I

Al datgene waar je in je dromen niet bij kon komen, soms, hun licht
doorschemerende raadselachtige achterkant
of van wat vlak onder het oppervlak liggen moest, daar
zou je dwars doorheen willen breken –

voorzichtig de trap afdalend hoorde je de altijd krakende trede
duidelijk zeggen dat je nergens naartoe mocht
maar onmiddellijk voelde je hoe uit de straatstenen de kou optrok en de wind
omzichtig in de lagen dorre
bladeren van vorige herfsten groef

zodoende kwam hij zichzelf uiteraard tegen
alsook het gemis en het overvloedige en wat eenieder
eens toevallig of moedwillig
overkomen was, het maakte amper enig verschil

waar eindeloze schimmeldraden onverdroten voorbije ogenblikken
met nooit werkelijke gebeurtenissen vervlochten –

II

Plotseling afgebroken, later lukraak hernomen
fragmenten die uit een ontoegankelijk niemandsland opgedolven leken
en zich tussen andere beelden wrongen
terwijl een plas daglicht het onafwendbare weerspiegelde
dat al op je wachtte voor je er was

de waarheid, wist je, is niet te vinden, wat slecht
bij elkaar passende scherven hoogstens, toch

zocht je de verte af, die haast binnen handbereik lag
tot je ginds achter de bomen ten slotte het rivierwater glinsterend
zag opdoemen, je wierp je kleren
in het gras en gleed van de vrij steile oever –

aan de kant, waar de stroming minder was, greep je
net een overhangende boomtak beet, ruggelings dreef je, gewichtloos
alsof je zweefde, tussen de door het gebladerte
aan het zicht onttrokken ochtendhemel en de wortelstelsels
onder de stenige bedding

en zo het stroomafwaartse loochenend

III

Ongebreideld zwierven ze door je hoofd, taferelen
die in de diepte van een allang verlaten zoutmijn waren uitgehouwen
voor de vele kamers, de kilometerslange gangen
die later vol water liepen en groepen, gedaanten oplosten

maar elders, in grauw winters licht, toch weer een vaste vorm
wisten aan te nemen, bijna onherkenbaar
veranderd na de zoutzweren van zovele ondergrondse
jaren zochten ze een entourage
geborgen genoeg

om eindelijk de tijd te begrijpen –
voor sommige gezichten vervaagden zag je hoe het zilt zijn sporen
op hun wangen had achtergelaten, relicten
van een oud ingegrift verdriet, misschien dat de sneeuw straks
iets zou kunnen verzachten

IV

De enorme vinvis die je verzwolgen, in zijn binnenste
gevoed en gekoesterd had, spoog je
na een dag of drie door een gordijn van baleinen
ongeschonden weer uit
op dit rustige, zomerse strand –

eenmaal bijgekomen plantte je je ellebogen
in het natte zand en begon te kruipen, van kwarts en glimmer
zinderde het toen je de hoog
tegen de duinen gelegen bunker bereikte

via een ruwe wand wist je op het platform te klimmen
dat door een smalle richel werd begrensd, wat
gruis en glasscherven alleen, moeizaam richtte je je op en rechtte
je rug, de diepte voorbij de randen
viel haast niet te weerstaan

legio schubben bewogen de zee, geen schip
verstoorde de horizon, je hoopte dat de vloed straks
het grootlijvige moederdier terugbracht
en zijn duistere muil verlossend zou opensperren

om je nekwervels, schouderbladen en ballen liefdevol te strelen
en zich dan meteen achter je sloot –

V

Ruim voor de luxe kledingzaak zijn deuren opende
bleken etaleurs, met vilten sloffen aan en zwartgelakte spelden
tussen hun lippen geklemd, bezig te zijn
in een van de op straatniveau gelegen vitrines

waar een paar nog nagenoeg naakte vrouwelijke poppen
kleurig werden uitgedost

eerst was er nog het roze bestorven vlees, de verleidelijke welvingen
van de borsten, de etalageruit spiegelde
je ter hoogte van de tepels van de dichtstbijstaande figuur
terwijl dat wat tussen haar benen
hoorde te zitten zich daar vanzelfsprekend niet bevond –

zij kwam onverhoeds tot leven en in haar ogen
school duidelijk iets van herkenning toen ze je een hand toestak
als om je te laten zien dat ergens
op haar levenslijn jouw lot met het hare verbonden was

maar door haar ademhaling besloeg het glas

Hans Tentije (1944) debuteerde in 1975 met de poëziebundel Alles is er. Sindsdien zijn er nog zo’n zestien dichtbundels verschenen. In 2017 ontving hij voor zijn oeuvre de Constantijn Huygensprijs. Nieuwe poëzie is in voorbereiding. 

Meer van deze auteur