Als een grote gevarendriehoek doemde het rieten dak van het restaurant op uit de ochtendnevel. Flarden hingen boven het terras aan het water. Kate stuurde haar zwarte Smart het parkeervak in. In de verte staken flats boven de bomen uit en ook de kranige punt van de Erasmusbrug. Half zeven meldde het klokje op het dashboard. Wat zou ze graag zomaar wat gaan wandelen door het kale stadsbos, langs de berijpte takken, over de bruine restanten van het blad. Voor volgende week zette ze het in haar agenda: voor de bijeenkomst een uurtje het bos in, of erna. Het was toch het idee dat ze zelf haar tijd kon indelen.

De Smart had ze voor haar achtenveertigste verjaardag van haar vader gekregen. Ze was net voor zichzelf begonnen. Een kleine auto was handig met parkeren, had hij gezegd. Hoewel hij zijn hele leven bij dezelfde baas had gewerkt, had hij veel ideeën over het ondernemerschap. Als verkoper van binnenzonweringen reed hij vijfendertig jaar lang het land door en zorgde ervoor dat de zon vele kantoren niet inkwam. Uren kon hij vertellen over draaisystemen en hittewerende lagen. Het bedrijf waar hij werkte had door de hele wereld vestigingen. Toen hij de laatste jaren zijn targets niet haalde, was hij eruit geknikkerd. Zijn ontslag of, zoals hij het zelf noemde, zijn contractbeëindiging, had te maken met de manier waarop het bedrijf telde, hij wist het zeker. Hij had dan misschien wel niet het gewenste aantal zonweringen verkocht, maar wist zijn klanten ‘duurzaam aan zich te binden’, wat op de lange termijn meer opleverde. ‘Relatiebeheer, Kate, dat is de crux.’ De nieuwe directie had hier geen boodschap aan: er moesten snel successen worden geboekt. Ze zwaaide haar vader uit, en verkocht het bedrijf twee jaar later aan een schimmige investeerder waarvan haar vader nooit had kunnen achterhalen waar die zich precies mee bezighield. 

Om haar heen waren de parkeervakken leeg. Veel leden kwamen op het nippertje. Vorige keer – Kates kennismaking – begon de voorzitster exact kwart voor zeven. Terwijl ze alle leden welkom heette, kwamen de meesten nog binnen gerend. Koffie klotste op schotels, telefoons zoemden en piepten.

Kate wreef over de dunne huid van haar gezicht. Ze pakte haar toilettas van de bijrijdersstoel en smeerde een extra laagje dagcrème op, kwast poeder erover, mascara niet vergeten. Als ze vergat haar wimpers zwart te maken zag ze er tegenwoordig uit alsof ze een paar nachten niet had geslapen. Ze klikte haar gordel los en klemde de leren aktetas onder haar arm.

Binnen stonden een paar mensen in de rij voor koffie. Achter de bar stond een espressoapparaat maar hun koffie kwam uit een automaat. De leden van het netwerk betaalden maar zevenenhalve euro. In ruil daarvoor kreeg je een fabriekscroissant, een oranje vloeistof verwant aan sinaasappelsap, onbeperkt koffie en een stoel in een zaaltje met uitzicht op de plas.

In haar tas zoemde haar telefoon. Haar vaders naam. Had ze maar niet moeten vertellen dat ze hiernaartoe ging. Hij zou haar succes willen wensen, wat gepaard zou gaan met adviezen als weet met wie je wilt praten, houd het kort, bied oplossingen. Snel stopte ze de telefoon terug. De man voor haar droeg een sweater met hondentraining Droefie. De afgebeelde hond had dezelfde hangogen als de beagle die een vriendin na haar scheiding in huis nam. Alle meubels die haar ex had laten staan, had hij kapotgemaakt. 

Kate voelde iets in haar rug. 

Achter haar stond een grijnzende man in een donkerblauw pak. Hij hield een blaadje met een croissant vast. 

‘Good morning. Nieuw, toch? Hij had een langwerpig gezicht en smalle lippen. ‘Deed je niet iets met tekst? Je pitch was een beetje rommelig, if I may say so. Maar het komt wel… Fouten maken is een voorwaarde om te groeien.’ 

‘Dank je,’ zei ze.

‘Wat voor opdrachten houden je op dit moment van de straat?’ 

Zo ging het hier, elk contact was een mogelijkheid je werk onder de aandacht te brengen, te laten zien wat je waard was. Ze slikte. Iets in haar verzette zich. Dadelijk, als ze in het zaaltje waren, dan begon het. Niet nu, niet al in de rij voor de koffie. Straks vertel ik je alles, wilde ze zeggen, ik ben aan de beurt, ik heb nog geen koffie op, jij wel? 

De Droefie-trui mopperde dat de melk op was. Voor zwarte koffie was het te vroeg, Kate stapte uit de rij, ‘Gaat u maar,’ ze wilde de dunne, donkerblauwe man voor laten gaan, helaas, ook hij stapte uit de rij. Hij legde zijn hand op haar bovenarm. ‘Zeg op: what makes your clock tick?’ 

‘Ik ben tekstschrijver,’ zei ze kortaf. 

‘Lange teksten, korte teksten, zakelijk of fantasy?’ Zijn smalle grijns.

‘Ik werk veel voor de culturele sector, voor podia en theaters. Ik schrijf seizoensbrochures en maandagenda’s.’ 

‘Verkoopteksten.’ 

Ze knikte. ‘Ik ben goed met superlatieven: meest vernieuwende, beste, belangwekkende… ’ 

‘Interessant.’ Hij knikte. ‘Jouw talent bestaat uit het rangschikken van woorden. Maar hoe staat het met de cijfertjes, heb je die ook op orde?’ 

Tot op heden had ze vijf facturen verstuurd. ‘Dat deel van mijn werk is te overzien.’

Om haar heen werd gemord. De mensen wilden koffie. ‘Daar betalen we toch voor,’ klonk het uit de rij. 

‘Valse bescheidenheid,’ zei de man. ‘Voor je het weet ga je groeien en valt er ineens een knoeper van een aanslag in je bus. Hoe heet je bedrijf eigenlijk?’

‘Word Perfect.’ Ze bloosde.

‘Goeie naam. En je doet zelf de btw-aangifte?’

Een serveerster schoof een groot karton in de machine. Café Milc stond erop, zat vast zoveel rotzooi in dat het geen melk mocht heten. 

Kate schoot terug de rij in en hij volgde, vlak achter haar, soepel, charmant glimlachend, het blad voor zijn buik houdend als een snoepverkoper in een pretpark. Misschien was hij danser. Veel mensen hier hadden een bedrijf in iets anders dan waar ze ooit voor waren opgeleid. De hondentrainer was gymleraar geweest, de yogajuf had bij een bank gewerkt, de leraar Engels leidde een bijlesinstituut.

Hij fluisterde in haar oor of ze op de hoogte was van de voordeeltjes in haar vakgebied. ‘Dat zijn er nogal wat,’ zijn zurige adem, ‘als je wel eens in het openbaar spreekt kun je twee keer per jaar je kapper declareren.’

Ze duwde een lok achter haar oor. Ja, ze was naar een goedkope kapper geweest. Move on,daar ging het tijdens de vorige bijeenkomst over, hoe je je tijd goed kon gebruiken en mensen netjes kon afwimpelen. In plaats van het gesprek met een warme lach en een compliment te beëindigen, giechelde ze. En toen gaf hij haar een vette knipoog, alsof ze op een feestje stonden en twee gin-tonics ophadden. Ze bloosde. O vervelende, gladde man, boekhouder met platgeslagen krullen – ja een boekhouder was hij, dat stond vast, hele dagen achter zijn computer, in z’n kreukloze witte overhemd, af en toe porno kijken, wel zo makkelijk als je eigen baas bent. 

Ze drukte de knop van de koffiemachine in. Helaas trok ze de mok te snel weg. Toen ze zich bukte om de koffie met een servetje op te deppen, voelde ze zijn geringschattende grijns. 

‘Tot later.’ Ze wierp de servet in een bakje voor gebruikte suikerzakjes en liep naar het zaaltje. Ze ging in een hoek zitten. Achter de glazen pui waren de mistflarden uitgegroeid tot een wolk, die hen van de wereld afschermde. Op de plas hielden zich eenden verborgen, ergens dreef een bootje rond. De visser worden, opgeslokt door mist en natte kou, alleen met de dobber in een dik oliejack waar alles vanaf gleed. 

Al snel kwam er een vrouw naast haar zitten, ze zag eruitzag alsof ze in alle vroegte had hardgelopen. Stralend stak ze haar hand uit: ‘Sheila. Van The Do-company. Uw butler aan huis.’

‘Kate Dijkhuizen, Word Perfect, aspirant-lid.’

Sheila schoof haar kaartje op Kates tafel. The Do-Company zat op Sleepboot 6 in Nootdorp. Werkte Sheila thuis? In een luxe nieuwbouwwijk? Huis met carport? Garage verbouwd tot bedrijfsruimte? Zou er in Nootdorp veel vraag naar butlers zijn? Er woonden daar veel jonge gezinnen. Grote, waterrijke wijken. Eigen aanlegsteiger. Werkende ouders hadden het druk, maar ze hadden ook hoge lasten. 

De tafels stonden in een hoefijzer, de voorzitster was midden tussen de twee poten gaan staan. Ze heette de leden welkom en nodigde ene Rozemarijn Kammerman uit naar voren te komen. Rozemarijn, kort haar, aan de tu Delft gestudeerd, hield het weekpraatje. Rozemarijn adviseerde verenigingen van eigenaren hoe ze gezamenlijk maatregelen konden nemen om hun flat zo energiezuinig mogelijk te maken. Het klonk goed en logisch en zinvol en toch kon Kate haar aandacht er niet bij houden. Helemaal niet toen ze ontdekte dat de boekhouder schuin tegenover haar zat, in de andere poot van het hoefijzer. Die grijns. Zou het een zenuwtrek zijn? Zelf lachte ze vaak als ze zich niet op haar gemak voelde. Misschien vond hij het ook moeilijk, deze bijeenkomsten. Misschien zat hij nog niet zo lang bij het netwerk. Hoe heette hij? De meesten meldden dat al in de eerste minuut, of ze duwden een visitekaartje in je hand. Rozemarijn Kammerman sloot af met een aanbieding voor leden. Wie deze maand een spouwmuurisolatie via haar regelde, garandeerde zij het laagste tarief en ook zou ze ervoor zorgen dat de werkzaamheden reeds dit voorjaar begonnen.

Het onderdeel waar Kate het meest tegenop zag was de ‘one minute’. Een voor een, de hele hoefijzer af, kwamen de leden van het netwerk aan bod. Steeds draaide de voorzitster een zandloper om. De meesten begonnen net aan een geweldige opdracht, of ze waren er een aan het afronden. Als het niet geweldig was, was het wel een uitdaging, een nieuwe stap, of zó inspirerend. Enkelen sloten hun minuut af met een vraag: ‘Wie kan me helpen met het vinden van een goede en goedkope drukker?’ ‘Wie weet hoe ik in contact kom met de afdeling communicatie van Philips?’

Toen er nog drie mensen voor haar waren, voelde Kate het zweet in haar oksels. Gisteravond had ze er goed over nagedacht. Ze zou het eerlijk vertellen: hoe ze de afgelopen week drie werkdagen op een folder voor een klusbedrijf had zitten zwoegen, die vervolgens werd geweigerd. Ze had niet durven zeggen dat ze haar toch moesten betalen. Ze wilde vragen hoe ze dat moest aanpakken, een volgende keer. Doel van de bijeenkomsten was niet alleen successen te delen, maar ook om van elkaar te leren.
In minder dan een minuut schetste ze de situatie. 

Toen ze klaar was, was het doodstil. 

‘Dank je, Kate,’ zei de voorzitster. ‘Zoals je weet is er nu geen gelegenheid om te reageren, maar straks bij de koffie hebben de leden de mogelijkheid om op je af te stappen en met je mee te denken. Ook over hoe je jezelf presenteert. Want daar valt of staat alles mee, dat kan ik je vast meegeven.’ Ze glimlachte kort, het was een glimlach die geen tegenspraak duldde, een glimlach waarmee je voorzitster werd.

Kate werd rood. Je mocht hier best om hulp vragen maar niet zo open en bloot als zij had gedaan, niet zo open, zo nederig.

Buiten was het wit, de mist sloot hen volledig in. Straks zouden ze als een colonne mollen het stadsbos uitrijden. Er zou een kettingbotsing van zelfstandig ondernemers ontstaan, het zou deuken regenen in de niet afbetaalde koekblikken. De brandweer zou moeten komen om hen eruit te zagen. Velen zouden onvoldoende verzekerd zijn, te laat komen op belangrijke afspraken, opdrachten mislopen. Ze glimlachte, om de situatie, om zichzelf. Je overdrijft, zou haar vader zeggen. Ja, misschien was dat een van de grote genoegens van het voor jezelf werken, dat je vaak ongegeneerd van alles kon verzinnen. Niemand die je tegensprak. 

In het laatste kwartier vertelden de leden wat ze de afgelopen week voor het netwerk hadden gedaan. Je moest niet alleen voor jezelf klanten vinden, maar ook voor de anderen. Zelfs als je met een grote klus bezig was en alle zeilen moest bijzetten om die op tijd af te krijgen, moest je de wereld in, nieuwe opdrachten werven, jezelf laten zien, berichten op internet posten. Als je zakelijk niets te melden had, dan maar iets over je privéleven, desnoods verzon je het, zei de voorzitster, als je het maar dicht bij jezelf hield. Als je niet authentiek was, had de klant dat zo door. 

Net als vorige keer was het ook nu weer een geweldige week geweest. Er waren contacten in Mumbai gelegd, iemand had een opdracht ter waarde van 43.000 euro afgesloten, een fabrikant van zeiljachten had voor een loodgieter een grote klus geregeld. 

Nieuwelingen hoefden deze ronde niet mee te doen. Kate luisterde en schreef af en toe een woord in het schriftje dat ze voor haar acquisitie had aangeschaft, gewoon, om de vertrouwde handeling van het schrijven: ‘concreet invullen’, ‘over vijf jaar’, ‘drietrapsraket’.

Na de afsluitende woorden van de voorzitster kwam er een oudere vrouw in een donkergrijs wollen pak haar kant op. Ze leek op haar vroegere lerares Duits, die na een tijd te zijn ingevroren nu ontdooid was en omgeschoold tot begrafenisondernemer. Kate wist niet hoe ze zo snel uit de hoek van het zaaltje moest wegkomen. Eerst zou de vrouw haar de les lezen, daarna zou de boekhouder zijn diensten weer aanbieden. ‘Research & development, een belangrijke aftrekpost.’ Hij zou haar mee uit lunchen nemen, zijn jasje uittrekken. 

‘Wennen hè, in het begin?’ De grijze dame steunde met haar handen op Kates tafel, ze droeg gouden armbanden, een slaaf die was losgeknipt.

Kate sprong op. ‘Wat spijt me dat nu, ik moet naar de wc. Ik spreek je zo, goed?’ Langs de bar, het buffet, een enorm droogboeket snelde ze naar het halletje waar de jassen hingen. Naar buiten. De parkeerplaats oversteken tot aan de rand. De struiken in, een paar stappen en ze zou onzichtbaar zijn. Ze kon ook wegrijden, maar wat als iemand het zou opmerken? Zou ze dan nog toegelaten worden? ‘Kijk, die nieuwe gaat al.’ Er zouden flauwe opmerkingen gemaakt worden, snelle conclusies volgen, een schamper schouderophalen: ‘het moet je liggen’, ‘je moet tegen een stootje kunnen’. 

Ze volgde de betonnen rand waarachter het bos begon, liep over het halfverteerde blad langs lage brandnetels en kreupelhout. Ze kwam op een fietspad. Achter schrikdraad stonden schapen, stille, warme, vuilwitte balen, die niets van haar wilden en niets van elkaar wilden. ‘Kort aangelijnd aan de pin van het ogenblik’, Nietzsche. Dat ze dat had onthouden. Dat ze dat ooit had gelezen. Dwars door de jaren en de zorgen heen, een paar zinnetjes, heelhuids overgeleverd. Een negen had ze gehaald voor het essay waarmee de collegereeks over zijn Vrolijke wetenschap werd afgesloten.

En nu liep ze op een fietspad in de mist, twee zonen, een scheiding en vele werkzaamheden verder, culminerend in een tekstbureau aan de keukentafel met nauwelijks opdrachten. 

De doffe voetstappen van een hardloper, om zijn bovenarm een knipperlicht. Hij haalde haar in. 

Ze stapte verder, ze zou niet teruggaan voor alle auto’s het parkeerterrein hadden verlaten, voor ze allemaal vervangen waren door die van gewone gasten, moeders met kinderwagens, mensen die met pensioen waren, of arbeidsongeschikt. Er waren ontsnappingsmogelijkheden. Er zou een moment komen dat ze zichzelf niet meer naar voren hoefde te duwen, zwijgend haar werk kon doen, of zelfs niet meer hoefde te werken, alleen maar elke dag over bospaden gaan, boeken lezen en naar een ander luisteren zonder iets van die persoon te willen. Het was een kwestie van volhouden. Zoals nu, voetje voor voetje. Zachtjes gaan de paardenvoetjes… Ook voorbij. Het was al jaren stil op het dak, en door de schoorsteen kwam ook niets meer.

Verderop was een perceel met naaldbomen. Met de jongens had ze daar eens paddenstoelen gezocht, op een zonnige herfstdag waarop ze zich schuldig voelde dat ze zo weinig met hen naar buiten ging en met de auto naar het bos was gereden. Ze mochten allebei drie paddenstoelen plukken, niet meer, anders was het zielig voor de natuur. Opgetogen hadden ze door het bos gestruind, terwijl zij voorging, je wist nooit wat je aantrof – hoe ze met haar voet een gebruikte condoom achter een boomstronk duwde. 

Ze ging aan de rechterkant van het fietspad lopen. Waar was de afslag naar het dennenbos, waar was het pad naar vroeger, naar de geur van poepbroeken en taaitaai, naar snotneuzen en onstilbare, onnavolgbare driftbuien die als sirenes door het bos klonken, door de supermarkt of vlak voor de neus van de nieuwe oppas. Al die dierlijke dingen waar je met jonge kinderen de hele dag door omringd was, die al je energie vergden en al je creativiteit. Ze vond het pad, gebarsten asfalt, er groeide mos tussen, boomwortels duwden het omhoog. Ze ging tussen de dennen door. Donker was het hier, en stil.

Na een tijdje bleef ze staan. Hoorde ze nou gekraak? Ze keek om zich heen. Niets, maar ja, die mist. Was het een dier? Hoeveel lawaai maakte een rat, veel grotere dieren zouden hier toch niet zitten? Of rukte de vos definitief op, zoals Hans had voorspeld. Toen de kinderen uit huis waren, luisterde hij elke zondag naar het radioprogramma Vroege vogels. Als ze er doorheen praatte werd hij woedend. Op zaterdagavond geen glas wijn te veel want de volgende ochtend: Vroege vogels. Het gekraak hield niet op, ze vond het eng, haar gedachten konden haar niet afleiden. Met die mist zou toch bijna niemand naar het stadsbos komen. Alleen verwarde personen en fanatieke hardlopers, die niet zouden stoppen als er iets gebeurde.

Ze liep door, begeleid door het gekraak. Het volgde haar, ergens links, langszij. 

Ze keek om.

Daar stond hij, tussen twee berkenstammen, links van het pad. Met zijn frisgewassen gezicht. 

‘Daar ben je.’ Hij strekte zijn hand naar haar uit, alsof ze een kind was dat de weg was kwijt geraakt. 

Als je gilde in de mist, was dat dan goed hoorbaar? Hoever was de parkeerplaats?

‘Kom,’ zei hij. 

Ze deed een stap naar achteren.

‘Er is nog taart,’ zei hij. ‘En dan moeten we echt praten. Ik kan je helpen.’ 

‘Dank je,’ zei ze. Ze ontspande. Eenmaal op de parkeerplaats, zou ze hem van zich afschudden. Er zouden anderen zijn. Ze zou in haar auto stappen, die op slot doen en wegrijden. 

Hij hield haar hand stevig vast, trok het kind mee. ‘Waarom was je weggelopen?’

Ze zweeg.

‘Weglopen helpt niet.’ Zijn zalvende toon. ‘Je moet het aangaan.’

Ze kwamen langs de schapen, die met hun rug naar het pad toe waren gaan staan. Schraal loofbos. Zwarte takken tekenden zich af in de mist. 

‘We zijn allemaal wel eens bang,’ zei hij. ‘Zeker de eerste jaren. Er komt zoveel op je af.’ Met zijn vingertoppen gleed hij over haar arm, van haar schouder tot het vel van haar pols.

Ze trilde. Ze was lang niet aangeraakt. Straks trok hij haar in een auto, of dieper het bos in. 

De zijkant van het restaurant. Afvalcontainers half verborgen achter een lage schutting. Boven de plas was de mist dunner geworden. Ze voelde zijn greep. Over een paar seconden zou ze loslaten, vriendelijk bedanken, misschien zelfs haar kaartje geven. Een kop koffie bestellen, bij de bar. Goede koffie, daar zou ze nooit op bezuinigen. 

‘Ik ben blij dat je met me bent meegekomen,’ zei hij. ‘We zijn hier ten slotte voor elkaar.’

Voor het eerst sinds hij haar had teruggevonden lukte het Kate te glimlachen.

‘Je hebt een mooie mond. Met zo’n mond…’ 

Het compliment deed haar iets, maar ze wilde dat het daar niet om ging. Ze was hier voor haar werk. 

Hij gaf een zacht rukje aan haar hand. Samen sloegen ze de hoek om. 

De mist was opgetrokken. De zon scheen op glanzende autodaken. Daar stonden ze, op de parkeerplaats, ongeveer dertig mannen en vrouwen, leden van het netwerk. Ze lachten en wenkten naar haar. Alsof ze een groepsfoto wilden nemen en alleen zij nog ontbrak. De Droefie-trui, mannen in pak, vrouwen met shawls in sfeervolle kleuren, witte gebitten, een forse kerel die loodgieter zou kunnen zijn in een werkbroek. 

Hij legde zijn hand vlak boven haar heiligbeen en gaf haar een zetje. Ze hoefde alleen maar bij de groep te gaan staan. Ze was veilig.

Sanneke van Hassel (1971) schrijft romans en korte verhalen. Ze ontving de Anna Blaman Prijs en de BNG Nieuwe literatuurprijs voor haar werk. In september 2017 verscheen haar roman Stille grond over samenleven in de stad.

Meer van deze auteur