**7 – 150
Ze houdt de krant voor mijn gezicht en wijst
met haar middelvinger naar het portret
dat op de voorpagina staat afgebeeld onder de kop**

Er speelt een zwart-wit James Bondfilm uit de jaren zeventig waarin de hyperactieve hoofdpersoon met varkensbloed over zijn gezicht en een trainingspak aan op opgefokte toon zegt: ‘Schop dan. Spring dan. Schop!’ Floor zegt dat haar benen zich van de ene naar de andere plek verplaatsen. Gebiologeerd kijkt ze ernaar. Ze ligt naast de designstoel die tegenover mij staat en waar haar vuile kleren omheen gedrapeerd zijn. Ik vraag Floor, die aan de lopende band sigaretten rookt, of ze de televisie uit wil zetten. ‘Doe het zelf,’ zegt ze. Ik ben geen sportieveling. Daar heeft ze gelijk in. Ik heb weinig lichaamsbeweging als ik aan het lezen ben. Ik heb een dagblad in mijn hand. De film op de tv kan mij niet enorm boeien. Ik blader wat. Dagbladen, soms vind je er wel een interessante foto in – 
Jezus zonder omslagdoek zittend op een sokkel, een full body portrait van de Heer in de vorm van een sculptuur. Het beeldje is gemaakt in de negentiende eeuw, staat er onder de foto. Het eerste wat opvalt is dat het beeld beschilderd is – de huid van de zoon van God is beschilderd. Voor zover zichtbaar op de zwart-witfoto is die beschildering zwart-wit. Jezus heeft namelijk zijn omslagdoek afgedaan en er verschijnt een pikzwart lichaam. De voorheen onbedekte delen zijn blank, om te doen geloven dat de man van origine wit was. De delen die onder het beschermende doek zaten zijn een revelatie, althans voor degene die denkt dat Jezus blank is. Het lichaam is zwart vanaf de knieën tot net boven de borsten. Ik begrijp dat opdringerige van het geloof niet. Ik ben mijn eigen lichaam, geest, omgeving en geschiedenis.

**7 – 151
Portret in een portret**

Ik heb hoge koorts, mijn bloed kookt en ik ben in staat tot niets, de ziekteverwekkende bacteriën die in het lichaam een plek opeisen, zorgen voor het draaien van overuren van de bloedcirculatie. Ik heb het er erg warm van en mijn hersenen krijgen die oververhitte vloeistof toegediend. Dit heeft mede tot gevolg dat ik ga ijlen, teksten die misschien al jaren hebben liggen rijpen in een van de opslagkamers van de geest krijgen nu vrij spel in een verhaal dat van begin tot eind is doorleefd: ‘Zij die niet in de geest kunnen schilderen, kunnen nooit nuttige macht in de wereld scheppen. Zij die niet in de ziel kunnen schilderen, kunnen nooit geluk scheppen of hindernissen in het leven overwinnen.’

**7 – 152
Klap in het gezich** t

Beneveling was ooit deel van mijn leven. Ik heb de bier- en wijnglazen in de glasbak gegooid. Floor, mijn lieve vriendin, was de stad in gegaan. Toen was ik alleen thuis en ik had dorst. Het glas met water had ik op de tafel gezet. Vandaag gaat Floor op zoek naar een paracetamolletje vanwege de hoofdpijn waar ik mee kamp. Wijn en wiet consumeren we niet. Ik lieg. Verder hebben we fysiek nergens last meer van. Het klopt niet wat ik zeg. Nee, niet zoals Floor. Zij heeft, voordat ik haar heb leren kennen, met de tijd gaten in haar longen gebrand. Ze heeft een half jaar coke gerookt. Daar heeft ze longemfyseem en tbc aan overgehouden. En ze heeft vijf jaar in een vochtig kraakpand gewoond waardoor haar gewrichten zijn aangetast door een lichte vorm van reuma. En dat terwijl we afkomstig zijn uit de gegoede burgerij. Echt, ik had het gevoeld. Bij de eerste kennismaking met haar ouders viel mij op dat ze me niet in mijn ogen aankeken. Ze probeerden door mij heen te kijken, alsof ik van glas was. Ik rook het meteen en wist: dit is een verhaal waarin mijn achtergrond centraal staat. Ik wist ook meteen wie daarin het beste tot zijn recht zou komen… Ik schudde de klamme zweethanden en stelde me voor met: Ik. Het is van belang dat ik een duidelijk gedefinieerd begrip word, dacht ik. Waarom? Daarmee wordt mijn meervoudige identiteit ondermijnd, mijn beweeglijke hoofd en de verschuivingen binnen en buiten dat hoofd. Mijn zelfbeeld is verbonden met de wereld. Dat is altijd al zo geweest.

**7 – 153
Ik ben een kind dat zijn eigen gezicht beschijnt**

Een schelm? Nee. Maar op twaalfjarige leeftijd vermaalde ik de paracetamoltabletten van mijn ouders tot fijne poeder en deed alsof dat de cocaïne was waar iedere volwassene op de televisie, in de flat of op familiebezoek in overtreffende trap slecht van sprak. Zo beeldde ik me in die tijd in dat er een figuur in mij leefde die alles van mij wist, vaak nog voordat ik het zelf doorhad. Dan sloot ik mijn ogen en kwam er een figuur aanlopen. Ik lachte de figuur, die op een geschilderd portret leek, uit en schreef de ontmoetingen gedetailleerd op in mijn aantekeningenschrift. Groenbedrukte plastic zakjes met een softdrugembleem waren voor iedereen voor handen. Het was niet moeilijk om de vermalen paracetamol daarin te doen. Ik droeg het goedje op zak als ik buiten aan het spelen was op het grasgroene veld alwaar ik de buurtkinderen moest overtuigen van mijn verzetsplan. Daar vertelde ik aan mijn beste vriendjes dat ik de zuivere coke had gekocht in Rotterdam, terwijl – voor hun ongelovige gezichten punkachtig provocerend – ik de dikke lijnen opsnoof. De oudere jongens uit de buurt die altijd baas boven baas speelden geloofden er niets van. Zij wisten dat cocaïne nooit in plastic zakjes verkocht werd. Het poeder is vet, het zou aan het kunststof zakje blijven plakken, waardoor er te veel in het zakje achter zou blijven. Daar was het veel te duur voor. Het was geen argwaan van hun kant. Nee, ze geloofden me gewoon niet. Ik, met volwassen fantasieën, hield stug vol dat het echt goed spul was, en dat degene van wie ik het gekocht had mij nooit troep zou verkopen. Ik werd met magisch paracetamolpoeder en al afgezwaaid als een dartelend velletje papier dat meegenomen werd in een windvlaag die plotseling optrok vanuit een waaigat en beloofde mezelf met gebalde vuisten en tranen in mijn bruine ogen dat ik, als ik op mijn achttiende het huis uit zou gaan, als een grootsteedse kunstenaar door het – volgens mijn brave vriendjes en vriendinnetjes – verdorven leven zou gaan.

**7 – 154
Ik schijn met de zaklamp in haar gezicht**

Koortsdroom één: Ik keer nooit meer te Blauw. Het weer sloeg om. Onweer. Er lag een deken. De dammer brak. Het bord brak. De hamster duldde niets, had geen geduld en staakte. Ik lachte met een reden en bleef in achten doorrijden. Door rood. Door mijn hoofd. Ik zag een snelweg bedekt met zand. Het was me gelukt het zand te wegen. Ik had hoofdpijn. Het hoofdhaar was dood, mijn oor platgereden. De in elven gedeelde nacht. De schakelauto. Ik onthaalde een reeks kusjes van het getal negentien en heb van waardevol papier een schakel van besmette bessen, druiven, een ui en vanzelf een best gekaakte pier gemaakt. Een plemp pap in het zand gegooid. De penveer, kop, peen en uien leken te vissen, maar een tomaat schakelde de automaat. Ik had een blik van staal. In mijn maag zat geen behaagzieke slaaf. De taal affikken en kostelijk overal tussendoortrekken.

**9 – 187
Floors kruis**

We lopen naar het bed toe. Floor heeft een mes in haar rechterhand. Ik vraag haar wat ze daarmee van plan is. Ze antwoordt niet. Ik schraap mijn keel en zeg: ‘Vandaag ben ik als herboren. Een schrijver en een schilder die ziek zijn, met dikke koortslippen. Tijdens het zweten fluit ik liedjes.’ ‘Dat is geen lied, dat is meer een gedicht,’ zegt Floor. Ze gooit een paracetamoltablet op het bed. Ze haalt het mes langs haar tong en geniet zichtbaar van mijn verontwaardiging. ‘Floor, hou daar mee op.’ Ze bloedt als een rund. Nee, niet dat ze stopt… Ze kiest de pijn opnieuw door het mes dieper in haar tongvlees te duwen. Ik lig op de matras met open mond naar haar te kijken. Het brengt oude herinneringen naar boven. Ze loopt al bloedend naar de matras toe. Wat wil ze? ‘Een bloedkus of het kussen dat naast mij ligt?’ vraag ik. Ze pakt het kussen en haalt er de witte sloop van af, dept de bloedtong. Het wit van de sloop wordt roze, dan langzaam donkerrood. Een akelig gezicht. ‘Wist je dat sommige mensen niet in staat zijn te reflecteren of tot bespiegelen? Alles wat je ze vertelt moet minstens twee keer worden herhaald, in steeds weer andere woorden en verhalen die eenvoudig te begrijpen zijn. Ga je mond met zout water spoelen,’ zeg ik tegen haar.

**9 – 188
Kruiselings**

Floor staat naakt voor me. Ze vraagt waar ik aan denk nu ik met een stijve op de matras lig.

‘Waar denk jij dat ik aan denk?’ vraag ik haar.

‘Ik?’

‘Je moet tegenwoordig verdomme in de krant staan om gelezen te worden. Ik zal schrijven tot ik erbij neerval.’

‘Ik dacht dat je aan mij dacht,’ zegt ze teleurgesteld. Ze trekt de kleren die op de grond liggen weer aan.

‘Floor, ik ben allang gekomen. Je hebt het niet eens doorgehad.’ Ik wijs naar het zaad dat op de matras ligt.

‘Seks en dood,’ zegt ze. ‘Pure romantiek.’

‘De dood…’

‘Ik begrijp je niet. Zie je het dan niet? Zie je niet wat er gebeurt?’ vraagt ze.

Ze loopt naar het midden van de kamer en zet een Arenbie cd van Ginuwine op. Hyperlibidineuze muziek die uit de speakers komt. Vreselijk en mooi tegelijk. Ik heb dorst, sta op, loop naar de kast en draai me om. Aan de kastdeur naast de eettafel hangt een ovale spiegel. Floor wijst naar de spiegel. Nu ik in de spiegel kijk zie ik dat ik op degene lijk die naar mij kijkt. Volkomen logisch. Ik neem een slok water.

**9 – 192
Existentieel**

Floor, mijn lief, is ook kunstenaar. We hebben geen lichtblauw beschilderd plafond. Wel een IKEA-kast. Ik ben verliefd en eet alles op wat Floor stiekem verstopt of voor zichzelf bewaart in de koelkast, de kleine kast onder de gootsteen en de grote paarsgele stapelkast van IKEA in de woonkamer. Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat ze naar mij kijkt. Ze kijkt me met haar grote ogen aan. Ik loop naar het raam toe en doe het open. ‘Floor, een wens is dat ik onze kinderen ophaal op woensdagmiddag. Dan gaan we naar een speeltuin ergens in Nederland en daarna naar een tentoonstelling van mijn schilderijen in het Stedelijk Museum dat tegen die tijd hopelijk onder leiding is van een gemêleerde directie. Het museum en de traditie. De traditie als justitie. Justitie als vlucht. Vluchten als vermaak. Zonder boodschap geen verzoek. Zonder propositie geen utopie. Zonder visie geen verzet. Kunst voor op het toilet. Het museum als kantoor. Een kantoor zet slechts voort. Alle mensen willen meer. Entertainment en Vermeer. Na dit alles stijg ik op.’

**9 – 193
Melancholie**

Ik loop achter haar aan en zeg: ‘Sommigen beweren dat het Afrikaanse continent te lang in een vacuüm heeft verkeerd en achterloopt op de moderne ontwikkelingen. Westerse kunst zou meer afstand in zich dragen en daarmee een grotere objectieve waarheid representeren. Ik heb altijd de neiging deze figuren te confronteren met een vorm van haantjesgedrag, om ze te bestrijden met eigen middelen.’

‘Hoe wil je die berg omvergooien?’ Ze gaat zitten.

Ik blijf staan. ‘Aanvallen wil in dit geval zeggen dat hun systematische ontkenning opengebroken moet worden. Want wie beweert dat hoogstaande kunst per definitie westers is, ontkent de geschiedenis van het roven. Westerse ontwikkelingen hebben een grote vaart kunnen nemen mede dankzij roofbouw.’

‘Je zegt dat alle witten leugenaars zijn?’

‘Ik zeg dat afstandelijke kunst deels een product is van de roofcultuur.’

‘Ach, ja…’

‘Luister… men moet zich van de materie vervreemden om zich deze eigen te maken. Als iets eigen is voel ik niet de noodzaak dat te verbloemen of systematisch te ontkennen. Roofbouw kan alleen worden verantwoord door een verwrongen vorm van rechtsgevoel. Het is hoogstwaarschijnlijk zo dat de woorden ‘vervreemden’ en ‘ontvreemden’ daardoor zo veel verwantschap vertonen.’

**9 – 196
Hoeren houden niet van seks**

We zitten tien centimeter van elkaar af.
‘Er zijn mensen die geilen op het systeem,’ zeg ik. ‘Die onverschilligheid is erbarmelijk. Het zijn zielige mensen. Het zijn typisch van die mensen die zonder de gestelde hiërarchieën geen eigen plek kunnen formuleren.’
‘Ja, ja, ja.’

‘De kunstwereld is net als alle andere sectoren van de maatschappij aan modes en trends onderhevig. Daar valt niets aan te doen. Het is nu eenmaal zo dat mensen ergens bij willen horen. Anders krijgen ze last van identiteitsproblemen.’

‘Dat heb je al eens eerder gezegd, meen ik me te herinneren. Ik begrijp wat je bedoelt. Ik heb ook een hekel aan meelopers,’ zegt Floor. ‘Als ik op straat loop heb ik altijd last van mensen die voor mij lopen. Ze bewegen te langzaam en als ik er langs wil lopen ze me alsnog voor de voeten. Ze zijn gewoonweg stuurloos en doen dingen maar weten eigenlijk niet eens waarom ze doen wat ze doen. Laat staan dat innovatie een kernbegrip voor ze zal zijn.’

‘Het woord ingeslapen past ze beter, Floor.’

**9 – 197
Kunst na Freud en dat God dood is**

Er staat een poes te janken. Chanel komt in mijn schoot liggen. Ze heeft jeuk en likt zich schoon. Ik krijg ook jeuk en begin aan mijn linkerbovenbeen te krabben. Poes ontdekt iets (beweging).
‘Vader is geen psychotherapeut,’ zegt Floor.

‘Interessant,’ antwoord ik, ‘maar het belang van het zwarte gedachtegoed is stelselmatig ontkend, geëlimineerd door de westerse kunstgeschiedenis. Tot op heden gebeurt dit nog. Weliswaar niet aan de oppervlakte. Achter de schermen. Beleidsmakers in de kunst draaien doorgaans het aloude plaatje af van open minded art follower. Het is duidelijk dat deze manier een vluchtige manier is die eenkennigheid in de hand werkt.’

‘Wat is daar het effect van?’ vraagt Floor.

‘Invloeden van buiten het bekende veld worden tot exotische variaties van het centristische denken gedegradeerd.’
‘Jouw antwoord is?’

‘Het volgende: meelopen als groep, dat zijn kunstenaars die voornamelijk hun posities veilig gesteld willen zien. Dit soort discussie is altijd een negatieve afgeleide van angst. Brood op de plank is voor hen de motor van angst en twijfel.’
‘Is dat de mythe van de kunstenaar?’

‘Nee. Je komt nergens als de opvattingen die je hebt en de statements die je maakt zo bot zijn als een oud broodmes. “Wild” klinkt eerder als “aangeschoten”. De mensen zullen het aangenaam vinden dat je die botte bek opentrekt – valt er nog eens iets te lachen in deze barre tijden. Het formuleren van een individueel standpunt moet zo scherp zijn als een nieuw scheermes. Al die jonge kunstenaars worden erdoor gedraaid als verse broodjes hotdog.’

Chanel miauwt. Ik klop zachtjes op haar rug en duw haar van mij af.

**9 – 199
Twijfels blijven er altijd**

‘Wat deed jij in de buurt van de Dam, vorige week woensdag?’ vraagt Floor.

‘Lopen.’

‘Lopen?’

‘Ja, lopen met de fiets in mijn hand. Toen ik van huis ging, pakte ik de fiets en toen ik de hoek omsloeg zag ik twee apen lopen. Een witte en een zwarte. Ik stapte van de fiets af en bleef staan. De witte aap had een notitieblok in zijn handen. Hij zei tegen de zwarte aap: “Als een zwarte aap een witte aap nadoet kun je spreken van humor en als een witte aap een zwarte aap nadoet kun je spreken van na-aperij.” De zwarte aap keek verbaasd en vroeg: “Waarom?” “Etnische kunst wordt gemaakt door zwarte apen,” zei de witte. “En moderne kunst door witte apen. Als een witte aap etnische kunst koopt, dan doet hij dat uit pure liefhebberij.” “Ken jij de noodzaak van de zwarte kunst dan niet?” vroeg de zwarte aap. De witte vervolgde: “Als een zwarte aap etnische kunst koopt dan doet hij dat uit pure noodzaak. Als een zwarte aap kunstgeschiedenis wil schrijven zal hij dat zelf moeten doen. Als een witte aap geschiedenis wil schrijven zal hij bepaalde feiten moeten verzwijgen.” Beide apen keken elkaar indringend aan. De witte zei: “In het licht van de witte aap is de zwarte kunstgeschiedenis onzichtbaar.” Toen zei de zwarte aap resoluut: “Dan is in het licht van de zwarte aap de witte kunst corrupt!” Ik fietste door. Even later, zo een honderd meter verderop, zag ik dat er op de stoep een cirkel getekend was waarin het volgende stond geschreven: “Waarheid. Welke? Dat heeft zin.” Dat vond ik niet vreemd. Ik fietste al fluitend die straat uit en kreeg van de eerste de beste politieagent die ik tegenkwam een boete aan mijn broek. Men mocht niet op de stoep fietsen.

**9 – 201
Nooit een eindtijd doorgekregen**

Mijn vader zei op ijzige toon: ‘Zoon, zonder angst is de mens een slap wezen. Het karakter van de mens groeit alleen als het blootgesteld wordt aan diepe angstbeleving. Het besef dat het gezonde lichaam en leven een rijke gift zijn is inherent aan nadenken. De veranderende staat van de menselijke geest toont ons hoe flexibel en sterk we eigenlijk zijn. Het maakt in principe niet uit hoe urgent de ziekte is, het zal altijd zo zijn dat het terug zal vechten.’ Het enige waar ik op dat moment aan dacht was: waar ligt de pijngrens? Ik hield me groot en was daardoor sterk. Het leek erop dat het voor een groot gedeelte bepaalde pijnimpulsen uitschakelde of omzette in een andere meer draagbare vorm. De herinneringen die ik aan de hoge koorts heb overgehouden zijn visioenen van grote voortbewegende cirkels die even later weer de vorm van ovaal aannamen en intense kleurencirkels die op verschillend ritme in elkaar overvloeiden, door warmte gedreven. Een kleurrijke wereld waarin ik duidelijke en duidende signalen kon verbinden aan abstractie die voortrolde in de tijd.

**9 – 202
Geloof dat het een verhaal wordt**

Koortsdroom twee: We woonden in een erker vol aarde van de bekende dijk uit Vla. Het leem lag op veren en vuig deerne het vee moe te etteren. Het mos at het laken. Er schalde een verdomde carnavalstoeter. Vandaar die hazenrug! In de kroeg serveerde ze vers teer uit een laatje. Ik verwierp volledig volleerd de zwartekousenkerk. Teksten als die van een heer in de luwte. Ik maakte een sprong in de kreek. Ik deugde, deed de naaf van de hand aan een vredevolle ree. Die genoot. Floor kneedde een eend. Ze detecteerde een raam en schreeuwde: ‘Aan dek worden alle bramzeilen bijgezet met een beo.’ In de gang was het het heetst. Het waren de fittingen die de dienst staakten. Het gat in het kleed. De natte hengel en de fiets leunden tegen het diarek aan. Floor wilde het triktrakbord opeten. Ook werd gezocht naar eenderde kippenren. Ik at droog brood. Voor het gehoor werd alles gewoon gehandhaafd. Veen, jam, die mofhonden zetten in. Eensgezind legden wij een natte vlecht weg. We hadden in het holst van de nacht pijn. Aan het end gaf de toekomst ons een trap tegen de derrières.

**9 – 204
Ik geloofde niet dat ze er iets van begrepen had en vroeg haar of ze er iets van begrepen had**

Ik droog mijn gezicht af met een blauwe baddoek. In de liefde moet alles constant worden herzien. De nuances en aandachtspunten veranderen van positie en daardoor komt het zwaartepunt steeds op een andere plek te liggen. De liefde is vruchtbaar en destructief, een sterke ingenieuze motor en tegelijkertijd een blinde machine. Er wordt regelmatig vernietigd en gecreëerd. Ik kijk haar aan.

‘Ik wil ontsnappen aan de sleur,’ zegt ze en vraagt of ik haar spuug wil drinken. ‘Ook niet als ik die in een kopje opvang?’
‘Of je het nou in een kopje opvangt of gewoon in mijn mond spuugt…’

Ze vraagt waarom ik dat niet wil. Ik geef haar een cryptisch antwoord: ‘omdat warm en koud vocht langs de elementen zijn weg vindt.’

‘Hou je niet van me?’ vraagt ze en zegt dat ze aan de sleur wil ontsnappen.

‘Floor, als jij vraagt of ik spuug wil drinken zeg ik, nee.’

**9 – 205
Ik geloof niet in die man met lang haar,
zomerslippers en een omslagdoek**

Ik loop naar de bank en ga zitten, kijk naar de grond, laat mijn hoofd hangen. Wat zie ik? Papier. Stapels papier. Er liggen stukken beschreven papier als een compostlaag op de grond. Ik zit op mijn grote bruinlederen bank die in de met waxinelichtjes verlichte kamer staat en stinkt van de opgedroogde urine. Er liggen papieren om mij heen. Ik ben een rijke man met een armoedige bank. Een stinkbank die ik cadeau heb gekregen van een incontinente vriend die weleens bij mij over de vloer komt. Een aroma komt mij tegemoet telkens als ik door de zachte kussens zak en de puflucht mijn breed geschapen neusholtes in verdwijnt. De geur van mensenpis mengt zich met de geur van kattenpis. Chanel, de straatkat die ik in de kelder een thuis heb gegeven, zeikt de muren en het tapijt onder. Dat doet ze weliswaar in de kelder, maar als het warm is buiten trekt de lucht vrolijk naar boven. Floor en ik doen er niet al te veel aan. Floor en ik zijn romantisch. Iedere week een glas van onze urine schijnt een zuiverende werking te hebben. Het had een tijdje geduurd voordat zij zich daaraan waagde. Het was gelukt onder de douche. Daar hebben we het ritueel uitgevoerd. De hilariteit van het verzet, het heilige geloof, was dat wij in onszelf geloofden. Buiten geloofde niemand meer ergens in. Ze dronk het alsof het een vijftien jaar oude wijn was.

**9 – 208
Conceptuele poëzie**

Het deel dat de waarheid onder druk zet,
ten faveure van de fictieve waarheid.
Waar totdat het tegendeel bewezen is.

Verzet tegen de gestelde vrijheid!
Verzet tegen de trapsgewijze macht!
Verzet tegen de provinciale houding

ten opzichte van het vreemde en onaangename.
Onafhankelijk inzicht in de bewegingen
die zich onafhankelijk gedragen.

In een tijd waarin het
nauwelijks nog de gewoonte is
een visie te hebben. Niet afvragen

wat men ervan vindt maar mijn eigen weg,
uit onmacht, veiligheidsmanoeuvre,
als vlucht voor het open graf.

**9 – 209
Het lichaam ademt en het hete bloed wordt
naar de hersenen gepompt zweten als een otter broeien stoeien knoeien zuigen bijten likken wrijven knijpen slikken krabben ruiken spugen drinken glijden**

De beschimmelde matras heb ik, zonder er een houten onderstel onder te leggen, op de grond gelegd, waardoor de vochtplekken die ontstaan zijn, doordat de vloer niet bedekt is met vloerbedekking, prachtige landschappen vormen. Een mengeling van vloervocht en zweet. Ooit had ik een psychoanalepticum gebruikt om tot rust te komen. Dat is verleden tijd. De koorts is wat gaan zakken en ik lees Amerikaanse reclamepoëzie: ‘All art is propaganda, but not 
all propaganda is art.’ Ik kras deze oneliners door met het pennetje dat ik in mijn hand heb. In de kantlijn schrijf ik: ‘Search for wisdom with a mystic calculator. Greetings to Mr. Greed, may he never come back.’

Michael Tedja is dichter, schrijver, schilder en tekenaar. Hij studeerde aan de Gerrit Rietveld Academie en het Sandberg Instituut. In 2001 ontving hij de Charlotte Köhlerprijs. Hij schreef de boeken A.U.T.O.B.I.O.G.R.A.F.I.E. (roman, 2003), De aquaholist (prozagedichten, 2005), Hosselen (roman, 2009), Tot hier en verder (gedichten, 2013) en Regen (gedichten, 2015). Op zoek naar nieuwe vormen werkt hij al jaren aan het project ‘Tekenen van een nieuwe poëzie’, waarvan dit verhaal onderdeel is.

Meer van deze auteur