Ruben van Weelden

Deze zomer schrijf ik aan de laatste delen van een boek dat is ontstaan door het lezen van de brieven die mijn ouders aan elkaar schreven in de jaren 1948, 1949 en 1950. Mijn vader was na de hbs anderhalf jaar lang ‘schrijver’, oftewel administratieve kracht op een koopvaardijschip dat de wereld rondvoer. Vervolgens diende hij nog een jaar als dienstplichtig militair in Indonesië in de nasleep van de onafhankelijkheidsoorlog. Mijn moeder was thuiswonend student aan de School voor Maatschappelijk werk in Rotterdam. Ze waren toen twintig en achttien jaar oud. Op het moment dat ik dit schrijf zijn ze achttien jaar geleden overleden, in 2001.

Het boek moest geen familiegeschiedenis worden die een periode uit de vaderlandse geschiedenis tot leven wekte. Ik had geen zin om ‘hun verhaal’ dat in de brieven te vinden zou zijn na te vertellen. En nog minder trek had ik in het gebruiken van de brieven als materiaal voor een historische roman. Wat mij fascineerde was de schok van de leeservaring. Wat speelt zich af in het lichaam, de ogen en de gedachten van degene die de koffer, de lade of de doos opent en zulke luchtpostvellen oppakt om de kriebelige handschriften te ontcijferen? Schrik, schroom, nieuwsgierigheid, honger naar bevestiging en vergelijking, zucht naar identificatie, misschien wel leedvermaak en wraakgevoelens? Welke delen van het eigen leven springen vanuit het verleden op hem af? Het ging me om het kolkende en verwarrende moment waarop in het lezende brein personen in meerdere gedaantes en tijdperken door elkaar gaan lopen. Ik stelde me de machtige en roerloze aanwezigheid voor van zulke brievenverzamelingen in de levens van kinderen en kleinkinderen over de hele wereld. Wat voor gebeurtenis is de leeservaring van zulke brieven in het nu van de lezer? Ik wilde oproepen hoe iemand ‘wordt’ die maandenlang luistert naar de jeugdige stemmen van zijn ouders. En hoe vang je zoiets in proza?

Spelregels

Het begon ermee dat ik greep moest krijgen op die ongeveer duizend brieven. Eerst isoleerde ik ze uit de nog veel grotere verzameling brieven, briefkaarten, dagboeken, menukaarten en theater- en concertprogramma’s waar ze tussen terecht gekomen waren. Materiaal van henzelf maar nog zeker twintig andere correspondenten, dat dateerde van 1950 tot 1989. Tassen, schoenendozen en plastic zakken vol. Mij ging het uitsluitend om hun correspondentie uit 1948, 1949 en 1950, en die nam al meerdere ordners in beslag. Ik legde de brieven op chronologische volgorde en ging ze van begin tot eind lezen. Daarbij schreef ik een logboek, dat uitdijde tot een document van ruim tweehonderd bladzijden, gevuld met veelbelovende en opmerkelijke citaten, maar ook met notities over onderwerpen, scènes en periodes waar ik aan moest denken terwijl ik alles las. En dit zonder te weten wat voor boek ik ging maken. Ik noteerde jeugdherinneringen aan mijn ouders, maar ook vergeleek ik handelingen en opvattingen van mijn vader en moeder met die van mezelf, als twintigjarige, als dertigjarige. Ik vroeg wat mijn volwassen kinderen erover dachten op eenzelfde leeftijd. Mijn zoon was tenslotte al ouder dan de schrijvers van deze brieven!

Het was een vormloos en pointeloos particulier ratjetoe, zonder tempo of ritme

Die chronologische minestrone – hoe kleurrijk en levendig ook – aan citaten, herinneringen en associaties was in de verste verte niet het boek dat ik wilde schrijven. Het was een vormloos en pointeloos particulier ratjetoe, zonder tempo of ritme. Ik had een stel spelregels nodig, een werkwijze, die het mogelijk maakte van deze soep een samenhangend en leesbaar boek te maken. Die de tekst een exemplarisch effect kon geven. De eerste spelregel was dat ik het logboek opknipte en sorteerde op thema. Grote kwesties die jonge mensen van twintig bezighouden, maar eeuwig actueel zijn, en die voor mij en de lezer nu nog altijd de belangrijkste vragen oproepen. Wat is je rol in de maatschappij, welk werk doe je, hoe verdien je je geld? Hoe zit het met seks en liefde? Als je ziet hoe veel pijn, onrecht en verdriet er is, hoe zit het dan met moraal en geloof? En mannen en vrouwen, wat is dat voor gekke en ongelijke strijd, en wat heeft het met individuele levens te maken? En wat betekenen brieven voor de eenzaamheid die je voelt als je geliefden ver weg zijn? En wat als je bang wordt het niet te redden en vreest te bezwijken onder de druk van alles, en instort, gek of depressief wordt?

Al die thema’s waren in die drie jaar brievenschrijven voorbijgekomen en ik had nu een begin van de boodschappenlijstjes van beelden en scènes die ik nodig had om over elk van die onderwerpen een verhaal te maken. Het logboek als ingrediëntenlijst van een relaas dat de brieven, mijn ouders als argeloze twintigers, maar ook als jonge en middelbare ouders, als oude mensen, mijzelf als kind en scholier, als student en jonge vader, mijn vrouw en kinderen op verschillende leeftijden en mezelf als zestigjarige schrijver een stem en een rol zou kunnen geven. Ook werd duidelijk waar de lacunes zaten, en wat de vragen waren die ik mezelf nog moest stellen. Je kunt zeggen dat ik een opzet had gemaakt om themagestuurde herinnering mogelijk te maken. Een opzet waarvan ik hoopte dat die materiaal voor een vertelling, een boeiend en samenhangend verhaal zou opleveren.

Betrekkingswaan

Wat voor soort herinneren was hier in het spel? Niet alle varianten zouden me van pas komen bij het maken van dit boek. En hoe moest ik dat herinneren dan bijsturen? Het is geen gek idee om op een rijtje te zetten hoe de hier door elkaar lopende begrippen verleden, geschiedenis en herinnering van elkaar verschillen.

Verleden is een woord voor de verdwenen realiteit, als een actuele en gedeelde ervaring. Wanneer het verleden als zodanig verdwijnt is het niet dood, het blijft achter in monumenten, documenten en herinneringen. En al is het geen gedeelde ruimte meer, leven doet het wel degelijk. Het mag zijn samenhang verloren hebben en uiteengeslagen zijn in brokken, het woekert door met virulente kracht, zoals we dagelijks ervaren, in families en andere relaties, in trauma’s en dromen, in instellingen en wetten en protocollen en in alsmaar terugkerende emoties, gemobiliseerd door de kalender, door symbolen en pijnlijke uitdrukkingen, door kleine en grote krenkingen en vieringen of door het plotselinge geluid van helikopters of het ontkurken van een champagnefles.

Dat herinneringen moeilijk te sturen zijn geeft ze een aura van waarheid

Geschiedenis, de geschreven versie van het maatschappelijke verleden, is het resultaat van een collectieve intellectuele inspanning om de verdwenen realiteit, als betekenisvolle herkomst van de huidige gedeelde wereld, weer toegankelijk te maken. Dat kan alleen door in een al dan niet geïllustreerde studie de monumenten, documenten en herinneringen te interpreteren en te ordenen en deel te laten uitmaken van het heden, van de actuele gedeelde wereld. En dat is weer onmogelijk zonder een uitgangspunt, een visie op het collectieve heden, op de functie van die geschiedschrijving. Het waartoe van de studie. Een positie die het perspectief biedt van waaruit je het verleden interpreteert. Daarom moet de geschiedenis van de Franse Revolutie eindeloos opnieuw worden onderzocht en geschreven. De relatie tussen ons en het verleden is aan een voortdurende verandering onderhevig.

Herinnering is wat zich op individueel en cultureel niveau voordoet als het heden een prikkel geeft die willekeurig of onwillekeurig een fragment uit het verleden actueel maakt, als onderdeel van het heden. Herinneringen zijn van jongs af aan een bouwsteen waarmee we ons zelfbeeld, onze groepsidentiteit en ons web van overtuigingen en zelfrechtvaardigingen bouwen om de wereld en elkaar tegemoet te treden. De herinnering is een wapenkast, een repertoire aan overlevingsinstrumenten, om verrassingen, bedreigingen, spot en onzekerheid van hun macht te ontdoen. Nee, het was en het is, wij waren en wij zijn zoals wij het ons herinneren. We ordenen, kleuren en ontginnen de realiteit met behulp van herinneringen. Dat ze moeilijk te sturen zijn geeft ze een aura van waarheid. Als diepgewortelde verhalen van een verbeeld verleden werken ze als rechtvaardiging voor ons gedrag. Gedeelde herinneringen zijn daarom griezelig taai. En akelig effectief in de vorm van propaganda, nostalgie en mode.

Dat instrumentele aspect maakt me altijd kopschuw. Ik ben bang dat ik als ik argeloos inga op de suggestie van een herinnering, ik alleen maar slaafs en bang die heersende orde, het dove en blinde ‘succesverhaal’ versterk dat ik net als iedereen geneigd ben van mijn leven te maken. Dat ik alleen maar mezelf geruststel en het verleden goedpraat in plaats van iets ontdek. Het is de heerschappij van de ‘protective language’, de taal die voortkomt uit de zucht alles zo te houden als het is, en onveranderd te laten onder de druk van alles wat vreemd en veranderlijk is.

Liever schrijf ik om aan dat regime te ontkomen. Dan zou herinneren een ontdekking kunnen zijn, een manier om achter de coulissen te kijken van het ingesleten verhaal waarmee je je eigen verleden aan jezelf verkoopt. Niet omdat daar de enige echte goudeerlijke waarheid zomaar voor het oprapen ligt. Nee, maar daar broeit en leeft het wel, daar blijkt het verleden een vreemd wezen, en herinneren een creatieve oerkracht. Je ontdekt er verdrongen waarheden, die in het duister zijn geduwd door de verhalen die er zo goed in slagen de eigendunk, de lieve vrede en het schone geweten in stand te houden en op te poetsen. Die schaduwverhalen zijn vaak veel boeiender, geheimzinniger, meerduidiger. Het zijn misschien in even grote mate ficties of verdraaiingen, maar in dienst van andere angsten en verlangens dan die van de verhalen die mijn standaardversie uitmaken. Ze verwijzen naar wat onbekend, veranderlijk, innerlijk tegenstrijdig is.

Bij het schrijven van dit boek volgde ik de spelregels die werden gesuggereerd door de schetsen, citaten en notities die bij me opkwamen bij het lezen van de brieven. Wat ieder van die thema’s moest opleveren was een verhaal dat samenhang, een richting en een kern had, en tegelijkertijd het resultaat moest lijken te zijn van de ervaring overspoeld te worden door een wirwar aan herinneringen en invallen bij het lezen van de brieven. Compositie en improvisatie ineen. Vorm en vrijheid. Tenslotte ging het om de leeservaring, die zoiets zou opleveren als een ‘zelfportret als brievenlezer, als klein kind, volwassen zoon, vader’. Wat het boek moest aandrijven waren de krachten die zowel verantwoordelijk zijn voor het gevormd worden als voor het vormgeven dat iemand al denkend en levend doet.

De beste analogie voor wat me voor ogen stond was iets wat het midden hield tussen het fenomeen van de lucide droom en de psychedelische trip. In beide gevallen surft het bewuste denken op een machtige golf van gewaarwordingen en denkbeeldige gebeurtenissen die door een tijdelijk niet beheerst deel van ons organisme wordt voortgebracht. Ons Zelf is niet passief, maar ook niet oppermachtig. De surfende mens kan sturen, wachten, schuilen en beslissen terug te gaan naar waar de grote golven zich verheffen. In dromen en trips passen de verschijningen zich aan onder invloed van onze houding en verwachting. Angst maakt monsters groter, tederheid maakt zoete gewaarwordingen wereldomspannend. Een dergelijke lucide droom of trip is het avontuur van een Zelf, dat nog net samenhang genoeg heeft om te zien hoe het ontstaat als een kristal in een botsing van grotere krachten.

Zelfportret als brieflezer; als klein kind, volwassen zoon, vader

Wat ik wilde proberen was de herinneringen die opkwamen bij een reeks citaten en thematische notities sturen met een hieraan verwante betrekkingswaan. Ik wilde dat zich een patroon zou tonen. Het veld aan beelden en herinneringen moest een weg baren. De toestand een beweging. Het boek diende een onthullend, meeslepend verhaal te worden, waarin mij al herinnerend overkwam wie ik was geworden door de relatie met mijn ouders, mijn vrienden, mijn geliefde en kinderen. Hopelijk verwierf ik nieuwe inzichten, bleek mijn ‘wording’ anders dan ik altijd had gedacht. En dit allemaal als het resultaat van het verlangen om een betekenisvolle reis te maken van de chaotische stortvloed aan herinneringen. Een vrij bewegend verhaal dat gaandeweg een verbluffende impliciete samenhang heeft, en ‘klikt’.

Waarheden

Ik ben me ervan bewust dat het herinneren dat ik uitnodig en aanmoedig niet zomaar aanspraak op feitelijke juistheid kan maken. Dat komt doordat ik een literair boek wil maken, een zelfportret als brievenlezer. Het is de beeldende en onthullende potentie van een herinnering die de vraag naar de feitelijke juistheid zal overstemmen. Zonder opzettelijk te fabuleren of te liegen kruipt in elk verteld of geschreven relaas onbedoelde fictie binnen. Dat gebeurt al in het telefoongesprek waarin je over een verjaardag vertelt. Je kunt het vertellersopportunisme noemen: een scherp oog voor wat er aan een wolk uit het verleden terugkerende flarden moet gebeuren om er een sterk en pakkend relaas van te maken. Het wegsnijden van ruis, het kiezen van treffende details, het kiezen van woorden die een onderhuids duidend effect hebben, al dan niet grappig. Aanpassing van het tempo en gebruikmaken van het verrassingseffect. En dit redigeren laat zich niet alleen gelden bij het opschrijven van herinneringen. Interessant genoeg speelt het ook mee in de brieven van mijn ouders. Er zijn flinke verschillen tussen de weergave van dezelfde gebeurtenis in mijn vaders dagboek, de beschrijving ervan in een brief aan zijn moeder en de manier waarop hij er in meerdere brieven over schrijft naar zijn geliefde. Mijn vader is verschillende versies van zichzelf tegenover die verschillende lezers.

Als de tijd eroverheen gaat worden die variaties nog veel groter. Om herinneringen op te roepen en periodes uit mijn verleden tot leven te wekken heb ik mijn eigen dagboeken, brieven en ander proza uit mijn school- en studententijd teruggelezen. Bizar om te ontdekken dat ik me heel andere dingen herinner dan ik destijds belangrijk vond om op te schrijven. De huidige versie van mijzelf heeft heel andere vragen en prioriteiten dan de versie die toen het dagelijks leven becommentarieerde!

Om de uitwerking van de leeservaring van deze brieven op de zoon van de correspondenten op te roepen gebruik ik technieken uit de literaire fictie. Ik stel me een ruzie voor tussen mijn moeder en haar moeder, en daarbij baseer ik me op passages uit brieven en op mijn herinneringen aan de manier van ruziemaken van mijn moeder en mijn oma. In andere passages voer ik momenten en ontmoetingen op waarvan ik weet dat ze hebben plaatsgevonden, maar waarvan ik geen gedetailleerde beschrijving heb. De verbeelding vult aan waar de feiten tekortschieten. Om herinneringen aan een periode van een jaar samen te vatten schrijf ik een scène waarin een gezelschap van zes mensen rond een tafel zitten, en discussiëren over iets wat ik nu verzin als een goed onderwerp aan de hand waarvan ik iedereen kan portretteren.

Ook al gebruik ik literaire technieken en zijn er op allerlei manieren vormen van stilering, kleuring en fictie actief (van mezelf en anderen) toch voel ik me er verantwoordelijk voor de gebeurtenissen en omstandigheden en iedereen die ik opvoer recht te doen. Het idee is over mijn ouders te schrijven met respect voor hun waardigheid als ten diepste onkenbare, complexe menselijke wezens. Mijn boek pretendeert geen waarheid over hun levens of personen te produceren, het wil zo eerlijk mogelijk een literaire vorm vinden voor wat er gebeurt als een zoon van zestig de brieven van zijn twintigjarige ouders leest: het gaat spoken in zijn hoofd, hij reist in de tijd, hij ontmoet zichzelf en anderen in meerdere gedaantes van verschillende leeftijden en als hij de richting van die reis zou moeten beschrijven dan is dat zoiets als het in flarden zien ontstaan van zijn eigen subjectiviteit, zijn Zelf, als een groeiend en beweeglijk klontje in een gistende oersoep.

Als het lukt geeft het boek dat ik maak de lezer de gewaarwording dat die ‘wording’ niet alleen wordt verteld, maar dat het lijkt alsof die in een afgebeelde, versnelde vorm nog eens gebeurt. Terwijl hij wordt geschreven en zich ontplooit als een onthulling of wonderlijke ontdekking, die de verteller en de lezer overkomt.

Dirk van Weelden (1957) is schrijver en redacteur van De Gids. Hij debuteerde in 1987 samen met Martin Bril, daarna in 1989 solo, met Tegenwoordigheid van geest. Hij schreef romans, novellen en bundels met essays en verhalen. Zijn meest recente roman is Het laatste jaar (2013). Anno 2018 werkt hij aan een nieuwe roman.

Meer van deze auteur