Hello Darkness

Au pair versus soldaat in Borgman; een postscriptum

Soms wil je dat een film langer duurt. Wanneer het einde te open is, of de gerechtigheid uitblijft waar je heimelijk op hoopte. Na de slotscène uit het 153 minuten durende Borgman, Alex van Warmerdams merkwaardige en meest unheimische film (2013), die fier mocht meedraaien in de internationale competitie van Cannes, bleef ik hongerig achter. Tussen de glanzende boomstammen van een diep en donker bos verdwijnt een groep mensen, meer is het niet. In het voorafgaande heb je als kijker kunnen meemaken waartoe ze in staat zijn. Dat vastberaden wegglippen, de lichte vlekjes van een jas, een tas. Ik wilde meer van hen zien. 


De release op dvd aangeschaft, speelde ik de Borgman-disc af en aan, liet de stappen naar het einde terugglijden in de tijd, en zette ik de, door een fictief metrum verglijdende en uit het laatste filmframe verdwijnende line-up van het vaste assistentenkwartet dat dankzij de fenomenale manipulaties van de kwetsbare menselijke psyche door Borgmans meesterbrein was uitgebreid met drie engelachtige kinderen en een intrigerend au pairmeisje, stil.


AU PAIR (bijwoord) 1. tegen kost en inwoning, zonder verdere vergoeding. Frans (letterlijk: tegen gelijk) (de) 2. jongere die enige tijd in een buitenlands gezin doorbrengt en als vergoeding voor kost en inwoning huishoudelijke werkzaamheden verricht en eventueel voor de kinderen zorgt. 1917. Frans 


Wie de film gezien heeft, kan zich vast de rol van Stine herinneren, de au pair, een mooie jonge noorderlinge met koele lange benen, in het bezit van de dreigende kalmte die veel personages in Van Warmerdams films kenmerkt.
Stine is voorbeeldig gecast, een glansrol van de Deense actrice Sara Hjort Ditlevsen (1988). Ik vond haar zo indrukwekkend dat ik haar ‘post Borgman’ een nieuw leven wilde geven en ik haar in de maalstroom van een door mij verzonnen ‘Borgman afterlife’ een reeks brieven laat schrijven.

In zekere zin zou je dit postscriptum als een vertraagde explicatie van haar verzwegen motieven en duistere binnenwereld kunnen opvatten, gecentreerd rond het moment in de film, toen ze nog net niet door Borgmans kwade genius in bezit genomen was, en zij haar liefje Arthur de royale villa van haar werkgevers binnentrekt.
Hij is een jonge soldaat, argeloos gespeeld door de Nederlandse acteur Mike Weerts (1982), een blakende goedzak die later de zoon blijkt van de gevreesde en corrupte directeur Stornebrink door wiens toedoen de temperamentvolle echtgenoot van hoofdpersoon Marina zijn baan en zijn verstand verliest.

Het spreekt vanzelf dat Stornebrink zelf onzichtbaar blijft. 


SOLDAAT (de, mannelijk) 1. persoon die zonder rang bij het leger dient, vrouwelijk: soldate, een stand (geen rang) in het leger 2. krijgsman, militair in het algemeen, met name met gedachte aan de daarvoor vereiste of daaraan eigen hoedanigheden of bekwaamheden 3. in de verbindingen (iets soldaat maken) het opmaken, opeten of opdrinken; - (gewestelijk) (iets soldaat zijn) a) dronken zijn, b) verloren, naar de haaien zijn 4. ongeslachtelijk individu bij de termieten en de mieren dat vooral op roof uitgaat, of het nest verdedigt. 1562. Frans. soldat.


Of Stine na haar aansluiting bij leider Borgman en de zijnen genoegen zal nemen met een leven in verstikkende konijnenholen, troebele vijvers, en slijmerige modderpoelen leek me, na de film meer dan eens te hebben bestudeerd, twijfelachtig. Hopelijk zal onderstaande briefwísseling – Arthur schrijft er eentje terug! – iets zinnigs bijdragen aan mijn interpretatie. Deze correspondentie heb ik van begin tot eind verzonnen, laat dat duidelijk zijn. (Er is geen geheim archief ontsloten.) Acteurs noch personages weten van hun literaire escapade.


Veel tekst heeft Stine niet. Om grip te krijgen op haar enigma, heb ik ieder woord dat haar schaars is toebedeeld achter elkaar willen zetten; een monoloog waaruit blijken zou dat haar professionele onderdanigheid steeds meer wordt aangetast door een aangeboren koppigheid, geactiveerd wanneer ze in handen valt van Borgmans adjudanten. 


Ik begon. Haar eerste woorden zijn tot de drie kinderen gericht nadat ze door hun vader zijn voorgelezen: ‘Slaap lekker.‘

Daarna volgen de obligate zinnetjes die horen bij haar functie: ‘Yes madam, kom jongens, Isolde is not feeling well, I don’t know...’

Wanneer screentime op 52 minuten staat, en het kwaad rijkelijk heeft gezaaid om later te kunnen oogsten, klinkt het omen: ‘Madam, I have a terrible headache, can I lie down for just a minute?’

Hierna komt de film in een donkere flow terecht, een moreel afglijdende schaal waarin uitschakeling, teloorgang, en perversie met elkaar strijden om een eerste plek.


Ik geef toe, het is een beetje ‘too much’ om in de stilletjes smeulende Stine de geheime sleutelfiguur van Borgman te lezen; maar de razendsnelle ontwikkeling van ‘I have to pick flowers for Madam’, (uitvoeren van bevel) naar ‘Leave me alone’ (terugtrekken en broeden op verzet) markeert wel degelijk een dramatisch omslagpunt dat culmineert in het explosieve: ‘Niets aan de hand? Is that for you to decide?’

Haar lichte accent is onmiskenbaar dat van de noorderling, een nauwelijks hoorbare fonetische afwijking die haar, ondanks zijn bescheiden input, meteen apart zet van (de rest van) het gezin, en haar een easy target maakt voor annexatie door de kwade kracht wiens (omni)potentie zonder omhaal vanaf het eerste shot van de film is gepresenteerd. Is ze vanaf het begin uitverkoren om een instrument te zijn in het wrede universum van Borgman en de zijnen, tijdens de angstaanjagende ‘I have to pick a bouquet for Madam’-scène lijkt ze zich van haar eigen rol nog nauwelijks bewust. Na de ingreep, waarop ik haar in de eerste brief uitvoerig laat vertellen, slaat haar makke tone of voice volledig om: ‘Shut up. You’re (just) a guest in this house.’

Met deze magische woorden heeft ze de soldaat zowel veroordeeld als voor een slechter lot behoed. Weliswaar knock-out geslagen en op het bankje van een lullig bushokje gedumpt, eindigt hij niet in een ontluisterend ondersteboven dat de andere slachtoffers overkomt die Borgman onverhoeds voor de voeten lopen. 


BORG 1. persoon die zich voor een ander, voor het geval dat deze zijn verplichtingen niet nakomt, aansprakelijk stelt, thans vooral met betrekking tot geldelijke verplichtingen 2. onderpand, cautie 3. waarborg 4. krediet. 1237



De eerste brief


Doomkerke, 7 mei 2013


Lieve Arthur,


Het is lastig om je te kunnen concentreren met een zaklamp tussen je tanden. De kont van het ding tikt ongenadig tegen mijn tong. Een nare reflex beneemt me de adem. Ik slik. Ik stik. Ik moet bijna kotsen. Maar ik moet je schrijven. Twijfel woelt in me als een ongenadig beest. Mijn huid jeukt. Alsof iets smerigs aan me plakt wat ik niet kan wegspoelen. 


Nu de eerste euforie van het weggaan gezakt is, begint mijn hartslag weer te vertragen, ja, net zo langzaam als vanouds. Hoe noemde jij het ook al weer? Het Deense stille meisjessyndroom. Je warme hand op mijn koude borst. Toen sloeg ik nog niet van me af.


‘Daar ergens achter al dat vlees ligt je maagdenhartje verscholen.’


Dat zei je. Belachelijk, een zin die je vast had opgepikt uit een stoffig boek. Je had gelijk: ik ben een vertraagde, mijn bloed was altijd kouder dan dat van andere kinderen. Wat ik hier en nu aan ruisend bloed door mijn aderen hoor stromen, klinkt menselijker. Een slome hartslag.
Vertrouwd. 


Borgman, 2013


Camiel vergeet graag de risico’s die genomen worden tijdens de operaties. Hij verheerlijkt de insnijdingen. Hij heeft nooit een misser meegemaakt bij het ontzielen. Iedere incisie wordt koelbloedig met vaste hand en ontsmette instrumenten uitgevoerd. Stainless steel. Direct na mijn behandeling, toen de jongens, Ludwig en Pascal, aan het bekvechten waren over wie per ongeluk een kruisje op mijn schouderblad had gezet, hengelde hij naar complimenten, terwijl... Het had behoorlijk fout kunnen gaan. 

‘Een non-intentioneel abusief.’ 

Rare Vlaming met zijn hoge mannenstem. Neutraal, vriendelijk, geruststellend, bezwerend. Ik kan me er nog net tegen beschermen. Tegenover Pascals zachtmoedigheid en ontwapende humor sta ik weerloos. Immuniteit ontwikkelen duurt generaties. Misschien dat mijn kleinkinderen met elkaar en de door hen omgetoverde halfmensen een nieuwe supermacht zullen vormen die uitstijgt boven de trieste keuze tussen goed en kwaad. Misschien mag ik het nog meemaken. Bestaat er een moreel midden dat door de massa een grijs gebied wordt genoemd? (Ja, mijn lief, ik weet, dat doe jij niet.) Jij niet. 


‘Abuis, amai.’ 

Er werd hysterisch gelachen door de rest terwijl de kinderen die stilletjes waren aangeschoven, gewetenloze bekeerden net als ik, opvielen in een verveeld en saamhorig zwijgen. Een bloedgevaarlijk trio. Je zei het zelf tegen me toen je hen voor de eerste keer zag. Dat het ‘goochempies’ waren. Achterbaks. Vooral de jongste, de melkblonde Isolde met de albino-ogen. Ik vroeg of je tv met hen wilde kijken. Een stomme tekenfilm. Isolde zat het verst van je vandaan, maar is naderhand, toen ik weg was om bloemen te plukken, naderbij geschoven. Ik ben niet gek. Een spichtig kind dat over onvermoede krachten beschikte en een stervende indringer in het bezit van de nodige spelbrekerspapieren met een loodzware terrastegel voorgoed tot zwijgen bracht. Voer voor de vissen in de vijver. 


We zijn na de slopende afrekening met Marina een smal en kilometerlang bospad afgelopen, struikelend over boomwortels, de benen hoog opgetrokken, mijn zware rugzak schuurde pijnlijk over mijn schouderbladen. Tegen beter weten in had ik mijn zondagse bandjesschoenen meegenomen, en een saai boek over Hollandse schilderkunst dat ik van jou cadeau kreeg toen we voor de eerste keer met elkaar hadden afgesproken. Je zei: ‘De tekst is dodelijk maar wat een mooie plaatjes.’


Toen ik omzag en jouw verbijsterde gezicht voor me zag, wees Camiel de tovenaar me terecht alsof hij mijn gedachten las. De reprimande voltrok hij op zijn onnavolgbare, subtiele wijze. Hij knielde neer voor een diepe kuil met bemoste randen. Dorre bladeren waaiden omhoog vanaf de bodem en zwarte aarde stoof op. Het was windstil.


We roken regen.


Zijn knipperende oogopslag verraadden tranen. Zo stonden we een tijdje, onduidelijk wat we vereerden. Maar ik vermoed dat we, omdat we eindelijk compleet waren, ons verbonden wisten, een simultane ademhaling overstemde de telepathische kortsluiting tussen mij en de hoofdbaas, een kritieke kettingreactie die ik bijna op gang had weten te brengen, en ook ik gaf me over aan een geruststellend gevoel van saamhorigheid en harmonie.


Nee, niemand sprak. Selffølgelig. (Natuurlijk.)


Ik wist toen al dat ik de eerste kans zou aangrijpen om je te schrijven voor het te laat was, mijn telefoon was me ontnomen, een simpel toestelletje waarmee ik je lieve berichtjes stuurde toen we nog samen waren. 


Weet je nog?


Je Stine



ZIEL 1. het niet-stoffelijke, althans stoffelijke niet te bepalen beginsel op grond waarvan de mens leeft; in psychologische zin meer als het vermogen om gewaar te worden en te begeren, de zetel of bron van de gedachten, van het gevoel en van de wil; het onbewuste; het niet logisch te beredeneren gevoels- en driftleven 2. het geheel van verschijnselen die in meerdere of mindere mate verschillen van de verschijnselen die het lichaam vertoont 3. in bespiegelende of godsdienstige zin opgevat als een hoger beginsel, van goddelijke oorsprong en onsterfelijk geacht


Het kwartje dat bij mij pas viel na een aantal keren naar de film te hebben gekeken, was dat de leden van de Borgmanbende een eeuwig proces van rekrutering en verlies moeten doormaken. Het oudtestamentische Bijbelcitaat dat aan het begin van de film wordt geciteerd, blijkt verzonnen, Van Warmerdam geeft zijn wrede universum op de juiste momenten de schijn mee van historiciteit en noodlottige onafwendbaarheid. Borgman is een bovennatuurlijke figuur die gedreven door paradoxale ideologische motieven naar de aarde is gekomen. Cyclisch, iedereen wordt op de proef gesteld. Nu is de boel kapot analyseren echt het laatste wat je bij absurde werelden en kunstuitingen moet proberen. Dat is zonde van de tijd. 


ROEDEL troep, kudde van edel wild (herten e.d.) (ook in verband met wolven en ganzen gezegd). na 1950. Duits. Rudel.



De tweede brief


Blankenberge (De Fonteintjes), 20 mei 2013


Lieve Arthur, 


Ik begrijp dat je niet terugschrijft omdat je niet weet waar ik ben. De brief heb ik bij een klein postkantoor in een piepklein dorpje afgegeven. Er was niemand van de anderen bij, mocht je dit willen weten.


O, de argeloosheid van je vragen, ik mis dat zo. Meer dan de rest, dat is niet leuk om te lezen, vermoed ik, maar je wist natuurlijk dat er iets aan onze liefde ontbrak, dat ik niet zo jong en maagdelijk was als ik deed voorkomen. Je moet hebben vermoed waarom ik wilde wachten. En nu ben ik hier, met open ogen in de val gelopen, ja, ik wilde dit, het lot dat ik zelf heb gekozen maar op dit ene moment moet ik bekennen: ik mis je en heb spijt.


Ik herinner me hoe je naar me staarde, omdat ik lang was weggebleven. Je zachte verbazing omdat ik anders tegen je deed, onaardig, ongeduldig, toen je aandrong werd ik pas echt gemeen. In een geschoren kwartier draaide ik honderdtachtig graden. Ik schrijf dit aan je omdat de postbeambte mij op dezelfde manier vorste. Zijn blik bezorgde me kippenvel.


Uit angst om op te vallen wilde ik de brief snel afgeven. Niet vergeten om snoepjes en gezonde versnaperingen voor de kinderen te kopen, om geen verdenking bij de anderen op te wekken. Alleen verliep zo’n beetje alles wat ik deed en doen wilde onhandig en helemaal niet zoals ik me had voorgenomen. 


Je weet inmiddels hoe ik kan worden als ik door mijn verstand in de steek word gelaten. Mijn rationaliteit is mijn houvast. Ik vind het prettig wanneer de dingen gaan zoals ik ze me had voorgesteld. Totdat ik door Camiel werd overgenomen. Gedwongen tot hardcore gehoorzaamheid, niet dat halfbakken gedoe, kinderen in een Volvo naar school brengen, bloemen plukken in een tuin. Grenzen opzoeken. Je verstand optimaal gebruiken. Moorden als het moet.


Door de manier waarop de klerk me met zijn blik ontleedde, werd ik nerveus. De man was ook geen normale. Het uniform dat hij droeg was ouderwets, het feit dat hij een uniform droeg in een dorp van geen belang was overdreven, het jasje was haastig dichtgeknoopt, een knoop miste, onderaan bungelde een lullig draadje. Niet iets wat je als klant meteen zou opmerken wanneer je snel geholpen wordt. Door zijn getreuzel dwong hij mij om terug te kijken, te doen als hij bij mij, en dat was het laatste waarop ik zat te wachten. 


Gisteravond gebeurde er iets vreemds. ­Ludwig vertelde een verhaal, hij las voor zoals je aan kinderen voorleest, en zoals ik hem eerder in het huis aan de kinderen heb horen voorlezen, alleen waren de kinderen er niet. 

‘We hebben aan ze gevraagd of ze ergens anders wilden slapen,’ zei Pascal. Ik werd door Camiel gewenkt om dichterbij te komen. Dat deed ik. Hij las. Ik luisterde. De intieme voorleessessie werd ruw door een binnenstormende Bianca onderbroken. Ze sloeg ons letterlijk uit elkaar met haar mollige armen. Verdacht slanke vingers. Dat ze trots is op haar handen verraadt de verse manicure. Camiel stopte met lezen en ik rolde snel opzij, zoals je doet wanneer iemand een handgranaat je schuilplek binnen gooit. Dat vertelde jij, soldaat van me. Nu ik dit opschrijf, bedenk ik dat ze jou beter hadden omturnen. Dan was je er nu nog geweest. En ik?


Zomaar een gedachte. Ik mis je niet. Nog niet. Niet op een manier die van mij een zwakke schakel maakt, als je begrijpt wat ik bedoel.
Bianca was jaloers. Niets was er over van haar beschaafde vernislaagje dat ze droeg tijdens de uitvoering van de gezagdragende beroepen die ze in de diverse moord- en opruimscenario’s mocht spelen. Was ik bang voor haar? Kun je hier nog bang zijn? Nee, natuurlijk niet. We zijn de dood voorbij. We zijn de helpers van de dood. De dood helpt ons. Een complexe relatie. Het mes snijdt aan twee kanten.


Haar maaiende armbewegingen deden me denken aan wat ik weet van de oude gek, de profeet Mozes, tijdens het splijten van de wateren. Dode zee, Rode zee. Mijn ouders hadden een hekel aan oudtestamentische vertellingen. Niet zonder reden verliet ik jong het huis. Ik heb tegen je gelogen. De Van Schendeltjes waren niet mijn eerste gezin.


Ik hoor hoe Camiel aan komt lopen, ongeknipte nagels krassen de verschroeide aardkorst open, we moeten door, we moeten vluchten uit onze holen. We zijn verraden, het is jouw schuld, hoor ik de blaadjes van de bomen fluisteren. 


Kisses


Je Stine



De derde brief 


Kleiburcht, 7 juni 2013


Arthur, mijn lief, 


Er zijn nieuwe ontwikkelingen. Ik heb de kinderen gevraagd of ze wilden leren rekenen. Op hun slaapkamer hingen posters van planeten, er lagen plastic dieren in de vensterbank die in hun slaap bewogen. Op mijn vingers telde ik ons aantal na, drie kinderen, en daarna ik. Eerst Camiel, toen Ludwig, Pascal, of kwamen zij eerder? De vrouwen, gedwee, getweeën. Ik heb ze in hun hondse halfnatuurlijke staat gezien, ben nog niet zover dat ik sneller kan rennen dan zij, maar windhonden staan bekend om hun lage intelligentie. Je kunt niet alles hebben in dit leven. Of dat een bekende Deense uitdrukking is? Geen idee. Nee. 


We zijn in totaal met negen, ik vorm samen met de kinderen een kwetsbaar jong kwartier, iedereen heeft van nature iets van numerologie meegekregen, negen wil een tien zijn, en de tiende, dat ben jij. 


Mijn liefste, ik wacht. Steek over, in de nacht. 


Je begrijpt dat we in de beschutte contreien van beschermde natuurreservaten en slaperige gehuchten zijn bleven steken. Ik heb de postbeambte in vertrouwen moeten nemen, omdat ik wilde, omdat ik wil, omdat hij..., nou, omdat hij me lastige vragen stelde, maar toen erg vriendelijk werd en suggereerde dat een geadresseerde het beste een brief naar het postagentschap zou kunnen sturen. Dat ben jij. Hij wilde met alle liefde de brieven voor me bewaren, mocht ik niet in de gelegenheid zijn in de buurt te blijven. Hij bood aan om me te schrijven. 


Schrijf me, 


Je Stine


KIND 1. (op zichzelf beschouwd mens in onvolwassen staat, klein, nog jong mens van het ene of het andere geslacht; 2 (figuurlijk) iemand die onschuldig, onervaren, onwetend is 3. (met betrekking tot de geboorte, de levensstadia, de vorming enzovoort) baby, jong, kleintje: 4. (van het standpunt van of met betrekking tot de ouders) zoon of dochter ongeacht de leeftijd 5. (in de vocatief) liefdevolle of medelijdende, ongeduldige enzovoort aanspreking van een jongere 6. vertrouwelijke, soms enigszins neerbuigende aanspreking van een meisje dat geen kind meer is of een vrouw.



De vierde brief 


Vogelensang, 19 juni 2013


Lieve Stine, 


Wat een bizarre verrassing dat je schrijft. Is dat makkelijker dan een sms’je sturen? Of heeft dat tuig je telefoon afgepakt? Dat zou me niks verbazen. Ze hebben mij net niet het ziekenhuis ingeslagen. 


Over je opmerking dat ik samen met de kinderen televisie wilde kijken, en dat kleine meisje; je vergist je. Jij vroeg aan de kinderen of ik... Je vroeg aan een stel kinderen of zij het goed vonden dat ik... Het maakt me nog steeds verschrikkelijk boos. Was ik een kind in jouw ogen? Je zei: ‘Jongens, dit is Arthur. Mag hij met jullie meekijken?’

Geen idee naar welke film we hebben gekeken. Ik was alleen maar met mijn gedachten bij jou, hoe je rook, hoe je naar me keek. Vol belofte. Ik was in de war, eerst boos, toen werd ik opgewonden. Na het eten, dacht ik, dan gaan we weg en dan zal ik je een lekker lesje leren. 


Wist jij dat ik van driekwart van de aardappelen die ik van die Marina moest schillen, smerige zwarte klei heb moeten afspoelen? Alles plakte. Op een gegeven moment had ik er echt de balen van, maar toen ik de pan wilde geven aan de vrouw van die klootzak die mijn vader beledigde, deed ze alsof ze me niet snapte; ze stak haar handen in de straal van haar dure kokendwaterkraan. De stoom sloeg ervan af, zo heet. Ik schreeuwde het uit. Het was overduidelijk kokend water en zij liet haar handen verbranden om mij... Ik snap er nog steeds niets van. Stom wijf. Ik denk niet dat iemand haar een seconde mist. Met die achterlijke schilderijen. Klotekunst. 


Ik heb met mijn vader woorden gehad, dat spreekt. 


Met liefde, 


Je Arthur