De wereld gezien via de Cassini-projectie.

Dinsdag 4 juni

Vanochtend nam ik me voor eens een ander stuk te schrijven dan ik meestal doe. Of beter gezegd, ik zou een andere thematiek aanboren. Deze keer zou er geen aandacht zijn voor de actualiteit of voor politieke ontwikkelingen, laat staan voor de werktuiglijke manier waarop politici met de geschiedenis omgaan. Een fris stuk zou het worden, als van een sportverslaggever die zich eindelijk aan een restaurantrecensie waagt. Ik keek er enorm naar uit. Er was slechts één probleem, dat wist ik wel: mijn interesse voor de onderwerpen waarover ik niet wilde schrijven, grenst aan het obsessieve. Het duwt alles aan de kant, dus moest ik het op een of andere manier van me afschudden. Of beter nog, ik zou de onderwerpen die me zo bezighielden gewoon vergeten.

Nadat de Duitse filosoof Immanuel Kant was gestorven, schijnt uit zijn studeerkamer een notitie opgevist te zijn waarop de volgende tekst stond: ‘Der Name Lampe muß nun völlig vergessen werden.’ Martin Lampe was veertig jaar Kants assistent geweest, maar had zich op een of andere manier bij zijn baas in ongenade gestort. Over wat er precies is voorgevallen, is in de loop der tijd wild gespeculeerd. Lampe zou iets hebben gestolen, aan de drank zijn geraakt, jaloers zijn geworden op de aanwezigheid van anderen, of zelfs seksuele avances hebben gemaakt in de richting van de filosoof. Hoe het ook mocht zijn, de vergetelheid kreeg waarschijnlijk weinig greep op Lampe zolang dat briefje nog rondslingerde.

De anekdote wordt meestal verteld ter illustratie van de these dat Kant een briljante, maar tamelijk wereldvreemde filosoof was. ‘Kijk nou toch,’ zeggen we dan, ‘een van de slimste denkers uit de westerse filosofie – een man die zijn leven wijdde aan het optuigen van een raderwerk waarin de grondslagen van het menselijke kennen eindelijk op systematische wijze uiteengezet werden – meende een sociaal probleem met een oerdom middeltje op te kunnen lossen.’

Tja, hoe kan dat eigenlijk? Kant was ongetwijfeld een stuk slimmer dan de mensen die deze anekdote hebben nagekakeld, zoals ik dat jarenlang deed. Dat briefje zou zomaar een heel snuggere zet geweest kunnen zijn en een glasheldere strategie kunnen onthullen die ook mij kan helpen met mijn vergeetvoornemens. Daarom leek het me aardig om voorbij de anekdote te kijken en te controleren wat Kant nog meer te melden had over onthouden en vergeten. Hoewel het thema in zijn drie grote werken – waarin het Ware, het Goede en het Schone werden onderzocht – geen centrale plaats inneemt, zegt hij wel iets over het geheugen in het kleinere boekje Anthropologie in pragmatischer Hinsicht. Simpel gezegd beschrijft hij het geheugen als een uitzonderlijk product van ons voorstellingsvermogen. Wanneer het voorstellingsvermogen moedwillig beelden uit het verleden reproduceert, zonder dat de fantasie ermee aan de haal gaat, is dat een herinnering.

Van Freud moeten we erover praten en volgens Kant kunnen we de te vergeten materie gewoon op een briefje schrijven

Wanneer Kant het thema vergeten raakt, wordt het pas echt leuk. De eerste keer dat hij schrijft over de mogelijkheid van het vergeten, gaat het meteen over drank en drugs. Hij beschrijft levendig hoe bepaalde middelen het geheugen kunnen beïnvloeden. Dat hij zich grondig heeft ingelezen, blijkt wel als hij een hele opsomming sponzen, kruiden, planten, traditionele opiaten en dranken geeft. Ik hoopte dat Kant ergens zou zinspelen op eigen ervaring, maar dat was niet zo. Beneveling en ander kunstmatig geheugenverlies leken niet aan Immanuel Kant besteed. Een paar alinea’s na zijn psychedelische uitstapje maakt hij alweer een keurig schematisch onderscheid tussen ‘oblivio’ en ‘obliviositas’. Dat laatste is alledaagse vergeetachtigheid en daarmee betrekkelijk onbelangrijk. Het eerste is boeiender. Oblivio gaat over het menselijke vermogen om gebeurtenissen te vergeten. Vergeten als vaardigheid, zou je kunnen zeggen. Bij oblivio is vergeten niet langer een passieve vergeetachtigheid of iets wat je overkomt, maar een strategie. Vergeten is mentaal opruimen, het overboord gooien van nodeloze ballast. Zo wordt vergeten een nastrevenswaardig doel, een vorm van zelfverbetering, en daarmee een verlichtingsdaad bij uitstek. Je kunt het nog steeds naïef noemen, maar zo is dat Lampe-briefje beter te begrijpen. Zelfs als je de biografen volgt die zeggen dat Kant aan alzheimer leed en tot zijn eigen frustratie telkens aan Lampe (‘Daar was toch iets mee…’) werd herinnerd en hem daarom nu eindelijk ‘völlig vergessen’ wilde, ontkom je niet aan het idee dat Kant een intentioneel vergeten nastreefde.

De Mercatorprojectie.

Later bleek het idee dat je actief een opschoning van je eigen geheugen nastreeft zo gek nog niet. Het hele oeuvre van Sigmund Freud cirkelt om het fenomeen vergeten heen. Heel impressionistisch samengevat onderscheidt hij in ieder geval twee soorten vergeten. Enerzijds is er de verdringing van gebeurtenissen. Allemaal beleven we in meer of mindere mate dingen die ons onbedoeld bijblijven. Zulke gebeurtenissen worden naarmate de tijd vordert gedeeltelijk vergeten, maar verdwijnen niet helemaal. Ze dalen af naar het rijk van het onderbewuste om ons van daaruit blijvend te kwellen. Anderzijds zijn er de herinneringen die daaruit juist weer opgediept, geanalyseerd en verwerkt zijn en vervolgens via de weg van de psychoanalyse definitief vergeten mogen worden. Het vergeten voor en het vergeten na de psychoanalyse dus. Dat is een boeiende these en welbeschouwd gaat de Freudiaanse psychiatrie er zodoende vanuit dat we iets pas kunnen vergeten nadat er een soort confrontatie plaatsgevonden heeft. Daar had Kant zich, op basis van zijn Lampe-briefje, vast onmiddellijk bij aangesloten.

Het idee dat je wilt schoffelen in de tuin van de geest is dus niets om je voor te schamen. Dat is een hoopvolle gedachte, alleen blijft het de vraag hoe je dat het meest efficiënt doet. Van Freud moeten we erover praten en volgens Kant kunnen we de te vergeten materie gewoon op een briefje schrijven. Ondanks de absurditeit ervan is dat laatste eigenlijk niet zo gek. Het maken van een boodschappenlijstje zorgt ervoor dat de te kopen boodschappen onmiddellijk uit je eigen geheugen verdwijnen. Dat kan ook gebeuren op grote schaal. Er zijn veel schrijvers en denkers die dit fenomeen bij zichzelf hebben opgemerkt. Plato zei al dat het geschreven woord de bijl aan de wortel van het geheugen zou zijn en vergelijkbare ideeën zijn via Montaigne tot aan de uitvinding van het internet actueel gebleven. Ideeën van anderen kun je beter onthouden door ze op te schrijven, terwijl je je eigen gedachten juist van je af lijkt te schrijven.

Zo is de paradox compleet: als ik niet steeds over hetzelfde wil schrijven, zit er niets anders op dan toch maar weer over hetzelfde te schrijven.

Dinsdag 11 juni

Vorige week heb ik allerlei dingen op Kantiaanse briefjes geschreven en zelfs drie pagina’s gevuld met ideeën die ik overboord wil gooien, maar zonder resultaat. Misschien heb ik er zelfs meer ballast bij gekregen, want ook het vergeetthema laat me inmiddels niet meer los. Vandaag kijk ik er op een andere schaal naar.

De Eerste Wereldoorlog maakte het bestaan van groepsidentiteiten op traumatische wijze duidelijk. Het idee bestond dat de wereld aan het einde van de negentiende eeuw uit elkaar was gespat in allerlei naties en andere groepjes die elkaar naar het leven stonden. Welbeschouwd is deze analyse twijfelachtig – echte eenheid is er nooit geweest – maar aandacht voor deze vorm van diversiteit leidde wel tot sprankelende inzichten. De Franse filosoof en historicus Maurice Halbwachs meende dat al die groepen hun eigen groepsverhaal en hun eigen groepsgeheugen hadden. Hij sprak over hun collectieve herinnering. Zoals een menselijk geheugen iets anders is dan een dagboek – waaruit gebeurtenissen probleemloos kunnen worden teruggevonden – is een collectief geheugen iets anders dan een archief. Slechts een deel van de gebeurtenissen die we meemaken en de ideeën die worden bedacht, wordt bewaard in het collectieve geheugen. Het is nooit echt concreet, maar altijd amorf en veranderlijk. Een collectief geheugen is bovendien eindig: wanneer het laatste lid van een groep het loodje legt, is het collectieve geheugen ook weg en heeft een volgende generatie een eigen collectief geheugen, waarin sommige dingen zijn meegenomen en andere voorgoed zijn verdwenen. Zo speelt het collectieve geheugen altijd in het nu, zoals het menselijk geheugen ook altijd iets van het heden is: het verwijst naar vroeger, maar staat niet rechtstreeks in contact met het verleden.

Dat brengt me terug bij Kant en Freud en de moedwillige vergeetfilosofie. Als het individueel en het collectief geheugen zo veel parallellen vertonen, zou het dan ook mogelijk zijn om de samenleving een aantal episodes uit onze geschiedenis te laten vergeten? En zou dat, net als bij individuen, ook een daad van zelfverbetering kunnen zijn? Ik kan maar één denker bedenken die zich hiermee bezighield: Friedrich Nietzsche. Hoewel Nietzsche niet over collectieve geheugens schreef en niets met Halbwachs te maken had – hij leefde eerder dan Halbwachs en die laatste lijkt zich geen moment in Nietzsche verdiept te hebben – vormt de negentiende-eeuwse Duitser een aardige aanvulling op de twintigste-eeuwse Fransman. Nietzsche heeft eindeloos over herinneren en vergeten geschreven en hij was daarin consequent tegenstrijdig. Desondanks moet het vergeetgebeuren hem menens geweest zijn, want behalve filosofische en filologische bespiegelingen wijdde hij ook diverse gedichten aan zijn vergeetzucht. Nietzsche vond dat de mens alle reden had om zo nu en dan jaloers te zijn op een koe of een ander beest. Dieren staan ‘kort aangelijnd aan de pin van het ogenblik’ en dat brengt een zekere onnozelheid met zich mee, maar ze worden ook niet door hun verleden gekweld, laat staan beheerst. De mens daarentegen heeft de vermoeiende eigenschap gebeurtenissen te onthouden, en dat levert zoiets als een geschiedenis op. Bovendien onthoudt de mens liever slechte dan goede dingen, waardoor die geschiedenis meteen als kwaadaardig monster ter wereld komt.

De Gall–Petersprojectie.

Nietzsche brak zich het hoofd over de rol die de last van de geschiedenis zou mogen spelen in een mensenleven en kwam tot een conclusie die voor zijn doen buitengewoon gematigd was. Hij vond namelijk dat er niet te weinig, maar ook niet te veel geschiedenis moest zijn. Dat idee ging wat hem betreft niet alleen op voor individuen, maar zeker ook voor groepen, samenlevingen zelfs. Om de boel in evenwicht te houden, moet een samenleving actief kunnen vergeten. Niet zonder dramatiek schreef Nietzsche dat ‘de kunst en het vermogen te vergeten’ een eerste levensbehoefte is. Gebeurtenissen die niet vergeten kunnen worden, achtervolgen ons en keren ‘als spook terug om de rust van een later ogenblik te verstoren’.

Nietzsche vond dat de mens alle reden had om jaloers te zijn op een koe of een ander beest

De vraag is vooral: hoe? Kun je, zoals Kant probeerde Lampe te vergeten, ook proberen een collectief geheugen op te schonen? Nietzsche meende dat zowel individuen als samenlevingen zogenaamde ‘mnemotechnieken’ konden gebruiken om met de ellende van hun geschiedenis in het reine te komen. Een beetje getraind vergeter kan het verleden bijvoorbeeld uitschakelen door het te ritualiseren. De uitwerking daarvan stel ik me voor als iets wat we regelmatig op televisie zien. ‘Vindt u Pasen belangrijk?’ vraagt de verslaggever en de geïnterviewde antwoordt met ja. Daarna vraagt de verslaggever of de geïnterviewde enig idee heeft waar deze feestdag voor staat, waarop die nee zegt. Formeel verwijst Pasen naar iets in het verleden, naar allerlei kennis en betekenis, maar in de praktijk is dat door de meerderheid al lang vergeten. Door Pasen te vieren geven we dat verleden kortstondig een prominente plaats in het nu, waardoor we eventjes heel druk met het ritueel bezig zijn, maar het verhaal erachter vergeten. Bij de dodenherdenking is dat niet anders. Want wie weet welke doden we precies herdenken en wanneer ze vielen en met hoeveel ze zijn? We ritualiseren het verleden door er een permanent, maar oppervlakkig gesprek over te voeren. Zo verdwijnt de realiteit van dat verleden naar de achtergrond en vervangt het gesprek over historische werkelijkheid de herinnering aan die werkelijkheid zelf, terwijl we denken ermee bezig te zijn. Praten over het verleden leidt via de ritualisering ervan tot de verdamping van historische kennis.

Zouden we dat mechanisme ook actief kunnen toepassen op dingen die we wíllen vergeten? Eerst leek het me onwaarschijnlijk dat er mensen zijn die het vergeten van Nietzsche actief toepassen, totdat me te binnen schoot dat er zoiets bestaat als de agnotologie, de studie van de onwetendheid. Waar Nietzsche de vergetelheid ten dele als bevrijding presenteert, benadrukt de agnotologie hoe we door uitgekiende vergeetstrategieën dom worden gehouden. Auteurs die zich met de agnotologie bezighouden, schrijven over de manier waarop kennis in het volle licht verborgen wordt. Ze laten zien hoe kennis beschikbaar kan zijn, maar de massa nooit bereikt, omdat andere ideeën domineren: kennis kan in het individuele geheugen zijn opgeslagen, maar niet in het collectieve. Het simpelste voorbeeld is de wereldkaart die de meesten van ons regelmatig onder ogen krijgen. Deze kaart is beschikbaar in diverse projecties die dramatisch van elkaar verschillen en waarvan de een bovendien aantoonbaar accurater is dan de ander. Ondanks de aanwezigheid van deze kritische kennis gebruiken bedrijven en overheden vrijwel altijd een verouderde projectie: de Mercatorprojectie uit 1569. Daarin is Afrika in oppervlakte ongeveer even groot als Europa en is India aanzienlijk kleiner dan Groenland. De onjuistheid hiervan werd al in 1854 vastgesteld door James Gall, die een gecorrigeerde kaart maakte, en toch blijven we massaal gebruikmaken van de Mercatorprojectie en reproduceren we daarmee onze eigen onwetendheid. Oude kennis staat in de weg en nieuwe kennis krijgt uit gewoonte geen kans.

De spectaculairste loot aan de stam van de agnotologie is de Amerikaanse hoogleraar Robert N. Proctor, die de ‘productie van onwetendheid’ tot onderwerp van studie heeft gemaakt. Hij gaat nog een stapje verder dan de zoektocht naar onwetendheid en houdt zich bezig met een soort omgekeerde epistemologie. Hij bestudeert hoe kennis actief aan het collectieve geheugen wordt onttrokken. In zijn spraakmakendste voorbeeld bespreekt hij de sigarettenindustrie. Hij laat zien hoe deze industrie erin slaagde om bestaande kennis steeds weer in een dikke mist te laten verdwijnen. Wat Proctor beschrijft lijkt op wat Kant, Nietzsche en Freud constateerden: je vergeet niet door iets taboe te verklaren, maar door erover te blijven praten en door dat gesprek een ritueel karakter te geven. Sigarettenfabrikanten verstoppen de kennis die tegen hen gebruikt kan worden niet. Integendeel: ze praten er de hele tijd over. Dat gesprek voeren ze het liefst zo beleefd en serieus mogelijk. Uit die open conversatie moet vooral blijken dat kennis permanent in bewerking is: er moet altijd nog een onderzoek worden gedaan, er is een langetermijnevaluatie nodig, er zijn tegenvoorbeelden en statistiek zegt natuurlijk nooit en te nimmer iets over het individu. Sinds de jaren vijftig hebben sigarettenproducenten een brede verzameling tegenstrijdige onderzoeken aangelegd en slaagden ze erin eindeloos over de kwaliteit van hun verzameling te praten. De inhoud ervan kwam ondertussen nauwelijks aan de orde. Zo kreeg bestaande kennis geen greep op het debat en werden de schadelijke gevolgen van sigarettenrook niet op grote schaal besproken.

Dinsdag 18 juni

Als ik bij elkaar optel wat ik tot nu toe weet, dan is dat dit: mijn ambitie om dingen te vergeten is zo gek nog niet, alleen aan de uitvoerbaarheid ervan is met recht te twijfelen. In navolging van Kant heb ik namen, gebeurtenissen en toestanden uit de actualiteit op een briefje geschreven, en toen dat vruchteloos bleek, keek ik of het mogelijk was op grotere schaal aan vergeetwerk bij te dragen. Ook dat zou moeten kunnen en eigenlijk wilde ik me daar verder in verdiepen toen ik vandaag iets anders bedacht: zou het misschien toch gewerkt hebben, en ben ik wel allerlei dingen vergeten? Ik bedoel, hoe weet ik wat ik vergeten ben?

Hierboven schreef ik zowel over Nietzsche als over Freud en dat deed me denken aan een andere anekdote. Toen Freud werd gevraagd of hij Nietzsche had gelezen, beweerde hij eerst dat hij dit niet had gedaan en vervolgens zei hij dat hij geen herinnering aan Nietzsches werk had. Dat bracht me op het idee om eens te onderzoeken door wie ik me heb laten inspireren toen ik de afgelopen weken over vergeten schreef. De resultaten vond ik spectaculair en schokkend. Via wat gegoogel en de zoekfunctie van mijn computer begon ik te achterhalen wat ikzelf in de loop der jaren over vergeten gelezen zou moeten hebben. Er verscheen een aardig lijstje boeken en artikelen. Dan doel ik niet op romans die het thema vergeten in de wereldliteratuur hebben geïntroduceerd. Niet Proust en zijn cakeje dat een wilde golf herinneringen opstuwde, niet Nabokov die suggereerde zijn geheugen zonder tussenkomst van de actualiteit aan het woord te kunnen laten, niet Bernlef die elke herinnering liet vervagen in een mist van een allesoverwoekerend nu. Het gaat hier om teksten waarvan ik vergeten was dat ik ze had gelezen, of waarvan ik me de inhoud in ieder geval niet meer helder voor de geest kon halen.

Een kortere versie van de anekdote over Kant trof ik aan in een stuk van Frank Ankersmit dat ik ooit las toen ik een artikel schreef over zijn werk. In hetzelfde artikel bespreekt hij de vergeetstrategie van Nietzsche. De Anthropologie in pragmatischer Hinsicht van Kant wordt in dat stuk niet genoemd, maar die tekst bleek ik al wel in mijn bezit te hebben omdat ik er als student ooit mee bezig was geweest. Twee weken geleden heb ik dat boek dus voor de tweede keer gedownload. En de agnotologie dan, hoe was ik daar terechtgekomen? Een tijdje geleden las ik de afstudeerscriptie van Mariska Terwel, een student die net was gestopt met roken en zich afvroeg waarom ze daar überhaupt ooit mee was begonnen. Haar scriptie ging over de methoden die de sigarettenindustrie door de jaren heen heeft gebruikt om haar werkzaamheden te verdoezelen en zo belandde ze bij Proctor. Daarnaast stond ik vanochtend zomaar met het boek Lethe. Kunst und Kritik des Vergessens van Harald Weinrich in mijn handen – het lag diagonaal in mijn boekenkast, helemaal bekliederd met mijn eigen handschrift. In dat prachtige boek worden allerlei vergeetverhalen uit de filosofie en literatuur besproken. Tot slot trof ik een drietal artikelen en een boek aan van historici die zich met maatschappelijk vergeten hebben beziggehouden. Wat ik twee weken geleden over Freud schreef, blijkt na enig speurwerk twijfelachtig, maar ik weet inmiddels ook waar dat vandaan komt.

Ik bedoel, hoe weet ik wat ik vergeten ben?

Dat ik de inspiratiebronnen voor een deel van mijn gedachten kon vergeten, is een even hoopvolle als vervreemdende ervaring. Het Kantiaanse experiment heeft gewerkt, maar tegelijkertijd helemaal verkeerd uitgepakt. Intentioneel vergeten lukt niet, terwijl ik andere verhalen en observaties als zo vanzelfsprekend ervaar dat ik ze niet langer zie als iets wat een bron kent, maar als kennis die er altijd geweest moet zijn. Ik vergeet de verkeerde dingen. Anderzijds dacht ik bij het terugzien van al deze bronnen telkens weer: o ja, dat is ook zo. Wat vergeten was, keerde al snel weer terug. Ergens is het geruststellend dat vergeten in onze tijd geen restloze bezigheid meer hoeft te zijn, waarin ook elke herinnering aan de herinnering verdwijnt. Doordat we gebruik kunnen maken van Google, boekenkasten en persoonlijke computerarchieven vinden we een deel van wat we vergeten zijn terug.

Dinsdag 25 juni

Als ik mijn vergeetdagboekbijdrage van vorige week lees, zie ik weer die parallel tussen het individuele en het collectieve geheugen. Zoals het individuele geheugen zich laat corrigeren en terugroepen door een persoonlijk archief, zo houdt de geschiedschrijving het collectieve geheugen aan de lijn. Wat collectief vergeten wordt, zal evenmin restloos verdwijnen en kan daarom worden bestudeerd. Dat is interessant, ook voor onze samenleving.

Het idee dat een maatschappij samenvalt met haar geschiedenis werd al door Nietzsche verworpen, en toch zien we die gedachte telkens terugkeren bij hedendaagse politici en opiniemakers. Nietzsche zou hen zeker belerend toespreken vanwege de monumentale opvatting die ze over ons verleden presenteren. In debatten, programma’s en campagneteksten verschijnt de Nederlandse geschiedenis als een monoliet van grootsheid en onvermijdelijke tolerantie. Deze politiek geïnstrumentaliseerde versie van de collectieve herinnering is weinig meer dan een compilatie van historische hoogtepunten, met hier en daar een obligate herdenking. Dat levert een oersaai beeld van het land op en een nog veel saaier maatschappelijk debat. Kunnen we het niet over een andere boeg gooien? Dan bedoel ik niet dat we het collectieve geheugen aan de hand van de geschiedschrijving moeten ‘debunken’, dat gebeurt al genoeg, ik wil iets anders voorstellen: het lijkt me eerlijker om onszelf te definiëren aan de hand van wat we zijn vergeten.

Wat kan onze samenleving zich permitteren te vergeten? Een laatste voorbeeld. Een oorlog en zijn doden zijn snel herdacht met een mooi verhaal over goed en kwaad. Wat doorgaans wordt vergeten is de grijstint, de nuance die voorafging aan het ogenblik van onderscheid. Het even rommelige als catastrofale moment waarop de onschuldige in de schuldige verandert eist in de collectieve herinnering geen prominente plaats op. Wie afgaat op het collectief geheugen zou kunnen denken dat Nederland nauwelijks nazi’s kende, behalve dan die paar evidente boeven. Maar zo is het natuurlijk niet. Het moment waarop de vriendelijke ambtenaar zijn NSB-lidmaatschapskaart invult, de middag waarop de buurvrouw even de andere kant op kijkt, haalt de geschiedenisboeken noch ons gezamenlijk geheugen. Toch kunnen we juist daarvan veel leren. Die vergeten gebeurtenissen zeggen meer over onze identiteit dan de karikaturen van het collectieve geheugen en de klinische benadering van de geschiedschrijving.

Welbeschouwd kan de zoektocht naar wat we zijn vergeten nog veel meer opleveren. Het hoeft niet louter over historische kennis te gaan. Klimaatveranderingsontkenners gebruiken dezelfde technieken en strategieën als de sigarettenindustrie om het collectieve geheugen uit de buurt van de wetenschap te houden. Ook daar is zo veel kennis verdwenen. Enfin, misschien sla ik hier op hol.

Donderdag 27 juni

Ik ben inmiddels op vakantie en maak een korte wandeling door het dorpje waar ik verblijf. Er is zo weinig afleiding hier dat ik telkens terugdenk aan mijn thuisgelaten vergeetdagboek. Heb ik nou toch weer over politiek geschreven? En over de actualiteit? Waarom wilde ik dat eigenlijk niet doen? Daar was toch iets mee…

Adriaan van Veldhuizen (1982) is redacteur van De Gids en werkt als universitair docent bij het Instituut voor Geschiedenis aan de Universiteit Leiden. Zijn onderzoek richt zich op de Theorie van de Geschiedenis. Eerder schrijf hij het boek De Partij over het ontstaan van de SDAP aan het einde van negentiende eeuw.

Meer van deze auteur