Tussen taal en verbeelding

De vier treden van het literair engagement

Wat wil de maatschappij toch van schrijvers, telkens als er weer opgeroepen wordt tot meer engagement in de literatuur? Actie? Sociaal-realistische verhalen? Romans die op het Binnenhof spelen? Opiniestukken over de dagelijkse actualiteit? In zijn Frans Kellendonklezing 2015 betoogt Maarten Asscher dat de hoogste vorm van literair engagement heel ergens anders is te vinden.

Vele duizenden mensen hebben intussen hun handtekening gezet onder een steunbetuiging aan Erri De Luca. Die Italiaanse schrijver, van wie ook diverse boeken in het Nederlands zijn verschenen, heeft het gewaagd om zich publiekelijk te keren tegen de aanleg van een meer dan 30 miljard euro kostende hogesnelheidslijn tussen Lyon en Turijn. Een volstrekt onnodig, geldverslindend en voor het milieu uiterst belastend project, aldus De Luca, dat slechts dient om de kas te spekken van het consortium dat de aanleg en exploitatie van de lijn op zich mag nemen. De schrijver heeft zich niet alleen bij herhaling tegen dit mammoetproject uitgesproken, hij heeft ook tegenover de Huffington Post bevestigend geantwoord op de suggestieve vraag van een journalist of sabotage ook een legitiem middel zou zijn om de plannen voor deze spoorlijn dwars te zitten. Dat nu schoot de bazen van het spoorwegconsortium in het verkeerde keelgat. Zij dienden een strafklacht tegen De Luca in en het proces – een strafproces dus, geen civiele procedure – is eerder dit jaar in Turijn van start gegaan.
Een tweede voorbeeld, minder actueel, maar wel een markant geval, is de Noorse schrijver Knut Hamsun, die in mei 1943 de gouden medaille en het diploma behorende bij de Nobelprijs die hem in 1920 was toegekend, demonstratief toestuurde aan Joseph Goebbels. In zijn begeleidende brief schreef hij: ‘Ik ken niemand, mijnheer de Minister, die zich op zo idealistische en onvermoeibare wijze jaar in jaar uit schriftelijk en mondeling voor Europa en de mensheid heeft ingezet als U.’
De vraag is: zijn dit nu voorbeelden van literair engagement? Op het eerste gezicht lijkt dat zo te zijn, al zullen velen het oneens zijn met, in het ene geval, het gehanteerde middel en, in het andere geval, het gekozen doel. Ik zou zeggen: het gaat in beide gevallen zeker om engagement, in de zin dat iemand zich sterk maakt voor een zaak die buiten zijn eigen belang ligt. Maar hoewel die iemand in alle twee de gevallen een schrijver is, zou ik er toch bezwaar tegen hebben om dit literair engagement te noemen, althans het is er een zeer basale vorm van. Wat er in beide gevallen gebeurt, is dat een schrijver als persoon voor een bepaalde zaak ten strijde trekt. Dus niet met de pen, maar als mens, metterdaad handelend, gebruikmakend van zijn publieke bekendheid als schrijver.
Zo kun je ook denken aan de schrijver Jef Last, die in 1936 naar Spanje afreisde om daar in de internationale brigades tegen Franco’s nationalistische troepen te vechten. Of aan Anton Dautzenberg, die in 2011 uit protest lid werd van de inmiddels verboden pedofielenvereniging Martijn. In een naderhand geschreven artikel beargumenteerde Dautzenberg zijn daad met te zeggen: ‘Schrijvers moeten durven irriteren, verwarren en verwonden, ongeacht de gevolgen.’ Op een dergelijke activistische manier zijn schrijvers als Rudy Kousbroek en Maarten ’t Hart ook wel als ‘lijstduwer’ voor een politieke partij opgetreden.
Je zou dit de eerste trede van het engagement kunnen noemen. Gebruikmakend van de publicitaire waarde van een persoonlijke reputatie komt een schrijver als mens – dus niet als schrijver – in actie, in de hoop daarmee verschil te maken. Maar met het schrijverschap als zodanig houdt dat inhoudelijk geen verband. En al zeker zou ik niet willen volhouden dat alle schrijvers zich in enigerlei mate verplicht zouden moeten voelen om op deze wijze maatschappelijk of politiek actief te zijn. Als je al specifieke eisen aan schrijvers wilt stellen, dan zouden die toch in het bijzonder op de inhoud of de strekking van hun schrijverschap betrekking moeten hebben.

J’accuse

De tweede trede van het engagement doet zich dan ook voor wanneer een schrijver, uitgedaagd door de actualiteit of door gebeurtenissen in de buitenwereld, zich schriftelijk of mondeling uitspreekt voor of tegen een bepaalde sociale, maatschappelijke of politieke kwestie. Niet dus de barricaden op of ergens lid van worden, maar als schrijver actie ondernemen. Niet als ingrediënt van het literaire werk zelf, maar als een journalistieke tussenkomst van het literaire schrijverschap. Het klassieke voorbeeld van deze soort engagement is de brief die Émile Zola onder de titel ‘J’accuse’ op 13 januari 1898 op de voorpagina van het Franse dagblad L’Aurore publiceerde om stelling te nemen tegen het onrecht van een antisemitische samenzwering tegen de Joods-Franse legerkapitein Alfred Dreyfus. Een moderner Nederlands geval van een dergelijk actueel engagement was dat van de schrijfster en criminologe Andreas Burnier, die op het hoogtepunt van het euthanasiedebat in Nederland midden jaren tachtig van de vorige eeuw, in een pamflet buitengewoon fel uithaalde naar de voorstanders van die wijze van levensbeëindiging.
Het is geloof ik deze categorie engagement waar minister-president Jan Peter Balkenende op doelde, toen hij op 3 oktober 2006 een brief schreef aan Harry Mulisch waarin hij alle intellectuelen en alle kunstenaars van Nederland (per adres Leidsekade 103 te Amsterdam) opriep om nu eindelijk eens een bijdrage te leveren aan ‘de vorming van de Europese identiteit’. ‘Waarom horen we toch zo weinig van onze schrijvers?’, zo wilde Balkenende van Mulisch weten. Er zou, aldus de premier, ‘een groot, vlammend publiek debat gevoerd moeten worden [...] over onze gezamenlijke toekomst [...] over dat wat ons bindt [...] over eenheid in verscheidenheid’. ‘Maar waar,’ zo sluit Balkenende zijn epistel pathetisch af, ‘is het engagement gebleven?’ Die uitroep was en is lachwekkend, niet omdat Balkenende als politicus maatschappelijke eisen stelde aan schrijvers, maar omdat hij kennelijk jarenlang geen enkel Nederlands literair tijdschrift, week- of dagblad had ingekeken, anders zou hij letterlijk gestruikeld zijn over beschouwingen, lezingen, columns en polemieken uit de pen van schrijvers als Ian Buruma, Adriaan van Dis, Maarten Doorman, Marjolijn Februari, Joke Hermsen, Geert Mak, Marcel Möring, Nelleke Noordervliet, Cees Nooteboom, Willem Jan Otten, Thomas Rosenboom, Stephan Sanders, Michaël Zeeman, Joost Zwagerman, om slechts enkele namen te noemen. Me dunkt dat we in Nederland op dit punt bijna dagelijks door Nederlandse auteurs van de meest uiteenlopende politieke gezindten op onze wenken bediend worden.

Literatuur als reservaat?

Toch gaat de roep om engagement nog een stuk verder, in de zin dat degenen die oproepen tot meer engagement van schrijvers ook inhoudelijke, actuele eisen wensen te stellen aan het literaire werk zelf, dus niet slechts aan de persoonlijke gedragingen of de journalistieke uitingen van een auteur. Je zou dat de derde trede van het engagement kunnen noemen: in een boek voert een schrijver een actuele sociale, maatschappelijke of politieke kwestie ten tonele. Dat wil zeggen dat een auteur zich in de kern van zijn schrijverschap, namelijk in het primaire literaire werk, bezighoudt met wat de Leidse hoogleraar Ton Anbeek in een vermaard Gids-artikel uit 1981 aanduidde als ‘straatrumoer’: maatschappelijke vraagstukken, politieke discussies, historische trauma’s, misstanden op sociaal terrein zoals misdaad en geweld, migratie, racisme, vreemdelingenhaat, enzovoort. Ook Anbeeks jongere vakgenoot, de Amsterdamse literatuurwetenschapper Thomas Vaessens, heeft gepleit voor het binnenhalen van de buitenliteraire, actuele werkelijkheid in de romankunst. Zoals hij het in zijn voorwoord tot de tweede druk van zijn studie De revanche van de roman formuleerde: ‘De literatuur mag niet in een reservaat veranderen.’
Nu heb ik geen enkel bezwaar tegen het binnenhalen van de levende, actuele werkelijkheid in een literaire roman. Het lastige is alleen dat in het denken over deze derde vorm van engagement de hoeveelheid ‘straatrumoer’ sluipenderwijs een kwaliteitscriterium wordt, met alle funeste gevolgen van dien. Ton Anbeeks vergelijkende analyse tussen het werk van John Irving, Joseph Heller en Jerzy Kosinski enerzijds, en de in zijn ogen navelstaarderige romans van Maarten ’t Hart en Oek de Jong anderzijds, mondde aan het slot van zijn betoog uit in een pleidooi voor het werk van Anja Meulenbelt! En onder de hedendaagse literaire schrijvers voor wie Thomas Vaessens zich in zijn boek sterk maakte, wordt geen enkel kwaliteitsverschil aangebracht tussen Arnon Grunberg of Charlotte Mutsaers enerzijds en een tamelijk marginale auteur als Robert Vernooy anderzijds.
Kortom: aangezien deze soort literair engagement soms een aanwijzing vormt voor de maatschappelijke belangstelling van de auteur, maar op geen enkele manier kan dienen als indicator voor literaire kwaliteit of talent, gaat het bij dit type engagement in feite om een cultuurpolitiek of journalistiek ventweggetje dat parallel loopt aan de hoofdweg waarop het literaire werk zich manifesteert. Die hoofdweg en dat ventweggetje kruisen elkaar niet. Net zoals een film mét een sociale boodschap evengoed geniaal of stomvervelend kan zijn als een film zónder een sociale boodschap.

Morele missie

De vraag die in feite beslissend is voor de waarde die men toekent aan engagement, alsook voor de vraag welke soort engagement nu het hoogste ideaal van het schrijverschap dient te zijn, wordt in deze en andere pleidooien voor engagement, meer engagement, groter engagement zelden hardop gesteld. Dat is de vraag naar het waarom en het hoe. Waaróm is dat literair engagement zo belangrijk en hóé kan dat engagement het beste gestalte krijgen? Als het om schrijvers gaat, dienen die vragen mijns inziens niet alleen vanuit het maatschappelijke perspectief, maar vooral ook vanuit de literatuur zelf bekeken te worden. Niet vanuit de vragende partij, de maatschappij die iets van de literatuur verlangt, maar vanuit de aanbodkant, de literatuur die iets aan de wereld te bieden heeft.
Wanneer men die vragen louter in maatschappelijke termen probeert te beantwoorden, valt men onherroepelijk terug op de ‘morele missie’ van intellectuelen en op de ‘kritische en wakende functie’ die zij tegenover de macht zouden hebben. Ik vind dat een nobele gedachte, maar eerlijk gezegd geloof ik er niet in. Voor mij zijn schrijvers gewoon mensen, met precies dezelfde vrijheden en dus ook precies dezelfde verantwoordelijkheden die gelden voor filosofen, advocaten, leden van de Tweede Kamer of natuurwetenschappers. Op iemand die voor het literaire schrijverschap kiest – of het nu proza, poëzie, het essay of toneel is – rust als mens geen speciale taak of hogere zedelijke of politieke verantwoordelijkheid dan op andere mensen.
Als het gaat om een literaire benadering van het engagement bij schrijvers, dan is het zaak om te ontstijgen aan de tegenstelling tussen de voorstanders van een plicht tot engagement als morele imperatief en de tegenstanders ervan, die in verplicht engagement een aanval zien op de literatuur als vrije kunstvorm. Ik wil een poging wagen om een vierde trede van het engagement bij schrijvers te formuleren, die naar mijn overtuiging als het hoogst haalbare moet worden beschouwd waar een schrijver ten opzichte van de wereld naar kan streven. Daarbij zal ik proberen mijn redenering te baseren op wat de kern en de bron uitmaakt van het schrijven, en dat is het instrumentarium waar de schrijver zich bij uitstek van bedient: de taal.

Relativiteit

De Amerikaanse antropolinguïst Benjamin Lee Whorf (1897-1941) geldt als de belangrijkste pleitbezorger van het idee van taalkundige relativiteit. Met die term wordt het verschijnsel aangeduid dat taal en sociale werkelijkheid in een bepaald verband tot elkaar staan. Laat ik een simpel voorbeeld geven. Als er in een taal als het Frans een strikt verschil is tussen tutoyeren en vousvoyeren, dan komt dat verschil overeen met een duidelijk gelaagde maatschappij, waarin de omgangsvormen formeler zijn dan in een land waar iedereen met ‘you’ aangesproken kan worden. In het Thai, de taal die in Thailand wordt gesproken, bestaan zelfs niet minder dan negen verschillende aanspreekvormen, onder andere afhankelijk van de vraag of iemand ouder is dan de spreker of jonger, man of vrouw, van een hogere of lagere maatschappelijke status, familie of geen familie. Taal, zo suggereren deze eenvoudige voorbeelden, weerspiegelt de sociaal-culturele werkelijkheid, en de sociaal-culturele werkelijkheid handhaaft zich op haar beurt weer in de taal.
Het inzicht dat er een verband bestaat tussen een sociale cultuur en de structuur van de taal die in die cultuur wordt gesproken, werd voor het eerst op wetenschappelijke basis beschreven door de Duits-Amerikaanse antropoloog Franz Boas (1858-1942). Via diens leerling Edward Sapir (1884-1939) ontwikkelde deze cultuurrelativistische visie zich verder en werden de disciplines taalkunde en antropologie nog dichter bij elkaar gebracht, vooral op basis van uitvoerig onderzoek naar ‘native American’ en inheems-Canadese volkeren en hun taal. Vervolgens was het Benjamin Lee Whorf die in een daaropvolgende academische generatie de beslissende theoretische draai zou geven aan het idee van taalkundige relativiteit. De hypothese waar hij in samenwerking met zijn leermeester Edward Sapir de cruciale wending aan heeft gegeven, wordt in de taalkunde dan ook wel de Sapir-Whorf-hypothese genoemd, of ook wel kortweg: Whorfianisme.
Het Whorfianisme is dus een theorie, of liever gezegd een wetenschappelijk vermoeden, dat door drie opeenvolgende generaties van antropolinguïsten tussen circa 1910 en 1940 is uitgedacht en dat in een verscheidenheid van artikelen, lezingen en handboeken is verwoord. De kern ervan komt erop neer dat taal niet slechts een systeem is om vaststaande begrippen, waarnemingen en ideeën onder woorden te brengen, maar dat op de achtergrond van elke taal onbewust een heel systeem werkzaam is dat de waarnemingen en daarmee ook de gedragingen van een spreker van die taal beïnvloedt. Op die wijze wordt ons wereldbeeld tot op zekere hoogte medebepaald door een verborgen intellectuele structuur, verbonden met de grammatica van de taal die wij spreken en waarin wij denken. Van deze verbinding tussen taal en denken zijn talloze voorbeelden te geven. Er is op dit terrein bijvoorbeeld allerlei onderzoek gedaan met betrekking tot kleuren en verschillen in tijdsbegrip tussen volkeren, maar je kunt ook heel eenvoudig denken aan typische termen die karakteristiek zijn voor een bepaalde samenleving, zoals het woord ‘polderen’, het woord ‘society’ of het woord ‘Lebensraum’. Als je dergelijke woorden probeert te omschrijven, ben je in feite bezig de karakteristieken van het betreffende land uit te leggen.

Whorfianisme

Je zou zeggen dat dit alles tamelijk plausibel klinkt. Hoe kan het anders dan dat taal en sociale werkelijkheid in een bepaald verband tot elkaar staan? Toch heeft het Whorfianisme vanaf de jaren veertig direct een grote hoeveelheid kritiek te verduren gekregen, met een beroep op taalkundige, antropologische, psychologische en logische argumenten. Taaluniversalisten als Noam Chomsky, de taalkundige en psycholoog Steven Pinker, en recentelijk de taalkundige John McWhorter hebben elk op hun eigen manier geprobeerd gehakt te maken van het Whorfianisme. Volgens Pinker klopt er ‘niets, helemaal niets van’ en McWhorter betitelt de Sapir-Whorf-hypothese zelfs als totale oplichterij. Bij zo veel en zo langdurige agressieve bestrijding vanuit de gevestigde wetenschappelijke orde krijg ik altijd de neiging om te denken: kennelijk zit er toch wel degelijk iets in, anders zouden ze zich niet zo opwinden.
Hoe dan ook is het zaak om genuanceerder naar deze controverse te kijken, en als je dat doet, dan kun je in de Whorfiaanse hypothese een sterke en een zwakke variant onderscheiden. De sterke variant is de bewering dat ieder beeld van de werkelijkheid volledig bepaald wordt door de taal waarin iemand denkt. Die sterke variant wordt door niemand aangehangen, ook door Whorf zelf niet. De zwakke variant van de Sapir-Whorf-hypothese, namelijk dat taal de waarnemingen en het gedrag van mensen in een bepaalde taalgemeenschap wel degelijk beïnvloedt, wordt door niemand voor volledig onjuist gehouden en is door experimenten ook tot op zekere hoogte bewezen.
Voor het onderwerp engagement bij schrijvers wordt de toepassing van Whorfs ideeën pas echt interessant als wij de gedachte toelaten dat er een derde variant te ontlenen valt aan het werk van Boas, Sapir en Whorf. Wanneer wij de sterke versie ‘deterministisch’ noemen en de zwakke ‘relativistisch’, dan zou je die derde versie ‘pluralistisch’ kunnen noemen. Dan zou je het Whorfiaanse wereldbeeld kunnen zien als een verband tussen de oneindige diversiteit van talen en de oneindige diversiteit van culturen.

Pluralisme

Als men de hypothese van het Whorfianisme zo uitwerkt, dan wordt duidelijk dat die op wetenschappelijke basis weliswaar voor het eerst door Boas naar voren gebracht is, maar dat de oorsprong daarvan in de literatuur zelf te vinden is, namelijk bij de Duitse denkers aan wie de in 1858 geboren Franz Boas zijn intellectuele ontwikkeling ontleende. Voordat hij zich op 29-jarige leeftijd voorgoed in Amerika vestigde, doorliep hij een grondige gymnasiale en academische opleiding in Duitsland, waar hij onder meer in Heidelberg, Bonn en Kiel studeerde. Het is in dat laatachttiende-eeuwse, vroegnegentiende-eeuwse, prenationalistische Duitse intellectuele klimaat dat de bronnen voor de hypothese van taalkundige relativiteit te vinden zijn, in het bijzonder bij Johann Gottfried von Herder en Wilhelm von Humboldt.
De eerste van die twee, de filosoof, theoloog en dichter Herder (1744-1803), formuleerde in zijn werk het ideaal van een taalgebied als de basis voor een cultuurnatie. Tegenover een wereldwijd uniform begrip van beschaving, zoals dat langs de lijnen van de Franse Verlichting geïdealiseerd werd, stelde hij het ideaal van een wereldwijde verscheidenheid van afzonderlijke, elk op haar eigen manier unieke cultuurgemeenschappen, die zich stuk voor stuk bij uitstek in een taal manifesteren. De tweede, Wilhelm von Humboldt (1767-1835), ging zelfs nog verder in het poneren van een verband tussen taal en menselijke ervaring, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de programmatische titel van een lezing die hij in 1822 gaf: ‘Over het ontstaan van grammaticale vormen en de invloed daarvan op de ideeënontwikkeling’.
Een pluralistische interpretatie van het begrip taalkundige relativiteit, als een combinatie van het taalkundige Whorfianisme en het Duits-romantische ideaal van culturele verscheidenheid, komt in feite neer op vier punten:
– Ieder mens die zich wil uitdrukken gebruikt daar woorden voor.
– Die woorden heeft hij niet zelf uitgevonden, zij zijn aan hem overgedragen als een overgeërfde stroom van cultuurtraditie, gevoed door anderen die zich in diezelfde taal uitdrukken.
– Alle mensen die zich in dezelfde taal uitdrukken vormen samen een gemeenschap en hebben als zodanig onderling meer met elkaar gemeen dan mensen die zich in een onderling verschillende taal uitdrukken.
– Een talige gemeenschap vormt aldus een welomschreven uitdrukking van bepaalde ideeën of beelden van de wereld, die eigen zijn aan die gemeenschap.

Taal en verbeelding

Maar nu de schrijvers, hoe passen die in deze redenering? Ook dat laat zich mijns inziens in vier punten weergeven:
– Schrijvers willen niet slechts iets met woorden uitdrukken, zij willen vooral iets met woorden máken.
– Datgene wat schrijvers maken voegt zich in de stroom van traditie in hun cultuurgemeenschap en voedt die traditie op zijn beurt.
– Aldus dragen schrijvers bij uitstek bij aan de plaats die de cultuurgemeenschap waarvan zij deel uitmaken, inneemt in de wereld van alle cultuurgemeenschappen.
– Door bewust voor het schrijverschap te kiezen stellen schrijvers zichzelf impliciet de opdracht om door de werken die zij maken bij te dragen aan de rijkdom van hun cultuurgemeenschap en aan de uitwisseling van die rijkdom met die van alle andere cultuurgemeenschappen.
Naar mijn overtuiging is dat de kern van de vierde en hoogste verschijningsvorm van literair engagement. Niet de impuls om als persoon ergens bij te willen horen, niet de drang om zich in de media over actuele zaken te uiten, en evenmin de verplichting om binnen het literaire werk actuele kwesties te behandelen. Deze vierde en hoogste vorm van literair engagement is de opdracht die een schrijver aanvaardt door in de taal van de cultuurgemeenschap waartoe hij behoort de wereld onder woorden te brengen, door die wereld via zijn verbeelding in romans en verhalen te onderzoeken, door middel van essays te verkennen, in gedichten te verrijken en op het toneel tot leven te laten komen.
Maar betekent dat dan dat iedere schrijver zich per definitie geëngageerd mag noemen, zodra hij de pen op papier zet? Nee, want engagement is dus geen kwestie van wel of niet, maar een kwestie van gradaties. Hoe groter zijn of haar bijdrage aan de literatuur en daarmee aan het culturele wereldbeeld van een taalgebied, des te groter is het literair engagement van een schrijver.

Literair engagement

In deze door mij bepleite benadering van het onderwerp literair engagement is Émile Zola geen geëngageerde schrijver omdat hij een geruchtmakend artikel over een actuele kwestie publiceerde op de voorpagina van een krant, maar omdat hij het leven in de Franse mijnbouw portretteerde in Germinal, het seksueel misbruik door de bezittende klasse neerzette in La bête humaine, de worsteling van het impressionisme verbeeldde in L’oeuvre, het allesverterende monster van de grootsteedse commercie beschreef in Le ventre de Paris. Omdat hij in zijn twintigdelige romancyclus Les Rougon-Macquart een verbluffend beeld schetst van vijf generaties van een complete familie in de greep van politieke en economische crisis, van vastgoedspeculatie, machtswellust, uitbuiting en sociaal onrecht. Omdat de verbeelding van de door hem gecreëerde familiegeschiedenis bepalend is geworden voor ons hele idee van de Franse burgerlijke maatschappij in het midden van de negentiende eeuw.
Dat is het soort engagement waarmee Charles Dickens ons in zijn roman Little Dorrit confronteerde met de doem van het leven in negentiende-eeuwse Engelse gevangenissen, in David Copperfield met de uitwassen van het fabrieksarbeidersbestaan en in Oliver Twist met de weeshuizen en werkhuizen voor de armen. Het was geen actueel ‘straatrumoer’ dat Dickens in zijn werk toeliet, maar een diepgevoeld en op eigen ervaringen gebaseerd beeld van de wereld, een literaire verbeelding die op haar beurt ons wereldbeeld van het Victoriaanse Engeland mede heeft bepaald.
In de twintigste eeuw vind je deze hoogste vorm van literair engagement bij Franz Kafka, die nooit een ingezonden brief publiceerde of ergens lid van was en die al evenmin ‘straatrumoer’ in zijn werk opvoerde, maar die in Het proces de totalitaire bureaucratie zodanig heeft gekenschetst dat zijn naam nog altijd als adjectief gebruikt wordt ter aanduiding van de kansloze eenzaamheid van het individu tegenover de labyrintische almacht van het overheidsapparaat. Bij George Orwell, die ons met de perfide neologismen uit zijn dystopische roman 1984 tot op de dag van heden een onrustbarende blik gunt in de innerlijke wereld van de staat en zijn politieke organen. Bij Elias Canetti, die in zijn roman Die Blendung de ware, onmenselijke aard van onze beschaving toont. En bij Albert Camus, Stefano D’Arrigo, Max Frisch en zovele anderen. U mist vrouwelijke voorbeelden? Ik noem Marguerite Yourcenar, Elfriede Jelinek, Virginia Woolf, Simone de Beauvoir, Susan Sontag en Wisława Szymborska.
In Nederland kom je bijvoorbeeld uit bij Karel van het Reve, die de lezer van zijn werk de les voorhoudt helder te denken, autoriteit, jargon en humbug te wantrouwen en in plaats van enige ideologie liever het menselijk welbevinden als doel te kiezen. Je komt uit bij Hella Haasse en Rudy Kousbroek, voor wie – elk op zeer eigen wijze – de onbereikbaarheid van hun Indische wortels de inspiratie werd voor een historische respectievelijk autobiografische zoektocht. En bij Willem Frederik Hermans, die weliswaar een pesthekel aan de meeste inwoners van Nederland had en heel bewust eerst naar Parijs en later naar Brussel verhuisde, maar die in zijn romans, verhalen en essays op een onvergelijkbare manier de verhouding problematiseerde van het individu tot de geschiedenis en de moraal van zijn tijd.
Via de taal van hun unieke wereldbeeld hebben deze schrijvers het denken en daarmee het leven van hun landgenoten en van lezers in de rest van de wereld beïnvloed. Dat lijkt mij het hoogst haalbare, het ultieme engagement dat een schrijver kan nastreven. Het heeft geen zin als ministers-presidenten ertoe oproepen, want het vereist een hoeveelheid talent en toewijding en vasthoudendheid waar slechts de grootste schrijvers over beschikken. Zo groot is de waarde die een dergelijk schrijver via de taal met zijn engagement aan de wereld te bieden heeft, dat zelfs een volledig ontbreken van de eerste drie soorten engagement er gemakkelijk door wordt gecompenseerd. Nergens lid van zijn, geen ingezonden stukken schrijven, geen actueel straatrumoer in je werk opnemen, en toch een zeer geëngageerd schrijver zijn, daarin slaagt naar mijn idee alleen de schrijver die de kunstzinnige mogelijkheden van zijn taal maximaal benut. Zelfs James Joyce, die naar verluidt de pest in had over het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog omdat daardoor de verschijning van zijn roman Finnegans Wake werd overschaduwd, is volgens mij een geëngageerdere schrijver dan wie louter ergens lid van wordt, ingezonden stukken schrijft of moedwillig straatrumoer in zijn werk stopt.

Frans Kellendonk

Met het door mij bepleite ideaal voor ogen van literair engagement als een verbinding tussen de taal van een cultuurgemeenschap en de verbeeldingswereld van een individueel schrijverschap, past tot slot nog een woord over de schrijver Frans Kellendonk. Zijn opvatting over het schrijverschap citeerde ik zojuist al, zij het nog zonder bronvermelding: het onderzoeken van de werkelijkheid door middel van de verbeelding. Kellendonks literaire onderzoek vond plaats in de Nederlandse taal waarvan zijn boeken zijn gemaakt, en de verbeelding die hij daarbij hanteerde oefent nog steeds invloed uit op de woorden en dus de beelden van de taalgemeenschap waarvan hij deel uitmaakte, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het door hem gemunte concept ‘oprecht veinzen’. In de jaren tachtig was hij een van de eerste jonge schrijvers in ons land die zich weer serieus met het thema religie gingen bezighouden. In een vroeg stadium durfde hij de literaire confrontatie aan met de problemen van de multiculturele samenleving. Vanuit zijn door de Nederlandse taal medebepaalde wereldbeeld waagde hij het in een roman de gekte van de kunstwereld, de homoseksuele conditie en de duistere gedachtekronkels van het antisemitisme in woorden te verbeelden.
Dat literair engagement, zoals ik heb betoogd, de meest hoogwaardige verbinding vormt tussen taal en verbeelding, is een waarheid waar Frans Kellendonk volkomen van doordrongen was. Zijn eigen romans, verhalen en essays laten op een indrukwekkende manier zien dat literair engagement geen beperking vormt voor de artistieke mogelijkheden van een schrijver, maar dat een dergelijk engagement juist bij uitstek de manier is waarop een schrijverschap zich in de cultuur van een taalgebied kan manifesteren. Het creëren en ontwikkelen van een taal voor een wereldbeeld, dat is volgens mij de geëngageerde opdracht van de literatuur. Of zoals Kellendonk zelf het in een brief uit 1987 haarscherp formuleert: ‘voor iedere roman moet het Nederlands opnieuw uitgevonden worden’.



Bewerkte tekst van de Frans Kellendonklezing, op 23 februari 2015 gehouden aan de Radboud Universiteit te Nijmegen.