De stuurloze stad

De metropool Brussel, hoofdstad van Vlaanderen, België en Europa, is vastgelopen in een moeras van bestuurlijke onmacht. 19 burgemeesters, 685 raadsleden en 200 wethouders houden elkaar in een ijzeren greep en dat is de stad aan te zien. In de schaduw van de bestuurlijke chaos bloeien segregatie, vervuiling, armoede en corruptie. Uitgerekend het hart van Europa is immuun voor de logica van de vooruitgang en dat maakt Brussel, ondanks alle ellende, ook tot een fascinerende stad.

Sommige boeken ontlenen hun invloed aan hun titel. Je hoeft ze niet te hebben gelezen om de inhoud ervan te vatten – eigenlijk hoeven ze niet eens te worden geschreven. If Mayors Ruled the World is zo’n boek. Al jaren toert auteur Benjamin Barber ermee over de wereld: hij geeft interviews, colleges en lezingen en zijn boek wordt wereldwijd aangehaald en bediscussieerd. Dat belooft nog wat als het straks verschijnt.

Het boek is al een aantal malen uitgesteld; inmiddels heeft uitgever Yale University Press het aangekondigd voor november 2013. Het gaf Barber in ieder geval de gelegenheid de ondertitel aan te passen. Hij bracht Why Cities Can and Should Govern Globally and How They Already Do terug tot het kernachtige Dysfunctional Nations, Rising Cities.

Het idee van Barber, die eerder furore maakte met zijn studie Jihad vs. McWorld – ook geen slechte titel –, is even eenvoudig als aantrekkelijk: steden zijn beter in staat politieke en maatschappelijke problemen het hoofd te bieden dan natiestaten. Burgemeesters moeten daarbij de leiding nemen, want zij staan met beide benen op de grond, dan wel met hun poten in het bluswater. Onafhankelijk van hun politieke kleur zijn zij namelijk pragmatici die zich richten op de problemen waarmee hun burgers kampen.

De comeback van New York onder leiding van Michael Bloomberg en de Londense successen onder Boris Johnson zijn voorbeelden waarmee Barber veelvuldig schermt. In Nederland zou je het Amsterdam van Eberhard van der Laan met wat goede wil ook onder Barbers paraplu kunnen scharen, maar hoe zit het met Brussel, hoofdstad van Vlaanderen, België en Europa ineen?

Dat er in Brussel werk aan de winkel is, blijkt wel uit de donderpreek die de Franse correspondent van de Libération onlangs afstak onder de kop ‘Bruxelles, pas belle’. Volgens Jean Quatremer is de stad zo ‘lelijk en vies’ dat ze alleen met Athene te vergelijken is: ‘Dezelfde stedelijke chaos, dezelfde littekens door een koortsachtige vastgoedspeculatie, dezelfde kapotte trottoirs, dezelfde vuiligheid, dezelfde autogekte, et cetera. Wat de Griekse hoofdstad echter heeft kunnen vermijden, zijn de autostrades die Brussel verscheuren als had het de omvang van New York of Los Angeles, terwijl het ternauwernood de miljoen inwoners overschrijdt.’

Een subjectief oordeel wellicht, maar ook op de officiële stedenlijstjes doet Brussel het niet best. Neem The Wealth Report, een wereldwijde ranking van de veertig belangrijkste steden. Brussel staat op een fraaie derde plaats wat betreft de politieke invloed, maar de levenskwaliteit, de economie en het kennispeil blijven daarbij ver achter, zodat de stad in de totaalscore op twaalf komt. Nog steeds niet slecht, maar stel dat de Europese Unie een andere standplaats zou kiezen, dan tuimelde Brussel zo veertien plaatsen omlaag.

Wat de vraag opwerpt wie de burgemeester van Brussel eigenlijk is en waarom hij niks aan de problemen doet. Of is dat helemaal niet nodig? Als je een rangorde maakt, dan staan er noodzakelijkerwijs ook steden onder aan de ladder en zijn die niet veel spannender dan de gladgestreken internationale vlaggenschepen?

Thielemans is de naam van Brussels eerste burger, Freddy Thielemans. Deze socialist, kunstminnaar, bierdrinker en vrijmetselaar was in 1994 al eventjes burgemeester toen Michel Demaret moest aftreden, de man die in de volksmond ‘Monsieur dix pourcent’heette omdat hij zich liet betalen voor bouwaanvragen. In 2001 keerde Thielemans terug en sindsdien bestuurt hij zijn stad met achteloze schwung, maar daarbij stuit hij op knellende historische grenzen.

Tot 1800 viel Brussel redelijk met zichzelf samen: de stad groeide langzaam maar zeker, maar bleef netjes binnen de muren die in de veertiende eeuw waren gebouwd in een regelmatige vijfhoek, die van bovenaf doet denken aan een wapenschild. Pas in de negentiende eeuw stulpte de stad uit over dorpjes als Sint-Joost-ten-Node en Koekelberg. Aanvankelijk ging dat lentissimo, maar in de tweede helft van de negentiende eeuw – België had zich toen allang van Nederland afgescheiden – spreidde de stad zich als een olievlek uit en verzwolg dorpen, rietlanden, gehuchten, moerassen, kleine stadjes, bleekvelden, fabrieken. Etterbeek en Sint-Gillis werden onder de voet gelopen, Anderlecht en Schaarbeek opgeslokt, Elsene en Sint-Jans-Molenbeek ingenomen.

Op de fysieke annexatie van het platteland volgt na verloop van tijd meestal een administratieve inlijving: de grenzen van de stad schuiven op, zodat bebouwing en bestuur weer min of meer samenvallen. Zo niet in Brussel; daar zetten de omliggende gemeentes met succes de hakken in het zand. Er zijn een paar uitzonderingen – de koning bracht bijvoorbeeld grond in om zijn hoofdstad lucht te geven en er waren wat ad-hocannexaties –, maar het heeft niet geleid tot een logische vorm, die iets te maken heeft met de straten, pleinen en gebouwen die samen de stad vormen.

De surrealistische vorm van Brussel had goed uit de koker van Magritte kunnen komen, de schilder die aan het belangrijkste plein van de stad met een eigen museum wordt geëerd: Ceci n’est pas une ville. De plattegrond mag een nachtmerrie zijn voor een burgemeester die de stad moet besturen, als rorschachtest is hij bijzonder geschikt. Je kunt er gerust een hoekig hart (de oude stad) op één been (het Kamerenbos) in zien, met een puntbuik (de Europese wijk) en een enorme smurfenmuts (de koninklijke domeinen plus de haven- en rangeerterreinen). Een grote roofvogel op een toverlantaarn waaraan een dode muis bungelt, is ook geen slechte gok. Of het silhouet dat een graffitikunstenaar heeft gezet met een sjabloon: een kuif, twee ogen en een sikje.

Maar alle gekheid op een stokje is het antwoord dat misschien wel het beste past bij Brussel, de stad die zo doordesemd is van tegenstellingen – tussen grandeur en armoede, tussen verfijning en verwaarlozing, tussen elegantie en betonnen bruutheid –, dat je vaak niet weet of je nu moet lachen of huilen. Want waar vind je bijvoorbeeld een stad met een immense zandvlakte vlak bij het centrum waarop al jaren parmantig een piepklein monumentje standhoudt? Of een stad die voor de begrafenis van haar burgemeesters moet uitwijken naar een buurgemeente, maar daar wel een majestueus ‘Rond Punt der Burgemeesters’ heeft ingericht?

De bijna zuivere vijfhoekige vorm van het hart van de stad is zowel op de kaart als in situ nog altijd goed zichtbaar. De stadsmuren zijn natuurlijk verdwenen, maar als in een van de stripalbums van een andere beroemde zoon van Brussel, Hergé, is daarvoor een dikke, klare lijn in de plaats gekomen: een weg met tweemaal drie rijbanen, een complete Périphérique zoals grote broer Parijs die heeft, maar dan geen 35 kilometer lang, maar slechts een krappe 8 kilometer.

‘De kleine ring’ wordt die liefkozend genoemd, maar vergis je niet, het is een complete snelweg die slechts gedeeltelijk is ondertunneld en die het centrum afsnijdt van de rest van de stad. Binnen de vijfhoek wonen iets meer dan 50.000 mensen; tel je daar de inwoners van de rare aanhangsels en uitsteeksels bij op, dan komt Freddy Thielemans nog altijd niet verder dan 166.000 onderdanen, grofweg het aantal inwoners van Nijmegen. Die stoppen Bloomberg en Johnson in hun holle kies.

Thielemans’ baronie – zoals de Brusselse benaming van een gemeente luidt – wordt aan alle kanten omsloten door andere baronieën, met eigen burgemeesters en gemeenteraden, met eigen belangen en beleidsplannen, met eigen machinaties. Achttien om precies te zijn. Steek de straat over en je komt in Schaarbeek, Anderlecht of Molenbeek. Om even in Nederlandse verhoudingen te blijven: dat betekent dat op een kiezelsteenworp afstand steden liggen met de omvang van respectievelijk Den Bosch, Dordrecht en Alkmaar.

Niet alleen grote broers grenzen aan de Stad met een hoofdletter, ook kleine gemeentes als Sint-Joost-ten-Node met slechts 27.000 inwoners. Een uit de kluiten gewassen dorp naar bevolkingsomvang gemeten – denk aan Leiderdorp of Hulst –, maar de dorpelingen zitten wel samengepakt op net iets meer dan één vierkante kilometer en daarmee is het de dichtstbevolkte gemeente van de Benelux en misschien wel van Europa. Toch krijgt de auto hier ruim baan: Emir Kir, de net verkozen burgemeester van Turkse origine, schafte een felbevochten voetgangerszone meteen af: ‘Het moet gedaan zijn met dat intellectueel terrorisme, waarbij een zekere categorie personen de specialisten zijn inzake stedenbouw en mobiliteit.’ Liever luistert hij naar zijn burgers, of in ieder geval naar de winkeliers die klagen dat ze voor klanten per auto niet meer bereikbaar zijn.

De problemen die een metropool het hoofd moet bieden zijn legio, maar snijd haar in negentien willekeurige stukken die zich als autonome eilanden gedragen en de puzzel is schier onoplosbaar. Een berucht voorbeeld, dat ook de correspondent van de Libération aanhaalt, is de Louizalaan, de dunne spillepoot die onder uit de plattegrond steekt. Eind negentiende eeuw is deze laan op bevel van koning Leopold II bij het grondgebied van Brussel Stad gevoegd, zodat de adel de stad niet hoefde te verlaten om naar het gerechtshof in het Kamerenbos te gaan.

De straat zelf is dus van Brussel, maar de trottoirs niet, die zijn van de buurgemeentes Elsene en Sint-Gillis. Omdat niet duidelijk is wie de bonnen moet innen, laat de politie wildparkeren op de stoep van de duurste winkelstraat van Brussel ongemoeid. Er was druk van de minister voor nodig om de drie gemeentes zover te krijgen dat ze bloembakken neerzetten om de auto’s te weren. Eind goed, al goed? Dat valt te bezien, het is naar traditioneel Brussels recept slechts een proef.

Het stuk in de Libération was geïllustreerd met een fotocollage van binnenstedelijke files, kapotte stoepen, barricades van betonblokken en onbegrijpelijke wegomleggingen. Heel vervelend, zeker, maar uiteindelijk ook overkomelijk. En bovendien kun je daar vrolijk stemmende observaties tegenover zetten; zo laten de vuilophaaldiensten ook in de rijke baronieën het beddengoed en de matrassen van daklozen ongemoeid: je pakt mensen het laatste wat ze hebben toch niet af? En misschien is het in het digitale tijdperk niet erg praktisch om burgers met muurkranten op de hoogte te houden van bouwplannen en verkiezingen, maar charmant is het wel.

Fascinerend is Brussel, zeker voor de buitenstaander. De stad is als een tante die langzaam dementeert en haar decorum verliest, zo wast ze zich niet meer zo vaak als maatschappelijk wenselijk is, maar de vreemde liedjes die ze soms zingt en de ongerijmdheid van haar grapjes maken veel goed. Maar als het bezoekuur is afgelopen en de verre neef weer naar huis is, blijft ze achter in haar verwaarloosde huis. Alleen, verstoken van hulp.

Onder het kleurrijk onaangepaste oppervlak heeft Brussels bizarre bestuurlijke structuur diepe sporen door de stad getrokken: rijken en armen leven in gescheiden werelden en de kloven daartussen worden dieper. Bestuurlijke grenzen fungeren als sociale grenzen en daardoor hebben de negentien baronieën meer weg van een archipel dan van een open metropool. Dat wordt vooral ’s avonds zichtbaar.

Overdag lijkt het alsof Freddy Thielemans de scepter zwaait over een welvarende stad. Het zijn niet zozeer de drommen toeristen die deze schone schijn ophouden, als wel de vele forensen die de stad een rijk aanzien geven, met dure winkels en chique restaurants. Elke dag rijden een kwart miljoen auto’s vanuit de provincie naar de kantoortorens in het centrum. Maar als het getij de forensen ’s avonds meeneemt, is de vijfhoek weer goeddeels het domein van de arme, allochtone bewoners.

Terwijl stadscentra na de leegloop en verpaupering van de jaren tachtig bijna overal in de westerse wereld weer opkrabbelden, is daarvan in Brussel Stad geen sprake; sterker nog, de armoe neemt alleen maar toe. De Marollen, de volkswijk die de zuidelijke punt van de vijfhoek vormt, heeft zelfs het laagste fiscale inkomen van het hele stedelijke Gewest. Vergelijk dat eens met de Amsterdamse Jordaan: tot ver na de Tweede Wereldoorlog heerste hier net als in de Marollen bittere armoede, inmiddels ligt het inkomen een vijfde boven het gemiddelde van de stad.

De binnenstad van Amsterdam is gladgestreken: de krotten zijn opgeknapt tot paleisjes, de straten strak beklinkerd en van designlantaarnpalen voorzien, de winkels verbouwd tot boetieks. Als er al rafels te zien zijn, dan is dat een bewuste keuze om een urban touch aan te brengen. Dáárvoor hoeft Brussel in ieder geval geen moeite te doen, verloedering krijg je er hier gratis bij.

Bij het verschijnen van zijn roman Slagschaduw, die in Brussel speelt, zei David Van Reybrouck: ‘Weinig steden hebben zo’n interessant patina. Je hebt hier een “krioelend” verleden, de tijd is echt aan het werk.’ Maar bij deze lofzang op de stad stak hij de hand ook in eigen boezem en noemde hij de ophemeling van armoede tevens ‘een klassiek fenomeen van esthetisering door de middenklasse’, een zoektocht naar authenticiteit ‘alsof alles wat arm en versleten is, een waarachtigheid bezit die wij als middenklasse in ons leven niet meer hebben’.

Een rauwe stad is voor de bezoeker exotisch, het leven is er anders, het heeft er nog vorm en reliëf. Neem het Zuidpaleis, een monumentale overdekte markt van eind negentiende eeuw. Het prachtige pand ligt in de vijfhoek, als je vanuit het TGV-station naar de Grote Markt loopt kom je erlangs. In elke wereldstad zou dit inmiddels een luxe warenhuis zijn geworden, of een duur appartementencomplex. Zo niet in Brussel: aan de straatzijde zie je een aaneenschakeling van afgetrapte restaurants, armoedige theehuizen en bureautjes voor busreizen naar de Maghreb. Binnen in het gebouw hebben de sportclubs van de stad onderdak gevonden, je kunt er gesubsidieerd badmintonnen en boksen, biljarten en rolstoelbasketballen.

In Brussel hebben de arme bewoners dus nog een paleis tot hun beschikking. Dat het Zuidpaleis ook nog eens aan de Avenue de Stalingrad ligt, maakt de symboliek compleet: hier is de kapitalistische machinerie, althans voorlopig, gestuikt. Dat klinkt misschien sociaal bewogen, maar het laat vooral het gebrek aan stedelijke dynamiek van Brussel zien, en daarmee aan speelruimte en kansen voor de inwoners.

De opwaardering van verpauperde buurten volgt normaliter een vast patroon: kunstenaars en krakers trekken een buurt in, studenten volgen en al snel ontdekken yuppen, toeristen en makelaars het gebied. Het proces van gentrificatie – in Nederland meestal veryupping genoemd – leidt tot felle debatten tussen voor- en tegenstanders. In Berlijn is het al uitgegroeid tot een scheldwoord, maar niet ten stadhuize: de sociaal-democratische burgemeester Wowereit vindt het verzet tegen Gentrifizierung onzinnig, hij is juist blij met de toestroom van ‘mensen die hun huur zelf kunnen betalen’.

In Brussel Stad ligt dat anders, daar houdt burgemeester Freddy Thielemans zich bij vragen over gentrificatie zorgvuldig op de vlakte, het liefst vermijdt hij het hele woord. De angst voor verdringing van de arme bewoners zit namelijk diep bij de regerende Parti Socialiste en ook al zijn de sterkste reflexen tegen de komst van ‘rijken’ verdwenen, Thielemans weet nog altijd heel goed wie zijn kiezers zijn. Zoals ook de liberale burgemeester Armand De Decker van de rijke baronie Ukkel zich er scherp van bewust is aan wie hij zijn mandaat dankt. Logisch dus dat Ukkel nog altijd maar een derde van het aantal sociale woningen heeft waartoe het zich verplicht heeft.

Om de sociale en stedelijke verstarring te doorbreken, heeft de Brusselse metropool van haar burgemeesters niet veel te verwachten. Maar biedt de minister-president dan geen soelaas? Aan het hoofd van het Brussels Gewest, waarin de negentien baronieën sinds 1989 verenigd zijn, staat namelijk geen burgemeester maar een minister-president. Klinkt goed. Bovendien is er net een nieuwe, Rudi Vervoort, en nieuwe bezems vegen schoon.

Vervoort is een keurige man, op het saaie af. Voordat hij begin dit jaar door de Parti Socialiste als minister-president naar voren werd geschoven, was hij burgemeester van Evere, een baronie die aan Brussel Stad grenst en die hij op Vlaamse wijze bestuurde. En dat is in Brussel een compliment: pragmatisch, depolitiserend, gericht op samenwerking. Precies in het straatje van Benjamin Barber dus, die zijn vingers waarschijnlijk sowieso zou aflikken bij een stad met een heuse minister-president. Totdat hij zich zou realiseren hoe beperkt diens macht is.

Dat komt al in heel kleine dingen tot uiting. Freddy Thielemans blokkeerde bijvoorbeeld deze zomer de aanleg van het tijdelijke fietspad waartoe Vervoort opdracht had gegeven. Officieel moet Thielemans doen wat Vervoort zegt, want de weg in kwestie valt onder de bevoegdheid van het Gewest, maar in Brussel is altijd een achterdeur te vinden. In dit geval: de politie simpelweg geen opdracht geven de signalering van de wegwerkzaamheden uit te voeren.

Maar de machteloosheid speelt ook bij grote projecten als de Europese wijk, die als een koekoeksjong inmiddels het hele gebied ten oosten van de vijfhoek in beslag neemt en zich uitstrekt over het grondgebied van vier gemeentes. Vergeefs is het afgelopen decennium gepraat en gestudeerd om de instellingen over het Gewest te verspreiden, wat zowel Brussel als de Europese Unie meer armslag zou geven. Maar de koekoek, die al 90 hectare kantoren in beslag neemt, blijft koppig in het bestaande nest zitten.

Het gebrek aan slagkracht van het Gewest is niet verwonderlijk: het is oorspronkelijk helemaal niet bedoeld als een stedelijk samenwerkingsverband, maar als een politieke constructie om de instabiele Belgische staat te schragen. Ruim dertig jaar geleden kregen Wallonië en Vlaanderen bij de Tweede Staatshervorming allebei de status van Gewest, met een eigen regering en een eigen parlement. En tja, toen moest er ook iets worden verzonnen voor Brussel, dat midden in Vlaanderen ligt. Er zat dus niets anders op dan ook van Brussel een Gewest te maken.

Alsof Vervoort het al niet lastig genoeg heeft om de burgemeesters op zijn grondgebied onder de duim te houden, moet hij de strijd ook nog eens voeren met één hand op zijn rug gebonden. Hij heeft namelijk niets te zeggen over onderwijs, cultuur en andere ‘persoonsgebonden’ onderwerpen, die verantwoordelijkheid ligt in België niet bij de Gewesten, maar bij de Gemeenschappen. Elke taal – Nederlands, Frans en Duits – heeft haar eigen Gemeenschap, die op haar beurt een eigen regering en een eigen parlement heeft. In Vlaanderen is dat geen probleem: Gewest en Gemeenschap vallen keurig samen, maar in Brussel vechten beide bestuurslagen elkaar vaak de tent uit: ‘Iedereen bevoegd, niemand verantwoordelijk.’

Brussel heeft niet alleen 19 burgemeesters, 685 raadsleden en 200 wethouders, maar ook nog 89 regionale afgevaardigden, vier ministers, drie staatssecretarissen en een minister-president. Dat wil overigens niet zeggen dat er bij elkaar opgeteld ook letterlijk duizend-en-een functionarissen zijn, want België grossiert in dubbelfuncties en Brussel is daarop geen uitzondering. Bijna elke minister is tevens burgemeester en houdt zijn ‘zitje’ in de gemeente warm. Officieel om contact te houden met de man in de straat en de problemen aan de basis, maar duidelijk ook om bij politieke tegenwind verzekerd te zijn van een vangnet. En dus moet die arme Vervoort terwijl hij Brussel probeert te besturen ook nog eens zorgen dat in Evere niet de pleuris uitbreekt. En dan moet hij bovendien nog eens zien samen te werken met de gemeentes van de Vlaamse rand, zoals de Nederlandstaligen het gebied rond Brussel noemen – de Franstaligen noemen het juist de ‘périphérie bruxelloise’.

Rudi Vervoort zit gevangen in een institutioneel web dat niet is gedacht om een metropool te besturen, maar als stootblok tussen francofonen en Nederlandstaligen. De francofone burgemeesters van de negentien baronieën willen koste wat kost voorkomen dat er macht naar het Gewest gaat, waar de Nederlandstaligen de helft van de ministersposten hebben. De Nederlandstalige burgemeesters van de randgemeenten – eveneens negentien in getal – verzetten zich tegen samenwerking met het Brussels Gewest, juist omdat ze de Franstalige invloed vrezen. Zo is buurgemeente Machelen in een bittere concurrentiestrijd met het Gewest verwikkeld over de vestiging van shoppingmalls. Op een afstand van nog geen 10 kilometer van elkaar worden nu drie winkelcentra ontwikkeld, die stuk voor stuk groter zijn dan Hoog Catharijne. De problemen zijn bekend – overcapaciteit, files op de ‘grote ring’, ontwrichting van de binnenstad – maar de noodrem is niet te vinden.

De bizarre structuur van Brussel zit vol mazen en kieren, elke grens is breukvlak en rafelrand ineen. In deze chaos legt de logica het vaak af en de gevolgen daarvan zijn ernstig: segregatie, vervuiling, armoe, corruptie – de problemen reiken veel dieper dan de correspondent van de Libération aanstipte.

Dat in de eigenzinnigheid van Brussel tevens een tragische schoonheid schuilt, een collateral beauty,doet aan deze problemen niets af, noch maakt dat de onmacht van het bestuur en de verziektheid van de structuur acceptabel. Integendeel, juist uit liefde voor deze licht absurde stad kun je haar alleen een burgemeester toewensen die het bestuur daadwerkelijk ter hand zou kunnen nemen, die haar de kans zou geven de rising city te worden die Barber ons voorspiegelt. Voor de anarchie staan de Brusselaars zelf wel garant.