Iets zouden we doen

Honderd jaar geleden verscheen Nescio’s verhalenbundel met de verhalen De Uitvreter, Titaantjes en Dichtertje. Net als toen leven we weer in een tijd van kleine geloven en grote verhalen. Maar anders dan Nescio’s helden zijn de hemelbestormers van nu reactionair en bloedserieus.

'Jongens waren we, maar aardige…' (sic)
Thierry Baudet


Niet zo lang geleden las ik een boek over de Eerste Wereldoorlog. De schrijver vertelde over hoe longen uit elkaar knappen als ze zich vullen met mosterdgas, en over militairen die goedgemutst hun dood tegemoet marcheren voor de eer van het vaderland of iets anders waarin iemand ze heeft laten geloven. Een paar dagen nadat ik dat boek had weggelegd, schoot me te binnen dat uitgerekend Nescio in min of meer datzelfde tijdperk schreef.

Tussen 1911, toen Nescio debuteerde in De Gids, en 1918, het jaar waarin zijn eerste bundel verscheen, schreef hij zijn bekendste verhalen. In dezelfde periode nam Nederland tienduizenden vluchtelingen op, raakte de economie grotelijks ontregeld en konden politici hooguit op kousenvoeten door Europa sluipen. Bij Nescio komen dit soort toestanden eigenlijk nauwelijks aan de orde. Wie hem leest, kijkt door een heel smalle kier naar de jaren rond de eeuwwisseling. Daarom – en omdat iedereen weet dat we een literaire wereld niet mogen verwarren met de historische werkelijkheid – is het weinig uitnodigend om een historische lezing van Nescio's werk geven.

Toch dringt zo'n lezing zich de laatste maanden steeds weer aan me op. Dat is niet omdat ik feiten of politieke bespiegelingen uit Nescio's werk naar het hedendaagse debat zou willen takelen. Wat me in de eerste plaats interesseert, zijn de dingen die hij niet zegt. Het hele wereldgebeuren schuifelt terloops op de achtergrond voorbij, terwijl zijn personages zich op de voorgrond mijmerend aan het dichterschap wagen. Om deze blik op de werkelijkheid, die alles op een afstand zet, is het me te doen.


Om te laten zien wat Nescio niet bespreekt is een beetje context onontkoombaar. Vanaf halverwege de negentiende eeuw ontstonden er allerlei maatschappelijke stromingen die rond de eeuwwisseling hun hoogtepunt bereikten. Het was, zo zou je kunnen zeggen, de tijd van kleine geloven en grote verhalen. De term 'kleine geloven' komt van de historicus Jan Romein, die er wereldbeschouwingen als het feminisme, vegetarisme en spiritisme mee aanduidde. Samen met de antroposofie, de tolstojaanse blootvoeterij, het christen-anarchisme en nog een hele sleep maatschappelijke zienswijzen, waren deze overtuigingen gematerialiseerd in tijdschriften, communes – denk aan Walden van Frederik van Eeden – en al dan niet spirituele clubs zoals de Rein Levenbeweging. De 'grote verhalen' waren tezelfdertijd te vinden in ideeën over wetenschappelijke vooruitgang, socialisme en volks nationalisme dat op steeds meer plaatsen voet aan de grond kreeg. Het zorgde ervoor dat Europa door veel mensen als een enerverend, maar nogal explosief continent werd beschouwd. En daar kwam die Wereldoorlog een paar jaar later dus nog bij.

Nescio adoreerde Frederik van Eeden, die hij zelfs navolgde door een bescheiden kolonie te beginnen

Nescio, of eigenlijk de schrijver J.H.F. Grönloh, kwam met deze grote en kleine ideologieën regelmatig in aanraking. Zo adoreerde hij Frederik van Eeden, die hij zelfs navolgde door een bescheiden kolonie te beginnen. Een kolonie die overigens net zo roemloos als Walden ten onder ging, alleen dan geruislozer. Grönloh had vertegenwoordigers van vrijwel ieder klein geloof onder zijn vrienden en hij begaf zich bovendien in socialistische kringen. Sommige ervaringen uit deze milieus keren aarzelend terug in zijn literatuur. Van Eeden voerde hij op in de openingszin van De Uitvreter, enin Titaantjes vertelt hij over salonsocialist Hoyer die 'bij de bonzen van de S.D.A.P. begint te horen'. Daarnaast vermoed ik dat een van zijn alter ego's, Koekebakker, losjes is vernoemd naar Jaap Koekebakker die in dezelfde periode als Grönloh actief was in de Amsterdamse sdap, al heb ik daarvoor geen enkel bewijs. Wel weet ik dat God om de haverklap verschijnt: is het niet in de natuur, dan toch in het hoofd van Flip of als passagier in de trein naar Delft. Desondanks worden de kleine geloven en grote verhalen altijd zijdelings geïntroduceerd en nooit echt in de bek gekeken.


Er zijn nogal wat auteurs die Nescio een ironicus hebben genoemd. Hij laat zijn karakters wandelen en over kunst praten terwijl in de verte de wereld instort. Het is de belofte van de mislukking die nogal eens de boventoon voert, zoals in Titaantjes, als Koekebakker zegt: 'Om elf uur stonden we dien avond nog weer aan 't strand in de nacht. Er was wat wind komen opzetten, de golven ruischten. Een weinig drank had de weemoed en de somberheid verdreven. Een nieuwe tijd zou aanbreken. Bekker zou in de eenzaamheid van zijn Duitsche kosthuis Dante vertalen, zooals nog nooit iemand 't gedaan had. Bavink had een groot doek in z'n hoofd, een gezicht op Rhenen, hij was daar eens een dag geweest, duidelijk zag hij alles voor zich. En Hoyer ging werken aan z'n sociale taak; ze zouden er van opkijken. En ik probeerde 't allemaal te gelooven.' Prachtig natuurlijk, al lijkt deze vorm van ironie vandaag de dag steeds minder goed begrepen te worden.

Dat komt onder andere omdat er een overweldigende hoeveelheid uitgesproken opvattingen bestaat over wat ironie precies is. Filosofen van de laatste decennia bijvoorbeeld zien ironie graag als een onthechting van metafysische waarheden. De ironicus is niet aan één waarheid blijven hangen en is zich bewust van de toevallige omstandigheden waaronder zijn taal, kennis en traditie tot stand zijn gekomen. Zo opereert de ironicus op een afstandje van de meest verhitte debatten. Die afstand is niet het resultaat van desinteresse of spotzucht, maar van het besef dat alles ook anders had kunnen lopen en dat grote woorden en zekerheden daarom nooit op hun plaats zijn. Met enige welwillendheid zijn er best sporen van deze houding bij Nescio terug te vinden. Het grote manco van dit type ironie is echter dat het geen fundament voor kennis, moraal of schoonheid meer toelaat. Dus wie Nescio als dit type ironicus beschouwt, zet daarmee de deur open voor het idee dat hij het leven een vergeefse exercitie vindt. Dat is een positie die we de vroegtwintigste-eeuwse Nescio niet in de schoenen moeten schuiven.

Een andere, meer gangbare, vorm van ironie is dat je het tegenovergestelde zegt van wat je bedoelt. Ironie is dan een soort doen alsof. Dat is het fraaiste terug te vinden in het werk van Gerard Reve – naar wie deze vorm van ironie zelfs werd vernoemd – maar ook Arnon Grunberg en veel andere Nederlandse auteurs kunnen er wat van. Zij spelen met het-grote-zeggen-wat-niet-gezegd-mag-worden. Deze schrijvers zijn ongetwijfeld door Nescio geïnspireerd, maar ik zou ze liever niet met hem op één hoop vegen. Nescio bedoelde geregeld precies wat hij zei en provoceerde aanzienlijk minder expliciet dan iemand als Reve. En er is nog een reden waarom ik over deze opvatting van ironie twijfel. Een variant van deze ironische blik is namelijk een soort nationale stijlfiguur geworden op de rechterflank van het publieke debat. Als gemuteerd nihilisme verstrekt de ironie een vrijbrief om geen ernstige keuzes te hoeven maken. Met hun ironische blik hebben mensen als Theo van Gogh, Theodor Holman en de knullen van GeenStijl.nl de fatsoensmensen op links geridiculiseerd en effectief belachelijk gemaakt. Dat deden ze net zo lang tot ieder geloof in een betere wereld er zelfs bij de linkse mensen wel zo'n beetje uit geramd was. Dat is zeker niet de ironie waaraan we moeten denken als het over Nescio gaat.


Nescio in 1947.


De ironie van Nescio is een andere. Het is de ironie van het kleinschalige, van het fijne penseeltje dat mensen schildert die op een dag besluiten zich 'humanitair' of 'cynicus' te noemen, terwijl ze diep van binnen weten dat ze burgermannen zijn. De ironie waarmee hij deze mensen begroet, herbergt niet de sleutel tot de destructie van metafysische waarheden en is evenmin een uit de hand gelopen verkleedpartij. Het is ook al geen polemisch wapen, maar een blik die haar object tegen de klippen op serieus blijft nemen. Denk aan de zelfspot van de verteller in Nescio's kleine verhaal 'Eerste ontroering', waarin een jongen tot na sluitingstijd van de stilte in Artis geniet. 'God erbarme zich over de cynici. Ik ben nu cynicus. Misschien was 't beter als ik maar heelemaal gek geworden was of overreden door de tram wat dikwijls bijna gebeurd is. Vroeger was ik dichter. En als cynicus zeg ik: 't was geen lolletje, voor mij niet en voor niemand.' Het illustreert dat niet de hardste schreeuwers en gevaarlijkste gekken Nescio's werk bevolken, maar de luchtfietsende twijfelaars met een gemiddeld instabiel gestel. Nescio's beheerst de zachtmoedige ironie van bijna: bijna kunstenaars in Titaantjes, bijna religieus in 'Insula Dei', bijna een reden van bestaan in Mene Tekel. Dat is iets anders dan de harde ironie uit het recente publieke debat.

Over de rol van ironie in het moderne publieke debat moet nog één opmerking worden gemaakt. Want hoewel de Amerikaanse filosoof Richard Rorty de ironische houding dertig jaar geleden nog presenteerde als links alternatief voor moralistisch en metafysisch absolutisme, werd het in de praktijk vooral een rechts gereedschap om wereldverbeteraars mee om de oren te slaan. Daarbij komt dat er niet alleen een politisering en verharding van de ironie gaande is; de ironie lijkt steeds vaker helemaal te verdwijnen. Zowel ter linkerzijde als ter rechterzijde nemen de ernst en serieusheid zienderogen toe. Het is vooral daardoor dat ik werd aangemoedigd me nog eens in de literaire blik van Nescio te verdiepen.


Het moment van die aanmoediging is op de minuut nauwkeurig vast te stellen. Ik meldde mij op 19 januari jongstleden om 17.34 uur op de stoep voor een middelgroot congrescentrum te Rijswijk. Die avond zou daar een conferentie plaatsvinden onder de naam 'De Nederlandse Leeuw'. Deze bijeenkomst was aangeprezen als 'nationale denktank', maar in de praktijk spraken er vooral mensen die een hekel hebben aan wat iemand 'de verstikkende walm van de linkse politiek' noemde. Het hele gebeuren zou 'vernieuwend' en vooral 'fris' zijn. Meer mensen wilden weten hoe zoiets eruit ziet, want op die stoep trof ik een lange wachtrij die uiterst traag het gebouw in gleed. Ik sloot aan. Naast me stonden een joviale man met een Make America Great Again-petje en zijn zoon, die oordopjes in had.

Iemand snelde de rij voorbij en in die schim herkende ik de jonge belofte van de rechtse toekomstmaatschappij. Ter voorbereiding op deze bijeenkomst had ik enkele artikelen gelezen waarin deze filosoof een hoofdrol speelde. Ik wist dus onmiddellijk met wie ik te maken had. Dat gold niet voor de beveiligers die belast waren met de bewaking van de ingang van de congreszaal. Zij hielden de rennende denker staande en verzochten hem de inhoud van zijn koffertje te tonen. Het koffertje, zo werd al snel duidelijk, zou onder geen beding worden geopend. Een toegesneld lid van het organiserend comité was bereid te bevestigen dat de man, die het koffertje nu angstvallig met beide armen omklemde, inderdaad een belangrijke gast en zelfs spreker was, maar de beveiliging was onvermurwbaar. Toen het tot de inspirator van de Nederlandse strijd tegen de culturele verslapping doordrong dat hij zich gewonnen moest geven, smeet hij zijn koffer met een dramatisch gebaar op de grond. In het zicht van de toegestroomde bezoekers werd de koffer met onderbroeken en toiletartikelen van de erespreker van die avond aan een onderzoek onderworpen.

Wat mij zo trof aan dit rommelige tafereel, was de ernst waarmee alles gebeurde. Ik weet nog dat ik dacht: als je zoveel stampij kan maken om een koffer, hoe opgefokt ga je dan straks een lezing geven? Dat bleek een juiste inschatting. Want hoewel in de zaal een gemoedelijk sfeertje hing, waren alle lezingen die avond met een diepe ernst omkleed. De eerste spreker vertelde over hoe Europa binnen afzienbare tijd overspoeld zou worden met vluchtelingen. Hij propageerde een aantal oplossingen uit de klassieke eugenetica. De hoofdspreker was een Canadese psycholoog die het publiek aanmoedigde om God, Freud en Nietzsche weer te omarmen. Dat vond ik een curieus drietal. Toen de jonge denker eindelijk het woord mocht voeren, bulderde hij langdurig over de gevaren van het cultuurmarxisme, een geheime postmoderne variatie op het marxisme die eropuit is de westerse wereld planmatig te gronde te richten.


Al deze voordrachten meende ik met een korreltje zout te moeten nemen. Maar daarin had ik me vergist. In de wandelgangen van het congresgebouw bleken de woorden letterlijk te worden opgevat. Letterlijk moeten de buitenlanders het land uit, letterlijk moeten de cultuurmarxisten uit hun functies worden ontheven, letterlijk staat de conservatieve revolutie voor de deur. Zelfs de metaforen van weleer werden hier als harde feiten gepresenteerd: islamisering, volksverdunning, linkse indoctrinatie. Meer dan over de sprekers, verbaasde ik me daarom over de bezoekers. Jongens waren het, een groot aantal van hen zat nog op school, of in de eerste jaren van hun studie en ze meenden hier iets gevonden te hebben waarnaar ze al een tijdje op zoek waren. Nu heeft W.F. Hermans wel eens gezegd dat de personages in het werk van Nescio allemaal bang voor de wereld zijn en voor vrouwen in het bijzonder. Ik weet niet of hij daarmee aan de kern van Nescio's oeuvre raakte, maar het leek me in deze context een belangrijke observatie. Toch deden de jongens in Rijswijk me geenszins aan Nescio's karakters denken. Alleen al omdat er geen twijfel was, geen bijna.

In de dagen die volgden zag ik deze nieuwe letterlijkheid overal. Zelfs op GeenStijl.nl – ooit het mekka der nihilisten ­– werd de hernieuwde noodzaak van een standvastig godsgeloof gepassioneerd bediscussieerd. De nieuwe generatie op rechts is niet moe van links geworden, maar van hun eigen rechtse voorgangers die veel te relativistisch waren. Het bevestigde mijn idee dat de destructieve rechtse ironie momenteel in rap tempo verkruimelt. De omkeringen, achteloosheden en ludieke metaforen verdwijnen. De woede is niet langer gespeeld, maar metafysisch echt. Dat circus in Rijswijk en de ernst waarmee de meest krankzinnige politieke projecten de afgelopen tijd voor mijn ogen vorm kregen, deden me daarom denken aan sommige ontwikkelingen in de jaren rond 1900.


We leven weer in een tijd van kleine geloven en grote verhalen, zij het op een andere plaats in het politieke spectrum. De moderne kleine geloven zijn reactionair en positioneren zich als de tegenhangers van wat zij als kwaadaardige bewegingen zien. Ze voeren een strijd tegen het 'cultuurmarxisme', tegen het 'postmodernisme', tegen de 'mainstream media'. Meer dan eens balanceren ze daarbij op de rand van het complotdenken – zoals rond 1900 het occultisme nooit ver weg was. De nieuwe grote verhalen zijn ondertussen verpakt in neoromantisch nationalisme waarin naar de heelheid van een etnostaat wordt verlangd. Zo horen we de hordes jeugdige mannelijke wereldbestormers hardop denken over de grote daden die ze van zichzelf verwachten en het avontuur dat hen is ingefluisterd. In de verte lijkt het op Nescio's legendarisch geworden citaat uit Titaantjes: 'Wat we eigenlijk doen zouden is ons nooit duidelijk geworden. Iets zouden we doen.' Maar anders, want bloedserieus.

Zij hielden de rennende denker staande en verzochten hem de inhoud van zijn koffertje te tonen

Die vaststelling deed me terugverlangen naar zowel de personages van Nescio als de milde ironie die hen ten deel valt. Misschien bestaan er nog Titaantjes, maar de jonge mannen die zich momenteel publiekelijk in de kijker spelen zijn dat zeker niet. Ze zijn ook geen Koekebakker of een van Nescio's andere ik-figuren die de wereld vanaf een afstandje gadeslaan terwijl ze tot de echte hoofdzaak van het leven doordringen. Zulke mensen zullen er toch nog wel zijn? Mensen die echt over kunst praten, in plaats van zichzelf 'de grootste intellectueel van Nederland' te noemen terwijl ze Nescio verkeerd of onvolledig citeren. Na Rijswijk richt ik mijn hoop niet meer op de jongens, maar op de vrouwen, die er in Nescio overigens nogal bekaaid vanaf kwamen. Want na 'Jongens waren we', het dichtertje dat zijn vrouw de vrouwonvriendelijke drukproeven liet lezen en het meisje Lien dat de gezelligheid verstoorde door te komen schoonmaken, lijkt het me in veel opzichten tijd voor vrouwelijke Titaantjes. 'Meisjes waren we – maar aardige meisjes', dat zal ze leren.


Tot slot de ironie van Nescio en diens blik op de werkelijkheid. Er bestaat zo'n fenomeen dat als je in de duisternis naar de hemel staart, je bepaalde sterren alleen ziet als je er net naast kijkt. Daar is een biologische verklaring voor – het menselijk oog pakt zwak licht beter op in de marges van het blikveld. In de literatuur en de geschiedenis is dat niet anders. Zoiets als een tijdgeest en vooral hoe je daarmee om moet gaan, zie je het beste als je richtingloos de diepte in tuurt en niet gaat zoeken naar de antwoorden. Dat doet Nescio als hij alle grote verhalen en kleine geloven links laat liggen en langs de maatschappelijke ontwikkelingen naar de mensheid kijkt. Zijn ironie is geen expliciete bestrijder van universalisme en doet evenmin dienst als politiek wapentuig. Het is de fijnbesnaarde spot die als luchtig literair tegengif kan dienen in een dom en opgefokt maatschappelijk debat. Dat kunnen we wel gebruiken.