I

De onderneming is te hoog gegrepen.

Vereist zijn liefde en zelfoverschatting,

moed en onnozelheid.
De weg naar Florence strekt zich
onbegonnen
onder donker gesternte uit; waar destijds

de reis naar Aphrodite’s eiland,
waar de liefde strandde, aanving:
het vliegveld is een toegang
waar ik op demonen stuit,
bij aankomst voor vertrek al
overweldigd word door meer dan
alle reukwaters der wereld,
die vooral een luchtledig creëerden
dat vluchtiger verging dan was voorzien,
slechts even werd geroken, opgesnoven
en dan in gaten neergeslagen
waar louter de eigen heugenis reikt –
waar slangen huizen, hun oude huiden,
afgestroopt, zand erover, zijn opgespannen;
taai zijn ze, en zo herkenbaar en zo

moeiteloos
weer om te slaan dat vel: de hel,
toen jij dat zei, dat was je zelf
en waar je aan ontkomen bent;
de vloeistoffen van hogerhand
ontsmette je, verpakte je in transparant
bewaarplastic; je zakelijke extase
steeds een via dolorosa,

de mijne een zwart gat.
De weg naar Florence

leidt dan ook eerst naar Parijs.
Hoog en licht het terminalzwerk
dat zweeft aan een sterrental
onzichtbare vingers.

II

Op noodsprongsafstand wijzen zij
witzilver naar beneden,
naar mij, man als overkant
waar niemand aankomt, man als standbeeld

op wiens schouders duiven landen,
in wiens zangen duivels huizen
als in die van hem die ik vol vragen volg,
die wanneer ik naar een toevlucht zoek

gramstorig altijd op mij wacht.
Geen wonder (of: een wonder)
dat de weg naar Florence
na twee afgedreven landingen
via Bologna om gaat daar een storm

de luchthaven had overmeesterd,

gelucht maar gehavend

onbereikbaar had achtergelaten;
de storm die zich nog toont
in de witwaas aan plastic
in de berm langs de weg die per bus
uren later zal leiden naar Florence.
Ferrari’s jagen wenend langs,
spoilers hen er listig van weerhoudend
het luchtruimsop te kiezen,
zich in het einde te verliezen,
(ons daarmee spiegelend);
de weg naar Florence beleeft files,

telt tunnelingangen waarboven

alarmlampen
als de remlichten van voorgangers
plots opvlammen, rood als dood –
maar stoppen ho maar, wát nou
licht aan het eínd van de enzovoort!?
De chauffeur houdt de vaart erin,
legt zo een gat in mijn maag dat beklijft.

III

Wanneer de tunneltocht, al deed hij zich

onontworstelbaar voor, eindigt

is de weg naar Florence nog niet over.
Links, rechts en midden in het asfalt
doen de gaten in het asfalt
ons schudden van de gaten in het asfalt
maar dan legt de weg naar Florence
zich toch neer bij waar de stad
hem in haar straatjes velendeelt.
Daar staat het kerkcomplex,
middels VVV-sluis te betreden,
waar de reiziger de kalk aantreft
met Masaccio’s Vader, Zoon en H. Geest
(die ontbreekt). Later groet ik

wie inderdaad weer op mij wachtte:

mijn door duivels bezeten, door duiven

bescheten,
zwartgallig de op het infernale plein

aan zijn voeten wemelende massa’s
beloerende broeder; hoeder die zichzelf
in de boezem der grootsten noodde,
geen nederigheid toonde waar het
om het vergankelijke: om de poëzie gaat,
die de waarheid liegt of ze gedrukt staat,
die haar niet voor wat ze is laat.
In de stad met de oude brug
waarop alles goud is dat er blinkt
maar die eenmaal gepasseerd verzinkt,
in de stad die ik met het einde
van de toekomst in gedachten betrad
maar nu als geboren verlaat,
in de stad waar de avondmis mij overvalt,
het holst van het schip mij omspint,
leidden mij de gaten.

Onno Kosters (1962) is dichter, vertaler en docent Engelse letterkunde en vertalen (Universiteit Utrecht). Meest recente bundel: Vangst (Atlas Contact 2014). In ‘De weg naar Florence’ daalt de dichter af naar de stad waar Dante zelf, als ware hij Vergilius in De heilige komedie, hem zal leiden als trooster en leraar.

Meer van deze auteur