Dichter Audre Lorde in 1983.

Getty Images

Het begon ermee dat ik weigerde mijn mails er nog mee te openen. Dat was relatief makkelijk, ik hoefde niemand in de ogen te kijken en kon het woord weer deleten als ik het per ongeluk toch had opgeschreven. Ik bleek een hardnekkige gebruiker, had cravings naar dat woord zoals je acute behoefte kunt hebben aan suiker of een sigaret. Het moest iets dempen, een boodschap, mezelf: sorry.

Sorry dat mijn antwoord op zich liet wachten.

Sorry voor deze vraag.

Sorry voor de verwarring.

Het probleem van sorry is niet dat het the hardest word is, maar juist the easiest. Als sorry gaat om het erkennen en spijt betuigen van je fouten, dan hangt de inflatie ervan samen met de inflatie van wat het betekent om een fout te maken.

Was het nog relatief eenvoudig om de sorry’s uit mijn mails te schrappen, in mijn leven daarbuiten bleek het aanzienlijk ingewikkelder. Sorry is niet alleen een woord, het is ook een erfenis. Een eeuwenoud sorry woont in het lichaam, doorgegeven van generaties moeders op dochters, oneindig klein maar stevig verankerd in de dubbele helix van het DNA. Het is de manier waarop je hebt geleerd te zeggen ‘maar laten we het nu over jou hebben’, niet te vragen om iets wat niet op de kaart staat, de vloer te boenen met de dweil voor je uit zodat je netjes je eigen voetstappen uitwist.

Sorry, het sorry dat een excuus is voor het innemen van ruimte, door er te zijn en deel te nemen, of juist ergens niet te willen zijn en niet te willen deelnemen, is een van de perversere varianten van zwijgen. Het sorry wil iets terugnemen wat al gezegd is, het gezegde devalueren door er afstand van te doen. Dat is pervers omdat er tussen de twee stiltes, die van vóór het spreken en die van na het sorry, wel degelijk iets was gedacht, gezegd of geschreven. En wat het ook was dat de stilte doorbrak, het sorry heeft het onschadelijk gemaakt, ontmanteld, de explosie bleek – sorry, sorry – toch een implosie.

Stoppen met het verkeerde soort sorry is een oefening in het overwinnen van schaamte en fatsoen, van oudsher krachtige geluidsdempers. Wat wij beleefdheid noemen, schreef Rebecca Solnit in haar essay ‘A Short History of Silence’, betekent vaak het aanleren dat andermans comfort belangrijker is. Glimlachen dus, blijven glimlachen, want ongemak, wanorde, frictie, dat hoort niet. Zo zijn we niet opgevoed, zo zijn meisjes niet opgevoed. Wat we hebben geleerd is dit: dat we lachen om te laten zien dat we de beroerdste niet zijn, dat we tegen een stootje kunnen, dat we zijn verheven boven zoiets kinderachtigs als woede. Dit hebben we geleerd zodat de glimlach van onszelf lijkt, een bewuste, superieure keuze en geen variant van zwijgen of sorry, nee hoor, echt niet.

Als student werkte ik een paar jaar lang als kok in de keuken van een eetcafé. Ik was de jongste, het enige meisje en had vaak de leiding omdat ik beter en sneller was dan de meeste jongens.

Op een gegeven moment besloot mijn werkgever dat het tijd was dat ik in de bediening zou gaan werken. Hij verkocht het als een stap voorwaarts, van de achterkant naar de voorkant. Op die manier, zei hij, ‘kun je een gezicht zijn’.

En dus verving ik mijn koksbuis door een serveersterskostuum: een zwarte broek en een nauwsluitend, laag uitgesneden, bordeauxrood shirt met het logo van het café op mijn linkerborst. Ik nam bestellingen op, gaf die door aan de keuken, bracht eten en drinken naar de tafels. Dat was het feitelijke werk. Wat ik eigenlijk moest doen was fooien opstrijken, of er in elk geval voor zorgen dat we die niet misliepen. Dus moest ik lachen om grappen van aangeschoten mannen, klachten in ontvangst nemen en excuses maken voor fouten die soms wel en vaak niet de mijne waren.

Sorry dat de biefstuk te gaar was.

De wijn te lauw.

Je grap zo slecht.

In tegenstelling tot voor koken, had ik geen talent voor bedienen. Een paar maanden hield ik het vol, met in mijn hoofd, als een mantra, een versje van Annie M.G. Schmidt dat mij altijd in de oren heeft geklonken als een heldhaftig verzetslied, een lofzang op de weigering.

Ik wil niet meer
Ik wil niet meer
Ik wil geen handjes geven
Ik wil niet zeggen elke keer
Jawel mevrouw jawel meneer
Nee nooit meer van mijn leven
Ik hou m’n handen op m’n rug
En ik zeg lekker niks terug

In zijn boek Wat is waanzin schrijft psychoanalyticus Darian Leader over de manier waarop kleine kinderen beginnen met ‘ik wil niet meer’. We worden, schrijft hij, geboren in de taal van onze verzorgers, van wie we de eerste jaren van ons leven bijna geheel afhankelijk zijn. Onze subjectiviteit vormen we door dingen te weigeren: ‘Als we een hapje dat ons wordt aangereikt wegduwen, laten we zien dat we anders zijn dan zij, dat we meer zijn dan hun marionet. Als dat kan via daden, kan het ook via woorden, maar die woorden komen in eerste instantie van hen en dat maakt het gecompliceerd. Wij leren taal via hen, en als denken inderdaad berust op verbale structuren, komt ons denken dus ook van hen.’

We worden in andermans taal geboren, en ook later in ons leven komen we voortdurend terecht in andermans taal die we ons, inderdaad op een gecompliceerde manier, gaandeweg eigen moeten proberen te maken. Door te weigeren, ermee te spelen, vaststaande betekenissen te bevragen, te verwerpen, binnenstebuiten te keren.

Serveren is een spel, zei een bevriende kelner laatst tegen me, serveren is verleiden. Het probleem was dat ik van dat spel toen niets begreep. Ik begreep niet hoe je zo’n rol moest spelen, hoe je in zo’n positie de macht naar je toe kon trekken, de regels naar je hand kon zetten. Los daarvan wilde ik niemand verleiden, ik wilde iets doen waar ik goed in was of kon worden, ik wilde een stem die van mezelf was. Toen ik een dienblad met twaalf glazen weizenbier in iemands schoot liet vallen, begreep ik dat het tijd was. Niet om terug te gaan naar de keuken, maar om het gebouw te verlaten.

‘Het belangrijkste recht,’ lees ik in de roman I Love Dick van Chris Kraus, ‘blijft het recht te spreken vanuit een positie.’

Toen Audre Lorde, die zichzelf omschreef als ‘zwart, lesbisch, moeder, krijger, dichter’ in 1977 werd gevraagd om te spreken op een congres van de Modern Language Association in Chicago, zag ze niet in waarom ze dat zou doen – ze had daar, naar haar eigen idee, niets te zoeken. Even daarvoor waren er tumoren gevonden in haar borsten, waaraan ze was geopereerd. Ze bleken, na drie weken van onzekerheid en angst, onverwacht goedaardig. Haar goede vriendin, de dichter Adrienne Rich, moedigde haar aan toch te gaan. Je kunt het toch over die ervaring hebben, zei ze. Die ervaring? antwoordde Lorde. Dat is toch niets voor een academisch panel? Ze ging.

‘I have come to believe over and over again,’ begon ze haar toespraak, ‘that what is most important to me must be spoken, made verbal and shared, even at the risk of having it bruised or misunderstood.’

Ze vertelt over haar ziekte, de angst om te sterven, en het heldere en urgente inzicht dat ze, terugkijkend op haar leven tot aan dat moment – ze was toen 43 – het meest spijt had van haar stiltes. ‘I was going to die, if not sooner then later, whether or not I had ever spoken myself. My silences had not protected me. Your silence will not protect you.’

Spreken begon voor Lorde met een weigering gedefinieerd te worden door andermans taal en daden. Als zwarte lesbienne in de Verenigde Staten bevond ze zich haar hele leven op een kruispunt van racisme, seksisme en homofobie. Ze viel volkomen buiten wat de samenleving zag als ‘acceptabele vrouw’ en wist dat overleven geen academische vaardigheid was: ‘It is learning to stand alone, unpopular and sometimes reviled.’ Op de congressen waar ze sprak, zelfs als die geheel gewijd waren aan feminisme, was ze vaak de enige zwarte vrouw. Ze weigerde dat ongenoemd te laten, weigerde haar woede te vermommen als iets anders, weigerde andermans comfort belangrijker te vinden dan dat wat volgens haar gedefinieerd en gehoord moest worden.

Wie spreekt heeft een toehoorder nodig, een ander van vlees en bloed, maar ook een abstracte Ander, met een hoofdletter A, ‘een plaats in het spreken vanwaar wij gehoord kunnen worden,’ zoals Leader het formuleert. De aanwezigheid van de Ander vormt dus een anker waarmee wij onze eigen positie kunnen bepalen; pas met dat anker van de luisteraar verandert ons spreken in communiceren.

Leader schrijft in Wat is waanzin over wat er misloopt bij schizofrene patiënten, die, op bepaalde momenten, het centrum van hun spreken verliezen. Degene die psychotisch spreekt construeert de betekenis niet al sprekende, onder de bepalende invloed van de Ander: de betekenis ligt van tevoren vast, waardoor de luisteraar – concreet of abstract – van geen betekenis meer is. Het gevolg is ofwel ‘leeg, nietszeggend geklets zonder symbolisch middelpunt’, ofwel een spreker die ‘doelwit [wordt] van goddelijke communicatie’.

Wat er in het psychotische spreken gebeurt is extreem, maar ook meer doorsneemanieren van communiceren lopen spaak wanneer de luisteraar verdwijnt uit het spreken. Omdat die luisteraar er niet toe doet, of omdat het luisteren is teruggebracht tot zijn meest armzalige definitie: zwijgen en gehoorzamen. ‘Nog maar één of hoogstens twee generaties terug,’ schreef Marja Pruis recentelijk in een essay in De Groene Amsterdammer over alledaagse misogynie, ‘was het volkomen duidelijk wat een echte vrouw was, en een echte man, wie er aan de borrel- of vergadertafel sprak en wie er luisterde.’

Ook buiten de psychose bestaan er veel manieren van spreken die eigenlijk niet als zodanig kunnen worden aangeduid, omdat de inhoud al bij aanvang onwrikbaar vaststaat. Veel van wat wij spreken noemen, komt in werkelijkheid neer op het uitvoeren van een monoloog, het opdragen van een bevel, een verbod, een pamflet, een schotschrift. En niet alleen de vorm van dit ‘spreken’ ligt vast, ook de spreker zelf is, zoals Pruis schrijft, van oudsher tamelijk duidelijk gedefinieerd. Net als de luisteraar aan die borreltafel of vergadertafel, uiterlijk kalm (naar alle waarschijnlijkheid glimlachend), terwijl ze van binnen stukje bij beetje wordt verteerd door haar stilte, omdat er in die stilte altijd een plek is die helemaal niet stil wil zijn, niet wil luisteren, niet op die manier.

Voor vrouwen is luisteren van oudsher het tegenovergestelde geweest van spreken, een vorm van gehoorzamen, van niet deelnemen, een ondergeschikte positie innemen, inleveren. Het is de dienstmeid in mij, de serveerster, mijn oma die geen idee had hoe je nee moest zeggen, hoe ze de voorgevormde taal van moeder, huisvrouw, echtgenote kon ombuigen tot iets wat werkelijk van haarzelf was.

Luisteren, echt luisteren, is een vorm van spreken en niet het tegenovergestelde ervan. Als luisteren met gehoorzamen te maken heeft, dan spreken net zo goed, en als spreken een weigering kan inhouden, dan luisteren net zo goed.

Wanneer mensen beginnen te spreken die voorheen stil waren, en als daaruit een nieuw soort taal ontstaat om de wereld te beschrijven en vorm te geven, moeten er ook nieuwe manieren van luisteren worden gevonden. Wie zich vrij wil maken van een discours omdat het seksistisch, racistisch, xenofoob of homofoob is, doet dat niet door de rolverdeling in dat discours simpelweg om te keren. Wie zegt: ik wil ook spreken, zegt niet automatisch dat degene die dat daarvoor altijd vanzelfsprekend heeft gedaan, nu in een rol van zwijgende gehoorzaamheid wordt geduwd.

Het spreken en luisteren waar ik het over heb is niet bepaald van het genre ‘easy listening’. De deelnemers van het gesprek zullen bereid moeten zijn hun eigen comfort ondergeschikt te maken aan dat wat er gezegd en gehoord wordt. Ideeën over wat gepast en fatsoenlijk is zullen steeds weer moeten worden bijgesteld, weerstand overwonnen. Kennis die eerder stevig leek verankerd in de werkelijkheid kan losschieten doordat die werkelijkheid zelf een stuk minder stevig bleek dan gedacht – doordesemd, bovendien, met valkuilen en blinde vlekken.

‘Once you live any piece of your vision it opens you to a constant onslaught,’ zei Audre Lorde tijdens een gesprek met Adrienne Rich in 1979. ‘Of necessities, of horrors, but of wonders too, of possibilities.’

Het drie uur durende gesprek tussen de twee vriendinnen – allebei politiek geëngageerde, lesbische dichters, de één zwart, de ander wit – werd opgenomen en uitgeschreven, en wordt, terecht, beschouwd als een klassieker in het genre. De twee vrouwen praten over hun levens en ideeën, die soms evenwijdig lopen maar vaak divergeren. Dwars door hun vriendschap loopt de kloof van ras, die hun ervaringen en percepties radicaal doen verschillen.

Rich eist duidelijkheid van Lorde, een manier van spreken die haar inzicht geeft in de mechanismen van racisme. Zonder duidelijkheid, zegt ze, zonder een vertaling van jouw ervaring, kan ik het als witte vrouw niet begrijpen. Ze zegt weerstand te voelen bij sommige van Lordes percepties: ‘They can be very painful for me (…) Perceptions about what goes on between us, what goes on between Black and white people, what goes on between Black and white women (…) But I don’t want to deny them. I know I can’t afford to.’

Lorde, op haar beurt, verwoordt waarom het voor haar pijnlijk is op die manier ondervraagd te worden. Als zwarte vrouw is het niet haar verantwoordelijkheid om witte vrouwen te onderrichten over racisme. Ze wijst Rich erop dat ze haar eigen weerstand aanziet voor onduidelijkheid van de ander, en dat dit haar als zwarte vrouw keer op keer overkomt. Het is geen makkelijk gesprek, juist omdat de twee vrouwen het blijven voeren. Geen van beiden vervalt in vijandigheid, en geen van hen kiest ervoor het ongemak op te heffen door te zeggen: laat maar, ik begrijp je wel.

Dit soort gesprekken zal nooit eenvoudig zijn. Ze vereisen moed: om te spreken en er wellicht naast te zitten, om door je eigen weerstand heen te luisteren, om je sorry’s te bewaren voor momenten dat ze ertoe doen.

Deze lezing werd uitgesproken bij de opening van het academisch jaar aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, die in het teken stond van het thema ‘luisteren’.

Niña Weijers (1987) schrijft voor De Groene Amsterdammer en is redacteur bij De Gids. In 2014 verscheen haar debuutroman De consequenties. Deze werd bekroond met de Anton Wachterprijs 2014, de publieksprijs van de Gouden Boekenuil 2015 en de Opzij Literatuurprijs 2015. Hij haalde bovendien de shortlist van de Libris Literatuurprijs 2015. In het collegejaar 2015-2016 was zij Vrije Schrijver aan de VU. Dit pleidooi voor complexe en experimentele literatuur is een bewerking van de Abraham Kuyper Lezing die ze april dit jaar hield.

Meer van deze auteur