Ik zou mij schamen

Of dat ik weer de straat aantrek alsof ik jong was
Met nieuwe kranten, een kartonnen huis, mijn geestverwanten
Luid achter het hek, dat ik een biertje meeneem en bedel
Om zijn saamhorigheid, hem voorlees uit de vaart der volken
Tot mijn eigen waarachtigheid – ik zou mij schamen.

Of dat ik Afrika aantrek en mijn geestverwanten
Zo vast verwesterd in het Westen hun congé geef
Dus dat ik Afrika aantrek als mijn eigen ngo
Mijn eigen ego sterk aan goede werken
En zo tot armoede verval – ik zou mij schamen.

Of dat ik weer optrek tegen mijn ouders en mijn meesters
En dat ik zo de lange weg ga langs de breuklijn
Van de vrijheid, van de luidspraak van de oude geestverwanten
Naar de nieuwe, en ten slotte naar een cel van stilte
Met het zwijgen van de eenzaamheid – ik zou mij schamen.

Of dat ik mij uithoud in mijn eigen goddeloze
Existentie, zonder grond en zonder liefde, zonder
Geestverwanten, zonder eigenliefde dan de trots te staan
In het oog van de waarheid, dat ik mij daarvoor gulzig
Schaam in mijn aangespannen spieren – ik zou mij schamen.