Brief uit Brooklyn

23 november 1963

Tussen 1963 en 1968 schreef Leo Vroman brieven aan Gids-redacteur Bert Voeten vanuit Brooklyn, waar hij in die periode natuurwetenschappelijk onderzoek deed. In zijn brieven deed hij verslag van het kleine (hoeveel zondagskranten zijn kinderen wegen) en het grote (de dood van Martin Luther King). Ook de dood van John F. Kennedy wordt door hem uitvoerig beschreven.

Deze ‘Brief uit Brooklyn’ werd afgedrukt in De Gids van januari 1964. Voor de complete reeks, zie www.dbnl.org.

Beste Bert, – Ann, het lange magere meisje dat voor mij werkt, moest gisteren een leuke proef doen: meten hoeveel van een bepaalde stollingsfactor bij verschillende temperaturen aan barium lignoceraat blijft plakken. In de ochtend had ze de proef bij zevenendertig graden gedaan; na de lunch moest ze de koude centrifuge een verdieping beneden de onze gebruiken voor de rest van het werk. Ze kwam buiten adem en ontkleurd terug, met een bedauwd bekertje in de hand. Ja, zei ze, het was in de centrifuge, en wist ik dat Kennedy was beschoten. Wat, zei ik, bonk bonk voegde mijn magere borst hieraan toe, nee dat wist ik niet. Blijkbaar liep ik de gang in, waar een kantoortje was, en de secretaresse, wier ogen veel meer wit vertoonden dan gewoonlijk, zat daar naar een parmantig klein transistor-radiootje te kijken. We have word, kraste het liploze ding, that his lips were moving at a normal rate, whatever that means, and that is all for now, from our man in Dallas. Aan het eind splitst de gang zich in twee glazen zalen voor vermaak van minst ernstige patiënten, beide met een televisietoestel. Ik ging links binnen. Een grote, warme, zwarte en vlekkeloos witte verpleegster stond bij de deur, een stel gezwollen en geslonken zieken lagen in stoelen, en allen keken naar het toestel. Daarin zat een hoofd van Walter Cronkite, anders een bekende omroeper, maar ditmaal huilden zijn wenkbrauwen onherkenbaar. We don’t know, zei hij, the rumor is that the President is Dead, it is a rumor, but its contents are, the President, is Dead. In de andere zaal ging alles beter. De patiënten zagen er beter uit, en dit toestel droeg een onbehuild hoofd dat beweerde met een ziekenhuis in verband te staan. Zenuwartsen waren de patiënt aan het bestuderen op de operatietafel. Ik kon mij onmiddellijk enige onschadelijke banen door mijn hoofd voorstellen: linkerjukbeen tot rechterwang, rechterwang tot zachte kin, ik voelde zelfs bijna niets en zou morgen alweer opgekikkerd zijn.
Terug naar die eerste zaal. Stel je toch voor, zei de negerin, het is net honderd jaar geleden – en ze keek met betekenissen naar een negerbediende die naast haar stond. Waarachtig, zei hij. De priesters, zei Cronkite, kwamen uit de kamer, en zeiden, de President van de Verenigde Staten, is Dood. Dood door een kogel van een – Terug naar de andere zaal. Dood, zei het ding ook daar; en in het zaaltje daarnaast, waar een stervende lag, nog luisterend, zei de radio ook: Dood. Ik liep terug naar mijn eigen lab. Ik heb de suspensies gecentrifugeerd, zei Ann. Hij is dood, zei ik. Ik weet het, zei ze, wat zullen we doen? Ik zou het poeder twee maal wassen, zei ik, zoals in de eerste test. En dan? Zet dan alles maar in de freezer en doe de rest later, zei ik. Ik zal wel bedoeld hebben: later, als het weer belangrijk wordt, en ik dacht, waarachtig, dat ik nu toch eens goed moest nagaan hoe ik mij voelde, dan kon ik jullie dat later schrijven. Daar dan: ik voelde mij niet erg lekker. Ik voelde mij zelfs spierwit met een rode neus, en ik hoop dat dat nu eens een goeie les is voor die moordenaar. Waarom ik in godsnaam dit verslag schrijf weet ik niet. Ik houd trouwens niet erg van presidenten, maar van deze, en van zijn gezin, hield ik veel, ik heb een aanstaande vriend verloren, de sufferd, waarom droeg hij ook nooit een hoed, en waarom was hij zo jong; zo’n klein zaadje van metaal heeft hij in zich, in zijn gedachten op moeten nemen om helemaal tot volwassen held gerijpt te worden. Enfin, ik belde Tineke op, zodat ze haar padvindstersbijeenkomst af kon zeggen, we leefden nog allebei. Ik keek uit het raam naar de geweldig hoog wapperende vlag, maar hij daalde niet vanzelf, drie mensen moesten hem helpen. De ziel van zo’n grote man die zo’n grote baan had, moest zelf toch eigenlijk groot genoeg zijn om over het hele land met ontelbare draderige vingers alle vlaggen omlaag te trekken. Ik hoopte dat er een stukje van hem in het lab was waarmee viel te praten. Hoe is het er nu mee, best vriendje, voel je je al wat beter? Ik zal wel voor je gezin zorgen, een leuke brief bij voorbeeld zal iedereen wel voorgoed doen herstellen. – De vlag wapperde nu te laag, een mannetje nam het koord in een hand en liep om de paal als om een meiboom, trok, liep, en knoopte iets. Life must go on, zei Ann, toen ze blijkbaar vond dat ik te lang uit het raam keek en vreesde dat ik in geluidloos herengeween was uitgebroken. Kom, ik ging eens in de laboratoria beneden ons kijken. Daar was men blijkbaar meteen kopjes koffie gaan drinken, ik dus ook eentje; ze zijn zo’n goed middel tegen het praten dat er bijna van kan worden nagedacht.
Alleen zo nu en dan kwam er een woord uit een kopje: slurp unbelievable, slik. Wie zijn kopje leeg had, kon het voelen afkoelen, en het daarna omspoelen en omgekeerd wegzetten in het washokje. Daarna moest er toch eigenlijk wat gewerkt worden. Voor de medici was er nog wel wat te doen, er moesten nog enkele patiënten een beetje worden veranderd, en een moest nog helemaal dood. Maar voor mij was het een lange middag. Langzaam zocht ik overal naar post die moest worden beantwoord, maar er was er geen. Geen minuut voor het gewone half-vijf sloten we het lab af. Als altijd reed ik mee naar huis met de slotenmaker en de schilder. Er waren enkele woorden te horen, die om beurten werden gezegd. Bij een ambachtsschool stopten we, om de slotenmakerszoon en drie vrienden op te pikken. Ze waren stil, tot ze plotseling een blijkbaar gehalveerde discussie hervatten om te beslissen hoeveel schoten het zo belangrijke werk hadden verricht. Dicht bij huis werd ik afgezet. De gewone mensen bewogen op straat, maar er waren geen stemmen. Thuis werd ik begroet door het dolgelukkig gekef van Candy, twintig pond gemengde hond. Mijn moeder zat aan de tafel, Tineke stond naast haar, beiden glimlachten, en Tineke kwam mij vasthouden, stuurde zich daarna met mij naar onze slaapkamer en sloot de deur. ‘Eigenlijk,’ zei ze, ‘is er nog iets geks gebeurd ook; toen ik Moeder vertelde dat Kennedy dood was, was ze meteen in tranen en vroeg hoe dat kon; vermoord zei ik toen, en toen zei ze: zo maar op straat waar je bij stond? Blijkbaar dacht ze dat Candy vermoord was, maar toen was ik al zo onder de indruk van Moeders verdriet dat ik ook maar ben gaan huilen; en dat is nog niet alles, want op dat ogenblik kwam Peggy thuis van school, en zodra ze ons zo zag wierp ze zich brullend op bed, ze had op school ook al gehuild. Goddank waren we allemaal gekalmeerd voordat Geraldine thuiskwam.’ Die had zich op haar kamer teruggetrokken, en tekende nu twee maal zoveel verscheurende poema’s per minuut als gisteren. We zetten de televisie aan. Een volslagen snikkende man probeerde te vertellen dat hij hier stond en zijn dochtertje daar, en hij wuifde, en zei: wuif nou wuif nou, en zijn dochtertje wuifde, en toen zag ze, juist toen de – Stil maar, zei iemand onzichtbaar in de microfoon; maar de man begon opnieuw: juist keerde hij zich naar ons toe en begon terug... Op een andere golf zei een groot gezicht: meteen zakte de president in de schoot van zijn vrouw. We schakelden van het ene station naar het andere: viel voorover, terwijl het bloed uit zijn hoofd stroomde... En op dit ogenblik klonk er een schot; bijna niemand geloofde... Opgewekt verlieten ze Fort Worth Hotel, het weer was stralend, kakel kakel kakel. We luisterden en keken in het donker en terwijl we aten. De enige reden tot onderbreken was Candy, nog altijd levend, met wie ik naar buiten moest omdat hij beweerde van de goot gebruik te moeten maken. De lift scheen al te hel verlicht; Candy las het linoleum van a tot z, en dacht als altijd beneden de automatische deur voor mij te openen. Buiten was alleen de grond nauwkeurig te zien. De straatlampen waren groot, voelbaar vloeibaar en ver weg, en de mist zo zwaar dat de kleine regendruppels die erin bewogen te voelen waren, maar niet te zien.
Deze brief, en de zo verknoeide president, zijn een nacht en een dag blijven liggen, en intussen is alleen het weer verbeterd. Jackie die zelfs van zijn bloed geen afscheid wil nemen; Oswald de gek door een gek ontploft; het vreselijke telegram, op krankzinnige wijze door madamme Nu in elkaar gezet en waarachtig verstuurd nog ook; donderdag Thanksgiving, Kerstmis over een maand, verkiezingen over een jaar, hoe eindeloos veel dingen beginnen, gebeuren, en eindigen er toch aldoor, en hoe vervelend is aldoor die dood, een ledige bron van bedroefdheid, en voor overdenking zo vruchtbaar als het dagen en nachten besteden aan een berekening van het verschil tussen 1 en 0. Ik hoop dat Mrs. Kennedy iets eet, al is het maar een taartje of een stukje kaas. Ik hoop dat de klokken zullen luiden zodra ze niet aan hem denkt, zodat ook ik zal weten dat het ergste over is. – Leo