Een ogenblik van zwakte

Waarom rouwde de wereld om de dood van een Amerikaan? Waarom kwam er zo plotseling een Kennedy-hbs in Dongen, een rue Kennedy in Parijs, een Kennedy-bos in Israël, een Kennedy-Rheinbrücke en een Cape Kennedy?

In 1974 kwam ik voor de eerste keer in aanraking – letterlijk in aanraking – met de Kennedy-idolatrie. Ik streelde een historisch beladen, glad stuk hout. De houten leuningen van de brug waar Ted Kennedy in 1969 dwars doorheen reed waren toen al voor de tweede keer vervangen. Ramptoeristen hadden de eerste reparatie geruïneerd. Eerst hadden ze met honderden zakmessen, schroevendraaiers, priemen en beitels hun namen in het hout gekerfd en gestoken. Anderen hakten de naam van Kennedy’s verdronken passagier erin, Mary Jo Kopechne, soms met een kruis erachter. Later sneed en zaagde men erop los om stukken mee te nemen als souvenir. Tot er geen leuning meer over was.

Nu leunden mijn vriendin Ann en ik tegen de nieuwe en hoorden dit relaas aan van een strandwacht, een kerel van een jaar of vijftig die waakzaamheid uitstraalde. De laatste jaren waren toeristen minder agressief geweest, en anders kwamen ze hém tegen! Tegenwoordig namen ze er genoegen mee met de hand over het hout te glijden. Net als wij. ‘Zoals ze doen in Maria’s grot in Lourdes,’ zei Ann: ‘Gladgewreven door miljoenen handen.’ Een zucht van de strandwacht: ‘Tja, katholieken hè, de Kennedy’s.’ Lekker veelbetekenend! En wég liep hij.

Wij tuurden nog een tijdje over de brugleuning in het water. Zó diep was het nou ook weer niet. Door het zeewier was de zanderige bodem te zien. Onbegrijpelijk dat Ted zijn gezellin die nacht, vijf jaar geleden, niet had kunnen opduiken.

O ja: natuurlijk streelde ik het gladde hout niet vanwege welke Kennedy dan ook; het voelde gewoon lekker aan.

Wij logeerden vlakbij, in Anns familiehuis aan de kust van het dunbevolkte eiland Chappaquiddick, niet ver ook van het huurhuis van waaruit Ted Kennedy met Mary Jo was weggereden op die fatale avond. Wij hadden het erover gehad op de veerboot, toen we in de verte het dorp Hyannis zagen liggen met de Kennedy family compound: geen Kennedy kan je los zien van de familie. Ook JFK niet.

De jaren zestig waren euforisch begonnen met de Kennedy’s als First Family en de geboorte van John jr. Maar in de zomer van 1963 stierf hun zoontje Patrick, nog geen twee dagen oud. Na de moorden op John en Robert haalde weduwe Jacky de wereldpers door te trouwen met de Griekse miljonair Ari Onassis en het decennium eindigde in mineur met het ongeluk op Dike Bridge en Teddy’s vermeende schuld aan de dood van de jonge vrouw.

Als dit geen stof is voor mythevorming rond de Kennedy-dynastie, dan is het geen dynastie. Maar dat is het wel. Ook nu nog. De Bush-clan kan niet in de schaduw staan. De faam, de verguizing en verheerlijking van John F. Kennedy is een halve eeuw na zijn dood onlosmakelijk verbonden met die van de rest van de familie, inclusief de kouwe kant. Van Caroline Kennedy tot Arnold Schwarzenegger, van pater familias Joe en moeder Rose tot John jr. – John-John voor het liefkozende publiek.

Mijn vriendin Ann, een wees opgenomen in een gezin van liberals met oud geld, was nogal gevoelig voor de ‘Camelot’ in JFK. Zij schurkte aan tegen diens kring van ‘the Best and the Brightest’, de wereld van Harvard en Yale met zijn WASPS, good breeding en stiff drinks. Die wereld bestond toen nog. En dus was het onopgesmukte (zo hoort het met oud geld) houten huis op Chappaquiddick Anns favoriete plek. Ik ging graag mee.

Over de Kennedy’s kregen we daar spetterende ruzie. Dat was te wijten aan onze verschillende achtergronden. Over die van haar zeg ik verder niks. (Zij is minder discreet: onze niet al te vrolijke correspondentie heeft ze verkocht aan Yale University.)

*

Zijn kinderen waren echte Kennedy’s. Zijn driejarige zoon John F. jr. groette stram als een man de baar van zijn vader en zijn zesjarige dochter Caroline troostte haar moeder. Zij keek naar haar op. Toen zij tranen zag rollen achter de zwarte voile greep zij de hand van haar moeder en aaide erover.1

De moord op president Kennedy deed mij niets. Nou ja, de foto met de saluerende John jr. vond ik wel schattig, geloof ik. Maar veel treurnis bij de medestudenten op de Arnhemse toneelschool was er niet. Of herinner ik me niet. Ik weet dat ik – wat doet het ertoe – in een door Marcel Breuer ontworpen stoel zat te kijken naar de zwart-wittelevisie in de kleine foyer van de school. Stoelmodel Wassily, met cognacbruin leer.

Ik was alleen. Ik wachtte op Manja voor een doorloop van een paar scènes.2 Een maand later zou het lerarenkorps de bijl laten vallen en de helft van ons van school sturen vanwege onvoldoende talent. Op 22 november 1963 was het nog niet zover. Er werd gerepeteerd onder hoogspanning. Er werd geoefend. Er werd gefoeterd, geschreeuwd, geroddeld en gehuild. Schitteren in Strindbergs Droomspel of in Hugo Claus’ Bruid in de morgen had een hogere prioriteit dan treuren om de dood van de Amerikaanse president. Voor acht van de zeventien eerstejaars met wie ik aantrad mocht al dat gedoe niet baten. Ík overleefde de slachting van december ’63.

Waarom ik niet rouwde om de dood van de Amerikaan kwam evenwel door het milieu waaruit ik stam, de achtergrond die de schuld kreeg van de culturele kloof tussen Ann en mij. Good breeding, vind ik nog steeds. Mijn grootvader was anarchist, mijn ouders waren antifascisten en verzetsmensen. In hun optiek was verheerlijking van leiders, zeker van charismatische politici, levensgevaarlijk. Op mijn negentiende had ik mij, zoals dat gaat, losgemaakt van het ouderlijk huis, maar heel bewust niet van deze opvatting. Dat een heel volk fout kan zijn was immers bewezen in Duitsland. Mijn vader waarschuwde: in de massa verlies je de macht over jezelf. Massaal achter één vlag aan lopen, massale samenzang, massaal scanderen van leuzen, het was ons thuis een gruwel. En was het geen historisch feit dat de opmaat tot die verpletterende eendracht bestond uit leiderschap dat aanbidding afdwong?

De frictie tussen deze wetenschap en mijn keuze voor het beroep van acteur, voor charisma en applaus, ontging me nog.

In 1963 was Kennedy voor mij natuurlijk geen Hitler, maar wel een charismatische politicus die je alleen al om die reden extra kritisch diende te bekijken, terwijl hij ook nog was geboren met een gouden lepel in zijn mond. En wat had hij nou helemaal gepresteerd?

*

Een Amsterdamse huisvrouw dacht er zo over: ‘Ik weet niks van politiek. Maar Kennedy gaf je het gevoel, dat er geen oorlog zou komen.’

Dat een Amsterdamse huisvrouw niets wist van Kennedy’s militaire inzet in Vietnam kon niemand verbazen. Maar dat Simon Vinkenoog, een obsessieve krantenlezer en archivist, de escalatie onder JFK had gemist of verdrongen, dat was een schok voor me, daar in Simons gezellige woonkamer aan de Noordermarkt. Boekenkasten aan de wand, de Amerikaanse vlag als onschuldige sprei over het bed, Simon achter zijn bureau in de weer met krantenknipsels, en ik met de poes op schoot en een kop kruidenthee. Het was 1965; we luisterden naar een favoriete plaat in huize Vinkenoog, de lp Turn!, Turn!, Turn! van The Byrds, en zij zongen:

He was a friend of mine,

he was a friend of mine

His killing had no purpose,

no reason or rhyme

Oh, he was a friend of mine

He was in Dallas town,

he was in Dallas town

From a sixth floor window

a gunner shot him down

Oh, he died in Dallas town

He never knew my name,

he never knew my name

Though I never met him

I knew him just the same

Oh, he was a friend of mine

Leader of a nation for such

a precious time

Oh, he was a friend of mine

Jawel, turn, turn. Turn on or tune out. Wat mij betreft: tune out. Was dit nu een product van de counter culture? Van de underground? Luidde dit de draai in naar een nieuwe tijd? Fijne vriend, die vriend van de paus in Rome, die anticommunist die nooit afstand had genomen van het McCarthyisme en nu de geheime, maar niet zo geheim gebleven strijd opvoerde tegen het communisme in Zuidoost-Azië.

Maar Simon bleek een Kennedy-fan te zijn. Het dagblad De Telegraaf kon bij ons in die tijd geen goed doen, maar ik had bij Simon, de verzamelaar, toch de hagiografie gevonden die twee Telegraaf-journalisten al een maand na de moord publiceerden. KENNEDY, President voor ons allen. Voer voor fans. Ik leende het boek en gaf het nooit terug. Met instemming citeren de schrijvers een Amerikaanse collega: ‘Met zijn jonge vrouw werd hij het symbool van Amerika, dat zichzelf graag jong voordoet, vol hoop op de toekomst, met geloof in eigen kracht en in zijn mogelijkheden om de wereld te verbeteren.’

Simon was voor dit beeld gevallen, vreesde ik. Ann trouwens ook. Simon, omdat hij het optimisme van de Love&Peace-cultuur omarmde, bij Ann kwam er een hoop Ivy League-snobisme aan te pas. Jong, jong, jong. Dat was wat iedereen trok. En de stijl natuurlijk. Alhoewel… het bleef nauwelijks te vatten dat hippies en rockers erdoor werden verleid…:

Het Witte Huis verbleekte van de pracht en praal die het onder het sprankelende beheer van een naar buiten gekeerde president en een cultureel begaafde First Lady bleek te kunnen ten toon spreiden. Nog nooit had het Witte Huis zoveel overeenkomst vertoond met het Château de Versailles. ’s Avonds goten kroonluchters hun zachte schijnsel over klinkende feesten of klaterende ontvangsten.

*

Ondanks mijn afkeer raakte ik midden jaren zeventig toch in de Kennedy-mythologie verzeild, maar dan anders. Ann en ik hadden inmiddels een knipperlichtverhouding, en ik was veel weg uit de stad. Ik werkte met Kennedy-haters in Washington en Florida. Als journalist onderhield ik een gespannen relatie met een netwerk van hele en halve terroristen, CIA-freelancers en militante anticommunisten. Idioten, vond Ann, en ik deed idioot werk. Maar ze hoorde me graag uit. Het ging over haar wereld. Alles wat maar rook naar Massachusetts, naar Boston, naar Harvard en Yale, naar Ivy League, heel dat zogeheten East-Coast Liberal Establishment werd gehaat door mijn fijne contacten. De haat zat zó diep dat hun bloed vijftien jaar na dato nog kookte van wraakzucht en moordlust vanwege Kennedy’s verraad tijdens de Varkensbaai-invasie in april 1961. De kersverse president had het invasielegertje in de steek gelaten en dat had honderden anti-Castro-strijders het leven gekost.

Een groepje lieden dat in de jaren zeventig de haat als een ongeneeslijke ziekte met zich meedroeg verzorgde namens president Nixon de inbraak in het Watergate-complex bij de Democratische Partij – de partij van de vervloekte Kennedy tenslotte. Een paar van hen, anti-Castro-Cubanen, maakten mij in Miami in opgewonden sessies deelgenoot van hun krankzinnige wereldbeeld, waarin de Rockefellers en de Kennedy’s geheim agenten van Moskou waren. We waren nog niet van hen af! Ze werkten samen met de World Anti-Communist League, Opus Dei en Zuid-Amerikaanse dictators (Operatie Condor) en maakten plannen voor aanslagen en staatsgrepen. Van de weeromstuit begon ik de anticommunist JFK sympathieker te vinden.

Eén van de voor die inbraak veroordeelde mannen bezocht ik in de gevangenis: Eglin Air Force Base in de Florida-panhandle. De legendarische CIA-agent Howard Hunt, een bleke, kille vent van achter in de vijftig, bracht daar de dag door met verplicht werk in de wasserij. En als altijd schreef hij (hij publiceerde meer dan tachtig boeken). De Varkensbaai-episode zat hem nog steeds hoog. Toen al speelde hij een hoofdrol in de complottheorieën over de moord op Kennedy. Maar ik kwam bij hem niet verder dan het verhaal over de Groep van 40, de groep die hij in Mexico had klaargestoomd om na de staatsgreep de nieuwe regering van Cuba te vormen. Na de mislukking had Kennedy gedaan of zijn neus bloedde. Groep van 40? Nooit van gehoord.

Over de moord hield Hunt de kaken op elkaar.

Jaren eerder, tijdens het befaamde Monterey Pop Festival, twee jaar nadat The Byrds mij bij Simon Vinkenoog in het verkeerde keelgat waren geschoten, had bandlid David Crosby de hippe massa toegesproken over die moord. De ware toedracht wordt verdonkeremaand, riep hij, getuigen worden vermoord. En dat is dan ons land!

Lachwekkend. Vond ik toen. En vond ik nog steeds toen Ann erover begon op Chappaquiddick. Maar een paar jaar later, na de jaren met Howard Hunt en consorten, hoonde ik de complotdenkers minder gemakkelijk op z’n Hollands weg. De negatieve Kennedy-obsessie van Hunt en consorten schiep twijfel.

In mijn hoofd begon een nieuwe Kennedy te ontstaan, of eigenlijk twee Kennedy’s. De ene belichaamde het kwaad in de vorm van een slappe en sluwe fellowtraveller, een verrader, heuler met negers, een elitaire rijke nietsnut, een gevaar voor de bedreigde vrije wereld. De andere Kennedy die ik geleidelijk aan ging zien was een gemankeerde president, die in eigen land weinig verbeterde, maar wel wetgeving introduceerde voor de burgerrechten van zwarten, en in de Koude Oorlog Chroesjtsjov had weten te beteugelen in Cuba en Berlijn.

Alle uitzonderlijke eigenschappen, die Kennedy tot de ware president-voor-ons-allen hebben gemaakt, traden het stralendst aan het licht in de onverschrokken dapperheid, die hij toonde in de spannendste dagen van oktober 1962, in de week van de tweede Cuba-crisis. […] John F. Kennedy, de man die eens werd gedoodverfd als de Roosevelt-zonder-hart, moest kleur bekennen in een hachelijke partij poker, een spel zonder weerga. Hij trok troef en won een nog hogere prijs dan de honderdduizend. Hij won de wereldvrede.

De mythe had me beet; ik begon over hem te lezen en verslond tientallen boeken over de man en de moord. De Kennedy-bugkroop in m’n kop.

*

Vlak voor de presidentsverkiezingen van 1976 organiseerde ik een debat in Cooper Union, aan de kop van The Bowery, toen nog een arme buurt op Manhattan. Het land zat in een recessie. Als voorzitter had ik de Kennedy-vriend professor Henry Steele Commager gestrikt. Voor de campagne van JFK had hij steun gemobiliseerd in academia. In het panel zat naast Susan Sontag en I.F. Stone onder anderen de sociaal-democratische presidentskandidaat Michael Harrington. JFK had beweerd dat Harringtons boek The Other America hem inspireerde in zijn strijd tegen de armoede. Loze praat: bij zijn dood waren de armen nog even arm. Nu had Harrington een nieuwe analyse van het land gepubliceerd, The Twilight of Capitalism. Maar Commager had geen behoefte aan wat hij afdeed als ‘neomarxisme’. Armoede kon je goed bestrijden binnen het systeem, en armoedebestrijder Ted Kennedy was zijn held. De professor was begonnen diens toespraken te bundelen en te bezorgen.3

Kort na ons debat verscheen van Commagers hand The Empire of Reason: How Europe Imagined and America Realized the Enlightenment. Amerika als het Rijk van de Rede! Je moest wel over een zeer professorale bril beschikken om Amerika na de moorden en opstanden van de hallucinogene jaren zestig te zien als een land zonder God en gekken. Zonder hype en hoopla.

Het was mij met de paplepel ingegoten: als de massa mij zou opnemen, dan kon ik niet instaan voor redelijk gedrag. Zonder idolatrie. Maar hoe redelijk was ik buiten die massa, als zelfverklaard onafhankelijke geest?

*

Ik trok me terug in East Hampton. Het baatte weinig. In 1977 reed de halve Kennedy-clan langs mijn huis aan Cedar Street in East Hampton. Men ging weer eens een familielid begraven. Nu had Edie Ewing Bouvier Beale de geest gegeven, een tante van de inmiddels tweevoudige weduwe Jacky Bouvier Kennedy Onassis. Big Edie (haar dochter werd Little Edie genoemd) was beroemd door de documentaire Grey Gardens. Het excentrieke huishouden van moeder en dochter in hun verslonsde, door katten bescheten huis trok volle zalen. Verarmd oud geld, gelieerd aan de Kennedy’s, dat hielp. Op deze februaridag werd Big Edie begeleid naar het familiegraf van de Bouviers op de Most Holy Trinity Catholic Cemetery, verderop in mijn straat.

Het kostte moeite de verleiding te weerstaan om te gaan kijken. Zo veel beroemde mensen, zo dichtbij. Maar ik hield stand. Had ik toegegeven dan zou ik er nu al vijfendertig jaar mee hebben kunnen pronken: ik had heel wat names kunnen droppen. Want wie was er niet? Lees er Andy Warhol’s Exposures maar op na.

Wat een pech trouwens voor Ann: zij had gedacht dat een beetje afstand tussen ons nuttig was en was achtergebleven in haar loft in Tribeca. Onverteerbaar voor haar, dat ik haar niets kon vertellen. Over Jacky, over haar zus Caroline die zich Lee Radziwill noemde, over Truman Capote, over de Kennedy’s… Ze werd gek van mijn inertie. Maar ik was een hypocriet. En laat ik maar bekennen dat ik ervan droomde bij het verjaarsfeest van John Kennedy te zijn geweest om Marilyn Monroe daar ‘Happy Birthday, Mr. President’ te horen zingen. Monroe! Had die later niet iets met Robert Kennedy?

Het was winter in East Hampton, koud en eenzaam. Het hoofd maalde en het waren niet de meest hoogstaande zaken die erin rondtolden.

Eenendertig jaar later, in de aanloop tot de presidentsverkiezingen die door Obama zouden worden gewonnen, was ik terug in de Hamptons en heb ik Edie Beales graf alsnog bezocht. Er lag een roos bij de gedenksteen.

Ik hoorde dat de nieuwe bewoners van Grey Gardens een party organiseerden om de campagnekas van Obama te spekken. Ook in Amerika is de wereld klein: Grey Gardens was gekocht en gerestaureerd door Sally Quinn en Ben Bradlee. Dezelfde Bradlee die hoofdredacteur was toen The Washington Post het Watergate-schandaal onthulde dat president Nixon – Kennedy’s vroegere opponent – de kop kostte en waarvoor Howard Hunt in de gevangeniswasserij belandde (zie All the President’s Men).

De toestroom van volk naar het graf van Big Edie hield geen jaren aan en was minder groot dan het ramptoerisme naar Dike Bridge, waar Ted Kennedy zijn kans op het Witte Huis liet verzuipen. Een miezerig aantal vergeleken met de miljoenen die JFK’s graf bezochten en bezoeken.

Zijn postume populariteit dankt John F. Kennedy niet alleen aan de nimmer rustende meute mythemakers. Kijk wat Jacky eraan bijdroeg. Tegen de wil van de meeste familieleden in regelde zij de dag na de moord al dat haar man niet zou worden begraven op het pittoreske katholieke Holyhood-kerkhof bij Boston, maar op Arlington National Cemetery in Washington. Ze liet haar kinderen Arabella (doodgeboren, 1956) en Patrick (40 uur oud, 1963) opgraven in Massachusetts en herbegraven naast hun vader. En ze kreeg het voor elkaar dat het graf werd voorzien van een Eeuwige Vlam. De eerste drie jaar schuifelden er 50.000 mensen per dag langs. In 1971 kwamen nog 7 miljoen bezoekers hun eer bewijzen of nieuwsgierigheid bevredigen. Jacky Kennedy creëerde een bedevaartsoord. Haar eigen rustplaats zocht zij ook uit: niet in het familiegraf van de Bouviers in Cedar Street, East Hampton. Zij ligt naast JFK. De eeuwige vlam brandt ook voor haar als aanjager en onvervreemdbaar deel van de JFK-mythe.

*

Tijd voor een laatste bekentenis. In 1999 was ik in de VS toen John Kennedy jr. bij een vliegtuigongeluk om het leven kwam. Hij zat aan de stuurknuppel op weg naar het vliegveld van Martha’s Vineyard en stortte in zee. Zijn vrouw en schoonzus verdwenen met hem in de golven. Opnieuw een Kennedy-drama dat het nieuws dagenlang beheerste.

John jr. was zeventien dagen na de overwinning van zijn vader geboren, in november 1961. Met zijn drie jaar oudere zusje Caroline had hij het beeld vervolmaakt van het ideale jonge gezin in het Witte Huis. De foto- en filmopnamen van John en Caroline in het Oval Office, in de zee bij Hyannis, en bij de begrafenis van hun vader zijn onvergetelijk. Ik zag ze opnieuw, anders dan in 1963 natuurlijk op een kleurentelevisie. En het greep me naar de keel. Maar wat had het met mij van doen?

Het duurde nog een tijd voordat de lijken waren opgevist. De avond nadat de vondst bekend was gemaakt, verzamelden honderden rouwende mensen zich voor de deur van Johns loft in Tribeca, drie straten van het huis van Ann. En ging er een Kennedy-moment aan haar neus voorbij. Zij was de stad uit om zomercolleges te geven. Op Yale. En daarna uitrusten op Chappaquiddick.

Wederom was ik er wél. En hoe. Laat ik het gooien op een paranormale kracht in mij – niks katholieks, geloof ik (wat bedoelde die strandwacht op Dike Bridge in hemelsnaam te zeggen, toen we het kregen over de grot van Maria in Lourdes?), maar wel alsof een extra zintuig mij leidde: in een uptown-hotel voelde ik de aanzuigende werking van die kleine massa! En dit keer bood ik er geen weerstand aan.

Daar stond ik dan, tussen duizend stille jonge mannen en vrouwen, tussen gefluister en gesnik, nog net geen waxinelichtje in de hand. Een ogenblik van zwakte, zeg ik maar. Ik was veranderd in een meeloper. Mijn vader wist het: die meeloper zat er altijd al in. Die Mitläufer sind unter uns.

Terwijl de laatste beelden uit Washington vervaagden op de schermen en de kijkers met een gevoel van leegte naar hun toestel keken, groeide het besef, dat ook de Tsjechoslowaak, dat ook de Alkmaarder, dat ook de Siciliaan, de Portugees en de Ier een goede vriend hadden verloren.

‘He was a friend of mine,’ zong David Crosby toch al? Goeie plaat, Simon!

***

Referenties

1. Alle citaten in dit artikel uit KENNEDY, President voor ons allen door Otto Kuijk en Bart van Veen van dagblad De Telegraaf, Amsterdam, 1963.

2. Ann en Manja dragen in werkelijkheid andere namen.

3. Our Day and Generation: The Words of Edward M. Kennedy.