio Kagel.

‘Mauricio Kagel, natuurlijk,’ zei ik. Op mijn beurt wilde ik laten blijken dat ik in het kwartet componisten de Argentijn had herkend.

‘Kent u Kagels werk?’

‘Jazeker,’ zei ik. ‘Ik schrijf over muziek voor een krant.’

Dat vond hij erg grappig.

‘Bent u voor werk in Buenos Aires?’

Ik zei dat ik een paar maanden vrij had en op de bonnefooi rondreisde. Dat was waar, ongeveer. Ik had ook kunnen zeggen dat ik op de vlucht was, dat ik genoeg had van de muziek, of van het schrijven, of van allebei, dat ik hoe dan ook niet naar Walrus Books op de hoek van Estados Unidos en Perú was gekomen om over Reinbert de Leeuw te praten, als pianist noch als dirigent, laat staan over mijzelf.

‘Argentinië is magnifiek,’ zei de heer, alsof hij mijn reis zijn fiat gaf.

‘Bent u Argentijn?’ vroeg ik.

Nee, hij was geen Argentijn. Hij was ‘ergens anders op het continent’ geboren.

‘Waar precies?’ vroeg ik – dol op topografie, behoeftig aan afleiding.

Hij keek me aan en zei: ‘In de jungle.’


Na die raadselachtige dissonant vielen we stil. Vergeefs zocht ik in zijn trekken, in het samenspel van de gleufhoed en het kamgaren kostuum, naar lianen en wilde dieren.

Het meisje verbrak onze stilte met de vraag of we trek hadden in koffie. Er was iets met haar, iets met haar hals of met haar wenkbrauw, met de manier waarop ze achteloos koffie knoeide, maar toen ik een gesprekje probeerde aan te knopen negeerde ze me en rebbelde in onnavolgbaar Spaans tegen de heer op leeftijd, die ze zeer scheen te bewonderen.

Opeens zag ik het. Tien jaar jonger, zoals ik haar had leren kennen. Achter het ooglapje van haar pony leek ze sprekend op Fie.

Ik sloeg de espresso achterover en nam mijn plaats voor de kast weer in. Nu pas viel me op dat er klimop langs de planken groeide, fris en groen, en dat leek me een goed idee, het gaf wat lucht in zo’n bedompte ruimte vol boeken.

Even later kwam de heer me gezelschap houden en stonden we zij aan zij voor een rijtje met de letter M.

‘Schrijven over muziek,’ zei hij na een poosje, ‘is als dansen over architectuur.’

Dat citaat hoorde ik niet voor het eerst, als muziekjournalist loop je ieder kwartaal wel een wijsneus tegen het lijf, maar ik glimlachte beleefd. We bespraken bij wie het vandaan kwam – hij meende Frank Zappa.

Ik voelde me slecht op mijn gemak. De gelijkenis met Fie, het gepraat over mijn werk, veel stelde het niet voor, maar het kwam me voor als een ontmaskering. Ik besloot ervandoor te gaan. Maar terwijl ik zo naturel mogelijk op zoek ging naar de uitgang – ik struikelde bijna over een paar losliggende stenen – riep de heer op leeftijd me terug.

Hij grijnsde en hield een boek naar me op. Een smal, overwoekerd paadje van grove keien verdween in witte mist. In de mist stond de titel: The Lost Steps.

Dat rook naar kitsch.

‘Los pasos perdidos,’ lispelde hij. Omdat ik geen blijk van herkenning gaf wees hij me op de lettertjes in een verticale zwarte band.

‘Alejo Carpentier,’ las ik voor, op z’n Frans.

‘Alejo Carpentier,’ verbeterde hij met een rollende slot-r.

Carpentier. De naam klonk als een maker, iemand die zijn eigen leven vormgaf. Een kerel zonder talent voor ongemak. Omdat de heer me verwachtingsvol bleef aankijken besloot ik met een peinzende uitdrukking te informeren wat Alejo Carpentier ook alweer nog meer had geschreven.

‘U kent hem ongetwijfeld,’ zei de heer op leeftijd genereus, ‘van zijn standaardwerk over de Cubaanse muziek, La música en Cuba.’

Ik imiteerde iemand die zich dat standaardwerk opeens, inderdaad, herinnerde.

Aangemoedigd door zijn eigen enthousiasme vertelde de heer op leeftijd dat deze Carpentier aan het begin van de vorige eeuw in Zwitserland was geboren uit een Franse vader en een Russische moeder. Hij studeerde architectuur en muziek, publiceerde gedichten, borrelde met Picasso en de surrealisten, werkte als journalist, geluidstechnicus, filmproducent, radiomaker, en niet in de laatste plaats als componist. Grote delen van zijn leven bracht hij door in ballingschap (wat een woord, dacht ik, wat een last), maar Carpentier beschouwde zichzelf allereerst als Cubaan: hoewel hij overleed in Parijs ligt hij begraven in Havana.

‘In zijn composities liet hij de Europese modellen steeds meer los,’ zei de heer. ‘¡Abajo la lira, arriba el bongó! Weg met de lier, leve de trommel! Muziek in Cuba was voor hem muziek van de smeltkroes, van de mesties en de mulat, door Afrikaanse ritmes voortgedreven, telkens anders, ter plekke verzonnen – geen muziek om in het schemerdonker bij stil te zitten op een pluchen stoel maar om uitzinnig op te dansen.’

De heer op leeftijd liet het boek, dat hij al die tijd als een stenen tafel voor zich uit had gehouden, zakken en zei: ‘Muziek is kunst.’

‘Muziek is kunst,’ gaf ik toe, vermoeid. Ik had hier geen zin in. Ik was op de vlucht. Het woord in mijn kop luidde ballingschap.

‘Maar muziek is ook een manier om in de tijd te zijn. Om te ademen, om de aarde te bewonen.’ Hij klopte op de kaft van de paperback. ‘Dit boek gaat over muziek die geen kunst is, maar natuur – muziek even voedzaam, even noodzakelijk als een vrucht.’

‘Carpentier schreef dus ook over muziek,’ probeerde ik ad rem te zijn.
De heer keek me meewarig aan. Ik hoopte dat hij zich zou omdraaien, hoofdschuddend, en de winkel zou verlaten.

In plaats daarvan klopte hij weer ritmisch op de kaft.

Na de oorlog, vertelde hij, woonde Carpentier in New York. Hij verdiende geld met reclame. Zijn vrouw was actrice, zijn maîtresse sterrenwichelaar, het hing hem allemaal de keel uit. Sinds hij op het oude continent gevangen kampbewaarders uit volle borst de Ode an die Freude had horen zingen, te midden van het huiveringwekkende Niets, kreeg hij geen noot meer op papier.

De uitweg diende zich aan in de vorm van een avontuur: Carpentier werd gevraagd om in de Zuid-Amerikaanse binnenlanden op zoek te gaan naar primitieve muziekinstrumenten die ontbraken in de collectie van het universiteitsmuseum. Ze waren alleen door een missionaris beschreven en niet opgenomen in de bekende organografische catalogi. Een aarden kruik met twee rieten mondstukken, gebruikt bij begrafenisriten. Een rudimentaire trommel.


Carpentier vloog naar Venezuela, hobbelde per bus over de kop van de Andes, voer met een rivierboot de onstuimige Orinoco op en bereikte de afgelegen buitenpost Puerto Anunciación, een vochtige stad die onophoudelijk werd aangevallen door het oerwoud, gevuld met gelukszoekers, honden en hoeren. In een kraal op het modderige plein krioelde het van de schildpadden, vanwege de hongersnood. Hier ontmoette hij een man die De Gids werd genoemd en die beweerde te weten waar Carpentier zijn instrumenten kon vinden.

Per kano trokken ze dieper de jungle in. In het reisgezelschap bevond zich een inheemse jonge vrouw die duizenden kilometers had afgelegd om een bidprentje te bemachtigen voor haar zieke vader. Rosario heette ze. Een vrouw van een andere planeet. De wereld die hij had achtergelaten kende zij niet, ze was puur op een manier die geen cynisme opriep, die niet schreeuwde om aanhalingstekens. Carpentier raakte in haar ban.

De Gids kende een verborgen doorgang in de ondoordringbare begroeiing langs de rivieroever. Door een overwelfd kanaaltje voerde hij hen nog verder het oerwoud in. De tocht was tevens een reis terug in de tijd; schil na schil van de geschiedenis liet los, ze reisden door de eeuw van de Veroveraars, door de katholieke Middeleeuwen en belandden uiteindelijk in het Stenen Tijdperk.

Ze stuitten op een stam van jagers.

Iedereen was in rep en roer: een van de jagers was geveld door een zeer giftige slangenbeet. De man lag op een baar, te zwak om te kermen. Een sjamaan boog zich over hem heen en trachtte de dood te bezweren, hij sprak in tongen, met rauwe keelgeluiden en een jammerende buikstem, het woord reikte voorbij zijn eigen mogelijkheden en vond ritmes uit, toonverschillen, halve melodieën, het woord huilde boven een zwart kadaver en herkende zichzelf nog niet als zang.

Carpentier keek toe. En langzaam drong het tot hem door, waarvan hij getuige was. Op deze oeroude plek, in het duistere hart van de jungle.

Het was de geboorte van de muziek.


De heer op leeftijd had zich laten meeslepen door zijn verhaal, het zweet stond weer op zijn voorhoofd en hij trok zijn das los. Hij staarde zelf nogal sjamanistisch, grootogig over mijn hoofd in de verte – en begon te neuriën.

Na zijn performance voelde ik me verplicht het boek te kopen, maar toen ik het wilde pakken raakte mijn hand verstrikt in een gordijn van taaie luchtwortels. Die waren me eerder niet opgevallen. De atmosfeer in het boekwinkeltje was vochtig en drukkend, en toen ik om me heen keek waar toch die zoete geur vandaan kwam zag ik overal bloeiende bromelia’s en reuzenorchideeën, in het hele gamma van de regenboog, hun kelken glinsterend in het licht dat door het bladerdak viel.

De heer op leeftijd ging volledig op in zijn geneurie, al was neuriën niet het juiste woord. Ik bekeek hem met het koele oog van de recensent, in een poging, misschien, om afstand te houden. Een hypnotiserend zoemen en grommen was het, elementaire fluittonen stegen op uit zijn keel, waarbij hij ritmes klopte op de kaft. De vocalise ging over in een recitatief van herkenbare klanken.

Ze lieten de steentijdstam achter en trokken dieper de jungle in. Op vele dagmarsen van de verborgen doorgang in de rivier bereikten ze de stad die De Gids had gesticht. Deze geheime stad bleek niet het eldorado dat gloeide in de koortsige ogen van de goudzoekers, maar een armoedige verzameling hutten. En daar vond Carpentier wat hij zocht. De bewoners van de oerwoudstad vervaardigden ze eigenhandig, de trommels en fluiten, en deden ze hem grif cadeau. Missie volbracht.

Maar Carpentier wilde niet terug.

Hij bouwde een hut. Ze leidden een simpel leven, Rosario en hij, ver weg van zijn vrouw en zijn minnares, van het bedrog en de lelijkheid van de twintigste eeuw, en hij was gelukkig.

En het liefdesgeluk was nog niet alles. De herinnering aan de klaagzang van de sjamaan had een uitzonderlijk effect op Carpentier. Zijn drooggevallen bron begon weer te vloeien. Diep in de wildernis hoorde hij muziek, voor het eerst sinds lange tijd, echte oorspronkelijke muziek in zijn hoofd, en op de spaarzame snippers papier die voorhanden waren noteerde hij een grandioze cantate.


De heer op leeftijd gromde, klopte nog een paar keer op de kaft en liet toen een stilte vallen. Hij staarde langs mij heen en slaakte een zucht. ‘Een grandioze cantate,’ zei hij.

Hij sprak alsof hij er zelf bij was geweest, alsof hij de plekken en de geuren uit eerste hand kende, zo levendig had hij ze opgeroepen dat ik ze kon zien, kon ruiken en aanraken, ik zat verstrengeld tussen stengels en scheuten en sopte tot mijn enkels in een kruidige humuslaag.

‘De jungle,’ zei hij langzaam, ‘is een plaats waar de wereld zich niet schaamt voor zijn wonderbaarlijkheid. Dorpsbewoners doodden een jaguar in het voorportaal van de kerk. Rosario’s vader stierf en werd ’s ochtends begraven bij kaarslicht, omdat de hemel verduisterd was door een wolk van amaranten vlinders. Op een dag landde in het dorp een vliegtuig.’

Ik knikte, het verbaasde me niks dat er een vliegtuig landde – het verbaasde me niks dat midden in de jungle het noodlot de vorm aannam van een vliegtuig.

Zijn vrouw had hem als vermist opgegeven. Ze dachten dat hij in handen van bloeddorstige indianen was gevallen. Carpentier lachte de lach van de geblinddoekte hoogmoed, de lach van de aap.

Hij besloot niettemin met de vliegeniers mee terug te gaan. Om zijn scheiding in orde te maken, om papier in te slaan. Over een paar weken keerde hij terug, voorgoed. Als onderpand van zijn trouw gaf hij Rosario het manuscript van zijn Klaagzang in bewaring. Natuurlijk begreep ze hem niet.

Hadden we niet alles al?

Hij klom in het vliegtuig, dat de tijdreis met zware motoren in een vingerknip tenietdeed.

‘Maar hij is gelukkig,’ riep ik uit.

De heer haalde zijn schouders op. ‘Welke man doorgrondt zijn eigen geluk?’


Carpentier keerde terug in het grauwe New York. Door tegenwerking en geldgebrek gingen er maanden voorbij. Toen hij zijn zaken eindelijk geregeld had bereikte hij na een lange reis voor de tweede keer Puerto Anunciación. Maar de verborgen passage in de rivier was onvindbaar. Men vertelde hem dat Rosario getrouwd was met de oudste zoon van De Gids. Zowel zijn partituur als zijn geluk was verloren.

Mijn maag kromp ineen, alsof ik zelf op die woudgroene muur bots-te. Maar mijn eigen ballingschap was vrijwillig. Ook voor mij was er geen weg terug, maar juist in de vlucht vond ik mijn vrijheid. Ik zag Fie voor me, tussen de meubels die we niet langer deelden, op het halfrond waar het nacht was en winter, en ik hoopte dat ze alles al vergeten was, dat ze al mijn rampzalige redenen samen met haar gebutste liefde en mijn cd’s in een vuilniszak had gepropt en aan de straat gezet.

‘Wat het boek niet vertelt,’ zei de heer, trommelend op de kaft, ‘is dat Rosario kort daarna beviel van een zoon, die opgroeide in de jungle, die op zekere leeftijd rebelleerde, die het oerwoud ontvluchtte, jarenlang over de wereld zwierf en ten slotte neerstreek in deze stad, in Buenos Aires.’

Hij begon weer te zingen, de heer op leeftijd, als je het zingen moest noemen. Hij had zijn hemdsmouwen opgerold en zat op een omgevallen boomstam. Ik wou dat zij hem zo kon zien. Fie zou hem vast mogen, ze zou hem vertederd bij zijn arm nemen en een wandeling met hem maken en hem laten blozen van plezier, en omgekeerd zou hij haar kunnen vertellen dat sommige mannen zo naar verandering hunkeren dat ze de stomste dingen doen, alles opgeven, zelfs jou.

Een klaterend geluid leidde me af. In de sectie Filosofie had zich een watervalletje gevormd. Het silhouet eronder moest het meisje zijn. De ongerepte schoonheid rondom benam me de adem, er ritselde iets in het groen, een papegaai vloog krijsend op. Mijn hart zwol, het danste als de kikkers op de oever, kwaakte geestdriftig en onbegrijpelijk. Ik ontworstelde me aan een kluwen lianen en zag dat er niemand meer op de omgevallen boomstam zat. De heer op leeftijd was weg. Het boek had hij meegenomen. Ik was alleen in deze tuin, en ik begreep dat ik er niet kon blijven.