26 juni 2016, Berlijn-Wannsee

Lieve Nina,

Gisteren bezocht ik een tentoonstelling in het Hamburger Bahnhof, ‘Manifesto’ van de Duitse filmkunstenaar Julian Rosefeldt. Het idee is betrekkelijk eenvoudig: er hangen dertien grote schermen in een donkere ruimte, met dertien verschillende films waarin Cate Blanchett dertien verschillende rollen aanneemt. Haar stem is soms te horen als voice-over, dan weer gewoon pratend, soms direct tot de camera gericht. Rosefeldt heeft teksten van allerlei kunst- en maatschappijkritische manifesten met elkaar verknipt – Tristan Tzara, Kazemir Malevich, André Breton, Adrian Piper, noem maar op. De ene keer is Cate een zwerver met een megafoon, dan een nieuwslezeres, een poppenspeler, een beurshandelaar.

De films zijn op zichzelf vrij subliem, maar als geheel is het overdonderend. De schermen blijken onderdeel van een choreografie. Steeds op hetzelfde moment in iedere film wendt Cate zich tot de camera en begint met een monotone outer space-stem een gedeelte van een manifest te declameren – Marinetti, Guy Debord, Barnett Newman, Lars Von Trier. Er ontstaat een interessante wisselwerking tussen tekst en context. Vaak is die ironiserend: een CEO die in haar huis vol abstracte kunst begint over het proletariaat; een huismoeder die bij wijze van gebed het Pop Art manifest prevelt. Dat klinkt een beetje flauw, en dat is het ook bij vlagen, maar alles bij elkaar opgeteld raakte ik in de twee uur die het me kostte om alles te zien toch overtuigd van een diepere waarheid over, nou ja, de menselijke conditie. Het had te maken met die strijdbare toon, denk ik, die klare taal van revolutie. Het feit dat al die teksten inwisselbaar werden, en al die personages ook, en dat alles hetzelfde begon te klinken, maar niettemin relevant leek. Ik ben me ervan bewust dat deze geromantiseerde, geabstraheerde versie van verzet niet erg veel te maken heeft met verzet. Zoals ik het schrijfster Chris Kraus eens hoorde formuleren: zodra het in de kunst gaat over ‘het politieke’, is het niet meer politiek. Politiek moet specifiek zijn om politiek te zijn. En zo moet ook verzet iets in het bijzonder hebben om zich tegen te verzetten.
Toch?

Misschien is het vanwege die specificiteit dat we op weerstand stuitten toen we een aantal schrijvers vroegen mee te werken aan dit themanummer. ‘Van de vraag of literatuur/kunst iets moet word ik altijd wat narrig,’ schreef een van hen me. ‘Ik neig naar nee, al was het maar om de pragmatische reden dat ik denk dat plicht vrijwel nooit tot inzichten leidt.’
Gelijk heeft ze natuurlijk. Steeds maar weer die redacties en organisatoren met hun thema’s en rubrieken. In de zomer iets zomers, in de winter iets winters, en op de zoveelste sterfdag van Shakespeare, Shakespeare. En nu komen wij dus met een themanummer over verzet.

Verzet als thema.
Zoiets leek ons relevant. Omdat deze tijd zich niet erg goed leent voor vrijblijvendheid (maar then again: welke wel?). In elk geval komen we in onze gesprekken – voor het gemak verdeel ik ze onder in de categorieën ‘literatuur’ en ‘leven’ – steeds weer uit bij dezelfde soort vragen: hoe moet een (schrijvend) mens weerstand bieden, en waaraan? Wat is betrokkenheid, wat is empathie, wat heb je eraan, wat heeft de wereld eraan?

Plicht en inzicht. Ikzelf heb ook altijd gedacht dat die twee niet per se bij elkaar horen, waar het schrijven betreft. De kunstenaar moet vrij zijn, niet gehinderd worden door opdrachtgevers, modegrillen, zelfcensuur, verkoopbaarheid- om maar een paar dingen te noemen. Natuurlijk schrijven we ze, de gelegenheidstukjes, we moeten toch ook ons geld verdienen, maar grote inzichten heeft dat soort stukjes mij inderdaad nog nooit opgeleverd. (Soms leveren zulke verzoeken wel interessante dilemma’s op: waarvoor leen je je, en voor welke prijs? Toen ik laatst voor een goed bedrag werd gevraagd om een verhaal te schrijven ter promotie van een kaasmerk, dacht ik: over my dead body – het is nu eenmaal gemakkelijk om moreel superieur te zijn als je je dat financieel kunt permitteren).

Maar de laatste tijd begin ik te vermoeden dat het toch anders, of in elk geval genuanceerder ligt. Dat die afkeer van plicht (want: inperking, onvrijheid) voortkomt uit een wellicht te romantisch idee van wat schrijven, of überhaupt scheppend bezig zijn, inhoudt. Waarom is het eigenlijk zo erg om je tot iets verplicht te voelen? Waarom zijn we zo afkerig van het idee om ook maar een beetje ingeperkt, aangesnoerd, afgericht te worden?

Omdat we, denk ik, totaal zijn geïndoctrineerd met het idee dat een kunstenaar een soort vrij zwevend genie is, voortgestuwd door een verlangen naar uniciteit en niet gehinderd door de regels en principes die voor de meeste mensen gelden. Ik chargeer natuurlijk, maar toch vraag ik me steeds vaker af of dit (onbewuste en wijdverbreide) idee van de kunstenaar er niet toe bijdraagt dat kunst zo vaak wordt gezien als iets inessentieels, iets wat zich niet in de maatschappij afspeelt maar slechts aan de randen daarvan.

Een kunstenaar, een schrijver, die al het plichtgevoel afzweert, verleent zichzelf in feite een vrijbrief om zich te onttrekken aan alles wat zij te ingewikkeld, te vreemd, te ver van haar bed vindt. Een vrijbrief, ook, om niet specifiek te hoeven zijn – om nog maar even met Kraus te spreken. Hoe en vogue is het voor een schrijver om te zeggen: daar heb ik geen mening over, dat moet ik eerst laten rusten. Ik hoor het mezelf zeggen, keer op keer op keer.

Maar eigenlijk vind ik het dus flauw. Als je kan denken, dan moet je ook in staat zijn om te denken over iets waar je misschien niet in eerste instantie uit eigen beweging over nadacht. Natuurlijk is dit een note to self, zoals misschien de meeste brieven dat zijn. Maar het lijkt me een experiment waard. Vanaf nu zal ik tegen mezelf zeggen: plicht leidt tot inzicht. Vanaf nu zal ik proberen te schrijven in het gebied tussen verzet en overgave, tussen het grote en het kleine, het abstracte en het specifieke. Mijn moreel compas om mijn hals als een talisman.

Veel liefs,
Je N

Amsterdam, 25 augustus 2016

Lieve Niña,

De romantiek van de revolutie. I hear you, sister. Ik ben de afgelopen jaren steeds naar de bioscoop gerend als er weer een film uitkwam waarin emancipatiestrijden werden uitgevochten, fotogeniek in beeld gebracht met aantrekkelijke acteurs.
Cate Blanchett was er daar een van, in Carol, over lesbische liefde in de jaren vijftig. Jij vond het een tranentrekker, dat weet ik, maar het was wel een van de vele films voor een groot publiek van de laatste tijd waarin een vrijheidsstrijd uit het verleden centraal stond. Zomaar een greep: Selma, over Martin Luther King, Sufragette, over vrouwenkiesrechtactivisten in de 19e eeuw, Pride, over de mijnwerkersopstanden in het Engeland van de jaren tachtig.

Ik kan nog wel even doorgaan, maar ik wil ermee zeggen dat het hedendaagse filmhuispubliek er blijkbaar graag in het luie pluche aan wordt herinnerd hoe zuurverdiend onze Westerse vrijheden zijn.

Zijn dit soort films daarmee ook politiek of geëngageerd? Ik denk het niet. Hoogstens dragen ze bij aan een historisch besef, laten ze een jong publiek zien wat er voor nodig is geweest om wat zij nu vanzelfsprekend vinden tot stand te brengen. Maar voor mij vormen ze vooral een soort entertainment dat een vrijblijvend verlangen aanwakkert naar de heroïsche kanten van verzet.

Het is een gegrond cliché over onze generatie dat we bewust zijn – zelfbewust, vooral – maar weinig politiek. Onze steun aan de goede zaak betuigen we klikkend, ons vertrouwen en onze interesse in partijpolitiek is bedroevend laag.
Tegelijkertijd hoor ik mezelf de laatste tijd vaak concluderen dat het emancipatoire tijden zijn. Onder druk van een handvol onvermoeibare activisten is in Nederland bijvoorbeeld binnen een paar jaar het besef gegroeid dat ons land nog steeds schokkend veel racistischer is dan we hoopten. Feminisme is momenteel niet alleen hip, maar ook mainstream aan het worden (of dat een goede zaak is, komt aan de orde in het stuk van Daan Heerma van Voss). En van genderstudies, die vijftien jaar geleden nog een academische niche vormden, plukken jongeren nu de vruchten – all the kids are queer, these days.

Je zou dat kunnen wegzetten als de onoprechte politieke correctheid van een vrijzinnige elite, maar je hoeft maar naar de popcultuur te kijken om te zien dat het breder is dan dat. Bijna alle grote voorbeelden van deze tijd dragen liberale waarden uit.

Voorlopig doet dat natuurlijk niet af aan de rats waarin we ons bevinden. Wij mogen tot een apolitieke generatie horen, maar de tijden zijn zo veranderd, de schaduwen van ons vrije bestaan zijn zo snel zo dichtbij gekomen, dat we blijkbaar tocht de behoefte voelen om het over verzet te hebben, jij en ik.

Om terug te komen op je brief, het ligt voor de hand om te vervallen in weer een discussie over de al dan niet politieke potentie van kunst en literatuur. Ik vind dat leuke discussies, ik heb er wat ideeën over, maar het pijnlijke is dat je altijd in hetzelfde kringetje blijft rondcirkelen. We raken het er altijd wel over eens dat kunst niets moet, en meestal blijven we existentieel vertwijfeld achter met de vraag of de kunstenaar überhaupt iets kán veranderen, ook al zou hij dat willen.
Voor al te expliciet geëngageerde kunst hebben we bovendien allebei een zekere allergie, weet ik. Ik denk dat je het, heel plat, een angst voor platheid zou kunnen noemen, ingegeven door een ingesleten postmoderne esthetiek van complexiteit, waarin alles wat eenduidig is verdacht is. Geef maar toe, Weijers, jij herkent dit ook.

Dubbelzinnigheid vinden we mooi. Eenduidigheid vinden we ordinair.

Terecht, natuurlijk. Maar het wordt een probleem als absurdistische, onmenselijke omstandigheden, zoals je ze niet eerder meemaakte, bijvoorbeeld, ergens in je een politiek vuur aanwakkeren – en je tegelijkertijd je leven wilt geven aan het maken van mooie kunst, omdat je nu eenmaal hebt opgepikt en diep gelooft dat dat van vitaal belang is.

Het probleem is dan misschien dat we het vanzelfsprekend vinden om die twee verlangens aan elkaar gelijk te stellen. Moet een politiek mens ook meteen een politieke kunstenaar zijn? Het is de verplichte vereniging van die twee aspecten, die ons in dat cirkeltje houdt wanneer we het hebben over kunst en engagement.

Kunst is tot niets verplicht, nee, maar dat wil niet zeggen dat je je als mens niet plotseling diep verplicht kunt voelen, zoals je schrijft, om je pen te trekken, je voordeur uit te stappen, je mond open te doen. Mooi en complex hoeven niet altijd de criteria te zijn, en je verraadt ze niet door ze af en toe ontrouw te zijn.

Dit is theorie. Een andere, belangrijke vraag is daarmee niet beantwoord. Waar ligt de grens, Weijers? Wanneer zal het salongesprek dat wij hier voeren – hoe gepassioneerd ook – overgaan in een niet te onderdrukken neiging om de straat op te lopen en te schreeuwen? Bestaat dat moment? En lijkt het op hoe je het je voorstelde toen je als kind dacht dat jij zeker in het verzet had gezeten, als je in de oorlog had geleefd? Is er staatsonderdrukking nodig voor écht verzet? Zouden we weer een boos stuk schrijven als er op het strand van Zandvoort een vrouw uit haar boerkini gedwongen wordt?
We zijn bewust, pik. We kennen onze gedeelde verontwaardiging, onze gedeelde woede. We weten steeds beter en genuanceerder hoe we die moeten verwoorden.

Wat gaan we doen? Zijn wij geschikt?

Ik hoor het graag.

Liefs, Nina

16 september 2016, Berlijn

Lieve Polak,

Bijna drie maanden later schrijf ik je wederom vanuit Berlijn – ik zou hier kunnen noteren dat dat een cirkel rond maakt, maar eerlijk gezegd weet ik niet goed welke cirkel dat zou moeten zijn, een slang die in zijn eigen staart bijt, misschien.
Gisteravond, in Amsterdam, vierde de Athenaeum Boekhandel zijn jubileum. Er werd een documentaire vertoond over de geschiedenis van de boekhandel, een halve eeuw geleden opgericht door Johan Polak – idealistisch, belezen, openlijk homoseksueel en, niet onbelangrijk, miljonair. De documentaire was ontegenzeggelijk nostalgisch: witte mannen van boven een zekere leeftijd vertelden over die goede oude (dogmatisch linkse) tijd en werden begeleid door archiefbeelden die je deden wensen het allemaal te hebben meegemaakt. Provo’s die het Lievertje in de hens zetten, Dolle Mina met een pop-up-persconferentie bij het Athenaeum Nieuwscentrum, communistische (en pornografische!) blaadjes die zowel boven als onder de toonbank werden verkocht, studenten die op een wankel laddertje het Maagdenhuis binnenklommen, krakers, vrijzinnige ‘kerkdiensten’ die boven de boekhandel werden georganiseerd voor iedereen die niet paste binnen de smalle ideologische kaders van de reguliere kerk.

Het was zo politiek allemaal, zo houtje-touwtje, zonder gestroomlijnde infrastructuur, marketingstrategieën, winstoogmerk. (Dat het nieuwscentrum een klein percentage van de opbrengst wilde van de blaadjes die door jan en alleman werden binnengebracht, vonden die blaadjesmakers al schandelijk kapitalistisch). Nu, decennia later, is de boekhandel nog steeds en misschien meer dan ooit een baken van kennis en wijsheid in de stad, maar de schappen van het nieuwscentrum worden inmiddels voornamelijk gevuld met mode- en designbladen. De winkelmedewerkers zijn deskundig, maar allang niet meer hautain. Het jublieumfeest zelf was strak georganiseerd, genodigden kregen polsbandjes voor gratis drank, de burgemeester sprak een woord, er waren goodie bags.

Zoals jij ook al min of meer opmerkte: we leven in een tijd waarin politieke kleur niet meer duidelijk of vanzelfsprekend is, waarin emancipatie op allerlei niveaus plaatsvindt maar niet echt meer op straat, waarin ‘het systeem’ zo complex is, zozeer verweven met onszelf ook, dat daadwerkelijk verzet vaak onbegonnen werk lijkt.

‘Iedereen haat dichters,’ schrijft Hannah van Binsbergen in antwoord op onze vraag een hedendaagse ‘J’accuse!’ te schrijven. ‘Ook ik, en mezelf niet het minst […] Kapitalismecritici die zichzelf zien deelnemen aan het systeem dat ze haten, dat hen kapotmaakt, maar ook de bijzondere omstandigheden produceert waaronder zij hun poëzie schrijven, waardoor ze ervan afhankelijk zijn, wat ze ook haten.’

Hier in Berlijn is het, net als in Nederland, bijna dertig graden (zo’n 12 graden boven de gemiddelde septembertemperatuur, las ik. Misschien moeten we het idee geen nieuwe kinderen meer op deze oververhitte en alom smeltende aarde te willen zetten toch zo langzamerhand serieus gaan nemen), hier binnen zit ik met een vest aan omdat de airco te koud staat afgesteld. De mensen van het literatuurfestival stonden me daarnet op te wachten bij het vliegveld, in een geluidloze auto vervoerden ze me naar de stad, ik kreeg een pakket met informatie, moest hier en daar een handtekening zetten, vond een paar briefjes van honderd in een envelop, kreeg een receptionist aan de lijn die opnam met ‘bonjour’ (Franse hotelketen, zo blijkt).

‘Zijn wij geschikt?’ vroeg je in jouw brief aan mij, alsof we samen figureerden in een spotje van de landmacht. Ik zag voor me hoe we door de modder tijgerden, over allerlei mosgroen gekleurde obstakels klommen, in een helikopter over een woestijnachtig gebied vlogen.

Je vroeg je af of er een moment bestaat waarop het salongesprek overgaat in echte actie.

Ja, ik denk dat er zo’n moment bestaat. Wil je weten wat ik denk over dat moment?

Simpel: wanneer het vage onbehagen omslaat in iets concreets, iets wat onze levens aanraakt en opschudt, onze manier van leven, zoals politici aan alle kanten van het spectrum zo graag mogen zeggen. Wanneer Nederland onder water komt te staan, het fort dat Europa heet binnen zijn muren implodeert, de brandstoffen op raken, de bommensplinters onder onze huid kruipen. Met andere woorden: wanneer het politieke persoonlijk wordt.

Ik denk dat dit voorlopig nog niet gebeurt, overigens. Zo lang het bloed niet uit onze eigen oren komt gespoten, kan het onbehagen blijven knagen wat het wil. Bij mij is het in elk geval nog niet groot genoeg om de madeleines te laten staan, de airco uit te zetten, mijn kingsize nachtrust eraan te geven.

Maar ik dwaal af, want, lieve Nina, ik ben geen activist maar een schrijver. En dit is een literair tijdschrift, geen anarchistisch kookboek dat voorschrijft hoe je een bom bouwt. Ik zal me altijd hard blijven maken voor ‘mooi’ en ‘complex’, niet alleen omdat ik denk dat het mijn vak is, maar omdat ik er werkelijk van overtuigd ben dat de samenleving daarmee is gediend. Ja ja, de samenleving – die kluwen van mensen, gemeenschapjes, verhalen, verzinsels, regelrechte leugens. Het samenraapsel dat wij Nederland noemen en dat, vaak onhandig, vaak niet genoeg, vaak regelrecht verkeerd, probeert iets te zijn wat de dictatuur ontstijgt, zodat ons de vrijheid wordt gegund eerst en vooral onze eigen onderdrukker te zijn.
Waarom zou je eigenlijk niet ingewikkelder doen dan nodig? Als je het simpel wil, kun je net zo goed meteen in je graf gaan liggen.

Daarom word ik ook, en ja, nu ga ik na ‘samenleving’ ook dit woord in de mond nemen, gelukkig van bijvoorbeeld de verhalen die Michael Tedja, Shira Keller en Jan Postma voor dit verzetsnummer schreven. Stuk voor stuk zijn het verhalen die de complexiteit van het beschrevene volledig omarmen, in geen enkel opzicht – inhoudelijk, stilistisch, vormtechnisch – kiezen voor het zwart-wit van de simpliciteit. Zelfbewuste stukken, waarin het onbehagen nooit ver te zoeken is, en die toch daadwerkelijk ergens over gáán. Over de communistische verzetsheld Jan Postma, bijvoorbeeld, die op een onduidelijke datum in 1944 werd gefusilleerd door de Duitsers. Over de (door anderen en zichzelf) monddood gemaakte dichter Stanley Brouwn, over onderhuidse en expliciete vormen van racisme, hypocrisie, empathie, over engagement in tijden van Candy Crush.

Verder formuleert Louise Fresco een aanklacht tegen de VN, roepen Jamal Ouariachi en Hannah van Binsbergen schrijvers op om niet te gaan zitten meesmuilen, beklaagt Christophe van Gerrewey zich over de verwording van de literatuurkritiek, plaatst Daan Heerma van Voss vraagtekens bij het hedendaagse feminisme.

Het ongemak is er, maar de wil om iets te formuleren over zaken die ertoe doen, ook.

Verschillen wij hedendaagse mensen (schrijvers, lezers) wezenlijk van de verzetsmensen in de Tweede Wereldoorlog, de provo’s, de hippies, de Dolle Mina’s, de krakers, de antimonarchisten? Dat geloof ik niet.

De strijd van onze tijd is een andere, onze verhouding tot staats- en machtsstructuren is een andere, de afmetingen van de aarde zijn compleet veranderd (al vraag ik me regelmatig af of hij nu krimpt of juist groeit).

Maar net als wij werden die schrijvers, mensen, activisten uit het verleden gedreven door een verlangen ergens deel van uit te maken – een gedachtegoed, een groep. Zoals Michael Tedja de protagonist van zijn verhaal ‘Jezus zonder omslagdoek’ laat zeggen: ‘Het is nu eenmaal zo dat mensen ergens bij willen horen. Anders krijgen ze last van identiteitsproblemen.’
Misschien is dat een van de grote, tijdloze vragen die we onszelf kunnen blijven stellen: waar willen we bij horen, en waarom?

Veel liefs,
Niña

Amsterdam, 18 september 2016

Lieve Weijers,

De onbestemde kring is rond: ook ik ben net terug uit Berlijn, waar ik de tentoonstelling zag van Rosefeldt, die je in je eerste brief aanbeveelt. Overdonderend, inderdaad. Meer om de cinematografie, weliswaar, dan om de politieke zeggingskracht. In gelikte Hollywoodbeeldtaal wordt getoond hoe veel van de verschillende kunstenaarsmanifesten deel zijn gaan uitmaken van diezelfde Hollywoodesthetiek.

Een sterk voorbeeld is een van de eerste korte films, waarin we Cate zien als zwerver, moederziel alleen, benend door een prachtig postapocalyptisch, industrieel landschap. In haar hand een megafoon, waardoor ze in de woorden van Marx en Engels het einde van de kapitalistische orde afkondigt. Ze is een archetypische doemprofeet, Shakespeareaans, die in de populaire verbeelding die Rosefeldt hier persifleert opvallend vaak een zwerver is – de buitenmaatschappelijke visionair, die leeft tussen de ruïnes van het systeem.

Dat beeld laat goed zien hoe ook het revolutionaire mythologie wordt. Opgenomen in de popcultuur wordt tegencultuur gevaarloos.

Maar dit zijn nu net de soort zichzelf in de staart bijtende, academische conclusies die je mag verwachten van iemand als ik. Iemand die de luxe heeft zich eindeloos bezig te kunnen houden met de mooie paradoxen. Systeemkritiek in het hart van het systeem, precies waar Van Binsbergen het over heeft. Ik heb dat op school geleerd.

In de inleiding van haar boek De oorlog heeft geen vrouwengezicht schrijft Svetlana Alexijevitsj over haar jeugd in een Wit-Russisch dorp: ‘We hadden altijd oorlog gevoerd of ons op oorlog voorbereid […] Op school leerden we de dood beminnen. We schreven opstellen over hoe we ergens voor wilden sterven… Daar snakten we naar…’

Ik kan me dat snakken voorstellen, maar daarmee is de wil om ergens voor te sterven bij mij niet gewekt, ik heb dat niet op school geleerd. En ook als ik de brief lees die de verzetsheld Jan Postma (zie het stuk van zijn jonge naamgenoot) aan zijn vrouw schreef vlak voordat hij gefusilleerd werd, vermoed ik toch dat iets ons, vredeskinderen, wezenlijk onderscheidt van hen die in oorlog leven of hebben geleefd. Postma schrijft zijn Nel: ‘We mogen niet alleen aan ons zelf en aan het heden denken. Wat ik de laatste maanden heb beleefd en doordacht heeft me nog meer overtuigd van de noodzakelijkheid te strijden voor een betere samenleving […] O lieve Nel als Paultje en zijn vriendjes eens voor zulk een herhaling gespaard bleven! Als zij eens een beter leven en een betere toekomst kregen. En ik ben er zeker van dat dit geschiedt. Als ik hieraan ook maar iets heb bijgedragen was het leven en werken niet te vergeefs en het pogen alleen is reeds waard er voor te leven en te sterven.’

Onszelf en het heden. De paradox (daar ga ik weer) is natuurlijk, zoals jij ook al schrijft, dat velen van ons die grootheden pas écht kunnen ontstijgen, juist wanneer iets betrekking begint te krijgen op onszelf en ons heden. De brief van Postma ontroert me diep, maar zijn moed en opofferingsgezindheid zijn iets exotisch voor me. Als ik daarover lees kan ik het dan ook niet helpen me af te vragen of dit werkelijk is hoe Jan erin staat. Of hij niet eigenlijk denkt: ik sterf straks bang en alleen, in een gure duinpan, niet wetend hoe deze oorlog eindigt, was ik maar dicht bij mijn vrouw en kinderen gebleven. Zo kon ik me van de Amerikanen in Afghanistan ook nooit voorstellen dat hun gespierde vaderlandsliefde kon bedekken wat zich opdrong: ze stierven bang en alleen, in een stoffige woestijn, voor een oorlog van een stel psychotische machtswellustelingen.

Bij mij op school werd meer aandacht besteed aan nihilisme dan aan patriotisme.

Ja, dit is weer het ongemak van iemand die alleen kan snakken naar de wil om ergens voor te sterven. Wij zijn geneigd dat zelfbeklag te noemen, dat weet ik uit onze gesprekken. Het viel ook te verwachten dat als we generatiegenoten om verzet zouden vragen, we met het nodige zelfbeklag te maken zouden krijgen. Wat hebben onze Nederlandse leeftijdgenoten immers om zich werkelijk tegen te verzetten, behalve zichzelf? Ons is de vrijheid gegund, schreef je al zo mooi, om eerst en vooral onze eigen onderdrukker te zijn.

Daarmee stuiten we misschien toch op iets wezenlijks. Er moet blijkbaar altijd een onderdrukker zijn. Als het de staat niet is, dan worden we het zelf wel. We zullen ons altijd blijven bevrijden, van de ander, van onszelf.

Literatuur gaat over allerlei soorten gevangenschap en bevrijding. Maakt dat een literair tijdschrift tot de plek voor anarchisme? Mijn antwoord daarop wordt voorgeschreven door een van onze grootste onderdrukkers (godzijdank), de romantiek. Ons idee om De Gids tijdelijk tot een plek van verzet te bombarderen was romantisch, denk ik. Daarachter verschool zich de hoop dat wij, literair volk in stoffige redactiekelders, weer eens relevant konden zijn, net als in illusterder tijden.

Misschien willen we daar bij horen. Een illuster gezelschap waarvan de radicale woorden over vijftig jaar worden gevulgariseerd door een hippe mediakunstenaar. Welke die radicale woorden zijn, laat zich helaas niet zo makkelijk bepalen. Het lijkt geen tijd meer voor manifesten, er zijn tegenwoordig altijd te veel stemmen om gehoord te worden – is dat dan wat Rosefeldt wilde laten zien, door al die verschillende Cates door elkaar te laten roepen?

Vergis ik me, Niña, of heeft het monogeluid van het manifest afgedaan? En stel ik trouwens te veel vragen? Zeg ik te vaak misschien?

Zijn wij geschikt, vroeg ik je, inderdaad zoals in het landmachtspotje. Ik bedoelde, zoals het spotje dat eigenlijk ook bedoelt: zijn wij bereid te sterven?

Tot het bloed uit onze oren spuit zijn we gedoemd te antwoorden met het woord dat ons hierin misschien wel het meest definieert.

Misschien.

Veel liefs en tot snel in Nederland,
Nina