Don’t ask me nothing about nothing,
I just might tell you the truth.
– Bob Dylan, Outlaw Blues

Longius hac nihil est, nisi tantum frigus et hostes
Et maris adstricto quae coit unda gelu

(Beyond here lies nothing but chillness, hostility
Frozen waves of an ice-hard sea)
– Ovidius, Tristia ii
Als kind droomde ik regelmatig van het einde van de wereld. Het is hartje zomer, stralende dag, uur of drie ’s middags, en ik zit met mijn moeder op een afgeladen vol strand. Zij bladert in een tijdschrift, ik graaf in het zand. De lucht staat bol van het gejoel van kinderen, geplok van jokariballen, getingel van ijsco- en viskarren en, verder weg, het ruisen van de branding, wanneer het muziekprogramma waarnaar de man naast ons op zijn transistorradio aan het luisteren is plotseling wordt onderbroken door een extra nieuwsuitzending. Het volgende moment is iedereen aan het roepen en schreeuwen, en sleurt mijn moeder me aan mijn arm achter zich aan naar de dichtstbijzijnde strandopgang. Op de boulevard is het een pandemonium van in zwembroek en badpak, nat en zonverbrand, door elkaar heen rennende mensen, die zich een weg proberen te banen tussen alle auto’s en bussen die luid toeterend en met gierende banden in beweging komen om even later met veel glasgerinkel en gekreun van metaal op elkaar te botsen.

Meestal eindigde de droom daar, schrok ik wakker van de kakofonie in mijn kop. Een enkele keer was er een vervolg. Het is een paar uur later. Ik sta met mijn moeder boven aan de opgang. Achter ons ligt de boulevard er op een verzameling rokende autowrakken na stil en verlaten bij, beneden is het strand bezaaid met in het zand getrapte kleren en handdoeken, omvergelopen windschermen en stoeltjes, en de levenloze lichamen van mensen die onder de voet zijn gelopen in het gedrang. Mijn moeder staat stijf rechtop, de kin trots geheven, mijn hoofd stevig tegen haar heup gedrukt. Zwijgend kijken we samen naar de horizon, in afwachting van het moment dat de grote flits van het witte licht ons komt verblinden.

Geen ongebruikelijke dromen voor een negenjarige, althans niet tegen het einde van de jaren vijftig, de hoogtijdagen van de Koude Oorlog, toen De Bom nog als een grote zwarte zon boven ieders hoofd hing. We waren nooit meer dan een druk op de knop verwijderd van de totale vernietiging, en we wisten het – met als gevolg dat ieder mens van heel dichtbij het grote niets in het gezicht kon kijken waar kunstenaars en filosofen al een tijdje zo druk mee waren.

Terwijl hij een voor een de lichten uitdeed zette hij zijn gesprek met zichzelf voort […] Waar was hij bang voor? Het was geen angst of ontzetting. Het was een niets dat hij maar al te goed kende. Het was allemaal één groot niets en een mens was ook niets. Meer was het niet, het had alleen wat licht nodig en een zekere mate aan netheid en orde. Sommige mensen zaten er midden in en merkten er nooit iets van, maar hij wist dat het allemaal nada was, nada y pues nada y nada y pues nada. Onze nada, die in nada zijt, nada zij uw naam, uw nada koninkrijk kome, uw nada geschiedde in nada zoals hier in nada. Geef ons nada ons dagelijks nada en nada onze nada terwijl wij onze nadas nada en nada ons niet in nada maar verlos ons van nada; pues nada.

Aldus Hemingway bij monde van de hoofdpersoon uit zijn verhaal ‘A Clean, Well-Lighted Place’ uit 1926, een Spaanse ober die daarmee tevens het levensgevoel vertolkt van de oude man die kort daarvoor als laatste klant het café had verlaten, en van wie gezegd wordt dat hij zelfmoord heeft willen plegen.

‘Waarom?’, had een collega van de ober eerder op de avond gevraagd.
‘Hij was wanhopig.’
‘Waarover?’
‘Niets.’
‘Hoe weet je dat het niets was?’
‘Hij heeft geld zat.’

Lange tijd stelde het niets in het dagelijks leven weinig voor, behalve dan als alternatief voor ‘alles’, maar dat was puur theoretisch, een abstract gegeven, want er was immers altijd wel iets, vroeg of laat, hier of daar, aan deze of aan gene zijde. Maar nu, met die bom boven ons hoofd, was ‘nothing’, om met Beckett te spreken, de persoonlijke woordvoerder van het niets, opeens ‘more real than nothing’ – net zo real en aanwezig als de stoelen en tafels en lege glazen in het Spaanse café van Hemingway. Nada y pues nada.

Een modernere, melancholiekere, maar niet minder schrijnende versie van de geciteerde scène uit ‘A Clean, Well-Lighted Place’ is te vinden aan het begin van de roman The Information van Martin Amis uit 1995:

’s Nachts zijn de steden vol mannen die huilen in hun slaap en dan Niets zeggen. Het is niets. Gewoon een nare droom. Of zoiets… Laat je maar zakken in je huilschip, met je tranendetector en je sniksonde, en je kunt ze zo spotten. Vrouwen – of ze nu echtgenotes zijn, maîtresses, anorexische muzes, dikke verpleegsters, obsessies, verslindsters, exen, wraakgodinnen – worden er wakker van en draaien zich om naar die mannen en vragen met veel vrouwelijke nadruk, ‘Wat is er?’ En de mannen zeggen, ‘Niets. Nee, echt. Een nare droom. Meer niet.’

Ze hadden ook ‘Alles’ kunnen zeggen, die mannen, ‘gewoon, alles’ – de information die ze ’s nachts doorgespeeld krijgen en in hun zuchten en gesmoorde snikken doorgeven, blijft hetzelfde: dat niets tot iets leidt en alles tot niets. Nada y pues nada.

In de westerse filosofie speelde het niets al langer een rol – maar ook weer niet zo veel langer, gezien de omvang ervan. Een duidelijk geval van wat de Engelsen een elephant in the room noemen: niet te missen, wel genegeerd, het niets. Volgens Parmenides, een van de pre-socratici die aan de wieg van het westerse denken stonden, kon wat niet is, of wat Niets is, ook niet gedacht worden, so don’t go there, en in de scholastiek deed het niets puur voor spek en bonen mee, als lege abstractie helemaal aan de einder van het denken. Behalve voor sommige mystici en gnostici, voor wie het gelijkstond aan het soort goddelijke leegte waar zij zich met alle plezier van de wereld voorover in stortten, was het niets een iets ohne Eigenschaften.

Pas met Pascal kwam daar zo halverwege de zeventiende eeuw verandering in.

Het verhaal is dat hij op een dag langs de Seine reed, toen zijn rijtuig plotseling uit balans raakte en de denker in volle vaart door de opengeslagen deur naar buiten werd geslingerd, waar hem, was zijn stellige overtuiging tijdens zijn korte duikvlucht, op de harde klinkers van de kade een zekere dood wachtte. Sindsdien zag hij het niets als een afgrond die zich elk moment onder onze voeten kan openen. Onder onze voeten – op de radicale manier waarop wij van meet af aan zijn overgeleverd aan de luimen en grillen van het toeval –, maar ook boven onze hoofden, in de ijzige kathedralen van het oneindige heelal waarin de mens tot een zacht piepend niets wordt gereduceerd. Tot nietser dan niets zelfs, want in de echokamers van ons bewustzijn verdubbelt het niets zich met elke gedachte die we eraan wijden.

Geen houden meer aan, eenmaal ervaring geworden breidt het niets zich als een olievlek uit over ons hele bestaan. ‘Nothing can come of nothing,’ zoals King Lear opmerkte, in een variatie op Parmenides’ stelling ex nihilo nihil fit: ‘niets baart niets’ – baart niets, zou ik eraan toe willen voegen, en zo voort, net zo lang tot het niets uiteindelijk ‘das Nichts’ baart in de filosofie van Heidegger, de grote sjamaan uit het Schwarzwald, die de onbestemde angst van Pascal bombardeert tot de existentieel-metafysische grondstemming waarin wij ‘pal voor het Niets zelf’ worden geplaatst. Panic in the streets. Vrouwen en kinderen eerst. Het Niets – specialiteit: ‘nietigen’, alleen op zondag ‘nietsen’ – als de vraatzuchtige worm in het klokhuis van het Zijn, voortdurend aanwezig als de grote huivering onder het kalme oppervlak van onze preoccupatie met de dingen om ons heen.

De grondstemming van de Angst behelst een beklemming die, wanneer ze ons in de greep heeft, niet alleen alle dingen maar ook onszelf doet wegzinken in totale onverschilligheid. Niet dat ze dan verdwenen zijn, de dingen, oftewel de zijnden inclusief ons eigen
er-zijn, integendeel: ze zijn, in de algehele ‘wegtrekker’ die het Zijn in de Angst ondergaat, op een bepaalde manier dwingender en dreigender aanwezig dan ooit.

Ik moet bij Heideggers virtuoze soli op dit thema altijd denken aan het gevoel dat je ’s nachts kan overvallen in een donker huis. Of het nu je eigen huis is of dat van een ander, je gaat een kamer binnen en plotseling is alles je vreemd geworden, unheimisch. Je kunt in het duister niets onderscheiden, maar je voelt hoe alles om je heen – de muren, maar ook de tafels en de stoelen en de kasten – je naar de strot komt vliegen. Het is het soort moment waarop je, volgens Heidegger, tot het woordloze besef komt dat het menselijk bestaan zich ‘vooreerst en vooral’ ophoudt in het Niets: een verblijf dat we, bij gebrek aan bodem of horizon, als een voortdurende val ervaren. ‘Vallen we niet aan één stuk door?’ roept de dwaze mens bij Nietzsche na de dood van God vertwijfeld uit. ‘En terug, en opzij, naar voren, naar alle kanten? Is er nog wel een boven en beneden? Dwalen wij nu niet door een oneindig niets?’ Sterker nog: bij Heidegger dwaalt het niets op zijn beurt ook oneindig door de mens zelf. Nowhere to run, nowhere to hide, om met Martha Reeves and The Vandellas te spreken.

De Angst confronteert ons met het feit dat we tegelijkertijd wel en niet zijn, een toestand die Heraclitus, mijn persoonlijke numero uno onder de pre-socratici, rond 500 voor Christus nog had vergeleken met een duik in een rivier die altijd dezelfde en tegelijk ook altijd weer anders is, maar die sindsdien vooral reden tot grote zorg is geworden. Althans in het Westen, waar we, met dank aan het succes van de wetenschap, verstrikt zijn geraakt in de dingen, dat wil zeggen: in een dwingend ‘dingmatig’ perspectief op de wereld. Een gezichtspunt van waaruit wij alles wat wij op onze weg vinden direct tot object, ‘tot ding’ verklaren om de zaken maar behapbaar te houden voor het denkende subject, en het niets, zijnde niet-iets, als rechtstreekse bedreiging van dat ego-cogito al in een heel vroeg stadium op één lijn is gezet met de dood – althans, de dood zoals het ego die ziet, namelijk als optelsom van alle momenten dat je je in je leven het meest alleen hebt gevoeld, maar dan erger, omdat je dat doodgaan zelf ook alleen maar alléén zou kunnen doen. Op en top een ego-idee, deze angstige gedachte – een anxiety die weleens de basis zou kunnen vormen voor onze fixatie op ‘individualiteit’. Maar ik dwaal af. Of toch niet? In de Daodejing, een van de basisteksten van het taoïsme, staat zoiets als dat de weg waarvan afgeweken kan worden niet de ware weg kan zijn – wat een andere manier is om hetzelfde te zeggen als Martha Reeves and The Vandellas in ‘Nowhere to Run’.

In het Westen wordt het denken over het Niets, en zeker het ter sprake brengen ervan, al snel weggezet als ‘negatief’, als moreel verwerpelijk zelfs, ‘bah, wat nihilistisch, zeg’. Nietzsches dwaze mens, die nota bene als een van de weinigen de moed had om er op het marktplein, publiekelijk dus, over te beginnen, staat ervan te klappertanden: ‘Hijgt de leegte ons niet in de nek? Is het niet kouder geworden?’ Maar in het oosterse denken, waar het ego nog zijn plaats kent en de dood lang niet zo’n eenzaam avontuur is als bij ons, daar geldt het Niets, in de vorm van de Leegte, juist als een bron van grote rust, een bron van schoonheid zelfs en vreugde. De wind die aan komt waaien vanuit de leegte en die ons hier, vanwege de link die wij voortdurend leggen met de koele meren des doods – de ‘frozen waves of an ice-hard sea’, zoals Ovidius ze noemt – direct de koude rillingen over de rug doet lopen, wordt elders ervaren als verkwikkende, naar bloesems geurende lentebries.

C’est une bonne idée, dat laatste, om met de vroegere Franse president De Gaulle te spreken – en beslist niet zo moeilijk te verwezenlijken als het op het eerste gezicht lijkt. Aan de andere kant, ook weer niet zo gemakkelijk als het op het tweede gezicht lijkt – de ‘second opinion’ van de ratio die met al zijn machismo bij dit soort dingen toch altijd maar weer van een ijskoude kermis thuiskomt. Maar met het derde gezicht, wanneer alles weer is zoals het lijkt but infinitely more so, bezien met de bezielde kennersblik van het dier, het schildersoog van de verbeelding, met angel eyes, het bewustzijn na een grote schoonmaak – daarmee moet het lukken. Angst en beven omzetten in schoonheid, in vitaliteit, anxiety in serenity: een beetje dichter doet niet anders.

Yes yes, into our midst a bomb will fall
Flowers will leap in joy, their roots aching

In 1958, het jaar dat ik als negenjarige mijn naarste nucleaire stranddromen droomde, schreef en publiceerde beatdichter Gregory Corso een lang gedicht waarin hij de bom waar ik zo bang voor was regel voor regel met zijn onstuimige lyriek demonteerde. Zijn ‘bomb’, dat de vorm heeft van een paddenstoelwolk na een kernexplosie en als centerfold ingeniet zat in zijn bundel Happy Birthday of Death, bezingt de charmes van het vernietigingswapen als ware het de muze zelf. ‘I sing thee Bomb/ Death’s extravagance, Death’s jubilee/… / O piece of heaven which gives/ both mountain and anthill a sun/… / I love you/ I want to kiss your clank, eat your boom/ You are a paean, an acme of scream/ A lyric hat of Mister Thunder.’ De dichterlijke feestmuts van Meneer Donder, mooi beeld is dat. In plaats van de bom te zien als definitieve punt achter de wereld, een punt waar de mens niet zonder afgrondelijke huivering aan voorbij kan denken, maakt Corso er een komma van, een heel boeket komma’s zelfs, om er de buik van de bom mee te kietelen. ‘Rip open your belly Bomb/ from your belly outflock vulturic salutations/… / If I felt bombs were caterpillars/ I’d doubt not they’d become butterflies.’

Corso ontmantelt de bom door hem eerst, ook naar de vorm, zorgvuldig te bedekken met de mantel der poëzie, om dan die mantel gelijk ook weer in één razendsnelle beweging weg te trekken, en zo, presto!, de waarheid te onthullen dat het puur de tot belachelijke proporties opgeblazen angst voor de dood is die ons de bom doet vrezen en haten. ‘I do not know just how horrible Bombdeath is, I can only imagine/ Yet no other death I know has so laughable a preview.’ Die angst neemt Corso op de korrel in dit gedicht dat hij zijn ‘death shot’ heeft genoemd. De dichter weigert toe te geven aan de terreur van de angst, welke angst dan ook, omdat hij weet dat je je daarmee op een naar alle kanten – ‘en terug, en opzij, naar voren’ – hellend vlak begeeft, en je voor je het weet voor elk klein ietsepietserig dingetje net zo bang wordt als voor het Niets, en het dus net is alsof hij al ontploft is, die stomme bom, hier, boem, precies tussen ons in.

‘I cannot hate you,’ zegt hij aan het begin tegen de bom, ‘Do I hate the mischievous thunderbolt, the jaw of an ass/ The bumpy club of One million B.C., the mace, the flail, the axe/ Catapult Da Vinci/… / Ah, and the sad desperate gun of Verlaine, Pushkin, Dillinger/ And hath not St. Michael’s a burning sword, St. George a lance, David a sling.’ Met swingend penseel schildert Corso brede surrealistische panorama’s en vergezichten waarin de bom wordt bewonderd, uitgelachen, en bemind, net zo lang tot hij alle neutronen en protonen en elektronen in haar buik heeft losgezongen uit hun dodelijke constellatie. Vernietiging en schepping, ze dansen voortdurend wang aan wang in Corso’s ‘shock waltz, treading along the brink of paradise’. Een wals die hem destijds overigens niet overal in dank werd afgenomen: tijdens een voordracht aan een Britse universiteit werden er door ban-de-bommers in de zaal schoenen naar zijn hoofd gegooid. Zij zagen Corso’s bevlogen pas de deux met de Bom niet voor wat het was, een triomf van de verbeelding en een lange neus naar de dood in de pot, maar als vorm van heiligschennis, puur nihilisme. Volgens hen had niemand het recht iets moois te maken van het Niets, en zo’n ongeschoren Amerikaanse beatnik als Corso al helemaal niet.

Na de atoombom kwam de waterstofbom en na de waterstofbom kwam die rare neutronenbom, die alle mensen en dieren zou vellen maar huizen en gebouwen netjes liet staan, maar de kans dat die nog een keer zal vallen wordt al enige tijd gering geacht. We zijn er gewoon niet meer zo mee bezig, met het toeslaan van het niets in die vorm, misschien wel omdat de wereld, die het met dank aan Descartes ook al eeuwenlang zonder ziel moet stellen, inmiddels goeddeels is weggevirtualiseerd en gedigitaliseerd. Het soortelijk gewicht van de werkelijkheid wordt thans niet meer uitgedrukt in kg per kubieke meter, laat staan in sv, soul value per ervaring, maar in enen en nullen. Vandaar misschien dat de een na laatste keer dat de angst voor het niets acuut kon toeslaan het moment betrof, voorspeld voor middernacht,
31 december 1999, dat bij alle computers de teller niet op 1.1.2000 zou springen maar op 0 – en de wereld ten gevolge van deze fatal error binnen de kortste keren finaal zou crashen. Een moment dat zo werd gevreesd dat het, net als jhwh, alleen middels een afkorting benoemd kon worden: Y2K.

De nul als laatste verschijningsvorm van de (ver)nietigende kracht van het Niets, abstracter kon bijna niet – maar wel concreter, zoals eenentwintig maanden later zou blijken, toen de nul vaste vorm aannam op Ground Zero.

Misschien dat de klap van 9/11 niet zo hard was aangekomen als het gevoel van triomf over het uitblijven van de ramp van Y2K niet zo groot was geweest. Wellicht dat die triomf in feite een nederlaag-in-vermomming was – in die zin dat het doden van de millenniumdraak ons de ogen heeft doen sluiten voor hoe reëel onze angst voor een apocalyptisch moment wel niet was – de angst voor het niets in de vorm van een catastrofe op wereldschaal, waarbij de teller van de geschiedenis van het ene moment op het andere op nul-komma-nul springt. Hoe dan ook, niet 1.1.2000, maar 11.9.2001 werd de dag dat er een nieuw tijdperk aanbrak, een nieuw jaar Nul, en Ground Zero is het materiële middelpunt geworden van het nulmoment in de bijbehorende verandering in het bewustzijn.

Vanaf dat moment betreft de Angst niet langer het gapen van een metafysische afgrond of de dreiging van een allesvernietigende bom, maar iets veel ongrijpbaarders: de buurman, de medepassagier, de immigrant – iedereen is op zijn minst een potentiële terrorist, pedofiel, pyromaan. Maar ook wat er in de lucht zit vormt een bedreiging, en in ons voedsel, en in onze computers, onze mobiele telefoons. Om nog maar te zwijgen van wat onszelf soms aan onbeheersbaars bezielt. Plotseling is het Niets, om met Hermes Trismegistos te spreken, een cirkel geworden, waarvan het middelpunt overal is en de omtrek nergens. Geen wonder dat we zo prikkelbaar zijn geworden, en zo vatbaar voor de exploitatie van de angst in kunst en media.

‘Doorlopen, mensen,’ hoor je de politie vaak zeggen bij een afzetting van een plek waar iets ergs is gebeurd, ‘hier is niets te zien,’ maar onze verbeelding denkt daar heel anders over: die ziet op zo’n plek waar niets te zien is juist alles, en meer nog.

Alleen al het noemen van Ground Zero roept een storm van beelden in herinnering. Je ziet ze direct weer voor je, de twee onwaarschijnlijk hoge en smalle torens waarin duizenden en nog eens duizenden mensen van tientallen nationaliteiten jarenlang dag in dag uit in vrije handelsbetrekking stonden tot rest van de wereld. Je ziet ze uittorenen boven de straten van de stad, boven de rivier en de havens, glinsterend als diamant in het zonlicht, en het volgende moment zie je ze vuur braken, en kort daarna, langzaam, plechtstatig, verdieping na bottenverpulverende verdieping in het niets verdwijnen, als twee liften naar de Onderwereld. Het begin van de Derde Wereldoorlog, dacht je, toen je het zag: het einde van de wereld as we know it. ‘Falling Towers’, zoals T.S. Eliot in ‘The Wasteland’ dichtte, ‘Jerusalem Athens Alexandria/ Vienna London/ Unreal…’

Net zo ‘unreal’ als de figuurtjes die als luciferhoutjes uit de brandende torens naar beneden kwamen dwarrelen. Eliot weer: ‘To Carthage then I came/ Burning burning burning burning/ O Lord Thou pluckest me out…’

In de nasleep van de val van de torens werd Ground Zero het middelpunt van een snel uitdijende cirkel van psychologische effecten: angst voor hoge gebouwen, vliegangst, geborgenheid zoeken bij de naaste familie, koersdalingen. En dan was er, ook vaste prik in de fenomenologie van de val, de retoriek van schuld en boete, goed en kwaad, kracht en zwakte, complot en vergelding. Maar tegelijkertijd was er sprake van een uitbarsting van zorgzaamheid en volharding bij de mensen die kwamen helpen. Restaurants die gratis maaltijden verstrekten, winkeliers die hun voorraadkamers leeg lieten halen, vreemden die hun huizen ter beschikking stelden, hun kledingkasten, en iedereen, ja iedereen wilde bloed geven. Overal gingen er deuren open, waardoor de ziel van de stad weer naar buiten kwam, de lang gekerkerde ‘soul’ van de straat, zelfs in het gedrag van ambtenaren, in de iedereen-een-hart-onder-de-riem-stekende taal en houding van de burgemeester, maar vooral ook in wat de mensen na de val op de muren schreven, de bloemen die ze naar de brandweer brachten, de foto’s van hun vermiste dierbaren die ze ophingen in de openbare ruimte. Al deze dingen en meer omvat de nul van Ground Zero in haar holle stilte. Een lege plek, leger kan bijna niet, maar tegelijk tjokvol levende beelden en associaties, en tot in lengte van dagen bevolkt door de mensen die daar in rook zijn opgegaan.

Ground Zero vertegenwoordigt een diepe wond in de westerse psyche. Maar elke wond is, als breuk in het oppervlak, behalve een trauma ook een oog, een opening naar een verscherpt bewustzijn van en een verhoogde gevoeligheid voor de onzichtbare nachtelijke diepte onder het dagelijks leven, een geheime doorgang voor de goden van de Onderwereld, die ons via onze angsten en nare dromen, klein en groot, voortdurend herinneren aan onze eeuwige kwetsbaarheid: de weg omhoog en de weg omlaag zijn een en dezelfde, zegt Heraclitus. Gewijde grond, deze plek, een onzichtbare tempel van Saturnus en van zijn zoon Pluto, die niet alleen over het schimmenrijk gaat, maar ook over rijkdom, overvloed. Houden zo, zou ik zeggen. Ground Zero. Niets meer aan doen.

Opmerkelijk, trouwens, dat we hem uitgerekend punt ‘nul’ hebben genoemd, die plek: een Arabisch begrip voor inhoudsloze leegte, terwijl de vorm van het teken afkomstig is uit de mathematica van het hindoeïsme, waarin het zowel de oneindige volheid als de totale leegte vertegenwoordigt: een transcendent getal, onberekenbaar, onpeilbaar, met onmetelijke mogelijkheden. Op zich is het niets, nul, maar net als de ziel vergroot het alles waar het mee in aanraking komt. Het ronde gat in het midden verbeeldt de aanwezigheid van het Niets, de leegte, zoals je die ervaart bij een einde en bij een begin van iets. ‘To make an end’, om opnieuw Eliot te citeren, ‘is to make a beginning/ The end is where we start from.’

Een ander begin is er niet.
En ook geen ander eind.
Alleen vanaf die kruising kom je op de weg die tegelijk omhoog en omlaag gaat, en een andere weg is er niet.

Roel Bentz van den Berg (1949) studeerde filosofie. Behalve schrijver was hij ook radiomaker bij het VPRO-programma De Avonden en medewerker van NRC Handelsblad. Van zijn hand verschenen meerdere essaybundels, waarvan Zapdansen (2005) de Jan Hanlo Essayprijs Groot kreeg. In 2016 verscheen zijn meest recente roman Het naderen van een brug. 

Meer van deze auteur