Hoofdhonger

Ik schraapte kattenhaar van de bank,
knipte mijn nagels, pulkte in mijn neus,
ving een spin, rukte met wanten aan

brandnetelstengels uit de grond, plukte
bessen die, dacht ik, giftig waren,
en alles ging de ketel in, mijn strandemmertje

dat ik met slootwater had gevuld. Ik lokte
mij het schuurtje in en dwong mij
een slok te nemen, huiverde

van genot toen ik huilend proefde want
hoewel ik wist dat er niets gebeuren ging
de kans bestond dat ik op slag veranderde

in een gevleugelde slang die mij voor straf
verscheurt en verschalkt, opvreet met huid en haar,
vernietigt, wegvaagt, eindelijk.