De echte wereld, daarbuiten

Aan de muur van mijn kamer op de universiteit heb ik een wegenkaart van Brazilië geprikt. Met een schaal van 1:3.000.000 prijst de Mapa Rodoviária do Brasil zichzelf aan als ‘de kaart met de gigantische afmeting’. Dat is niet overdreven. Lavras Novas, Jacobina, Conçeição de Jacuípe, Itatiáia, Serrinha, Uauá en al die andere onbetekenende plaatsjes die ik gedurende vele jaren onderzoek in Brazilië heb leren kennen: ze staan er echt allemaal op.

Soms, als ik geen letters meer kan zien, dwaalt mijn blik af in de richting van die kaart. Dan volg ik met mijn ogen de kustwegen, de dikke rode lijnen die landinwaarts buigen om zich te vertakken in provinciale wegen, en nog weer kleinere wegen, die dan uiteindelijk de begrenzing vormen van grote witte vlakken. Op de Mapa Rodoviária do Brasil hebben die echt een immense omvang. Ik heb andere kaarten van Brazilië onder ogen gehad waar de ontwerpers die leegte een beetje hebben proberen op te vullen met gekleurde aanduidingen van hoogteverschillen, liggende streepjes die ‘moeras’ betekenen, de namen van heuvelruggen, stippellijntjes die de loop van droge rivierbeddingen aangeven en andere gelijksoortige informatie. Zo niet mijn Mapa Rodoviária. Daar is ‘leeg’ gewoon leeg. Wit, onbedrukt papier.

*

‘Niets, vermenigvuldigd met niets, plus de Duivel’. Zo karakteriseerde de Braziliaanse schrijver João Guimarães Rosa (1908-1967) de Sertão, de immense lege ruimten die grote delen van noordoost-Brazilië beslaan. In zijn roman Grande Sertão: Veredas (1956)1 doet hij voortdurend pogingen de leegte van de Sertão tot uitdrukking te brengen. Hij spreekt over ‘het einde van alles, de leegte, uitrekbaar, achterstevoren’, maar ook over een alomvattende ruimte, ‘van de omvang van de wereld’. Zijn misschien wel mooiste poging de Sertão in woorden te vangen is het ontwijkende ‘aquela coisa’ (door August Willemsen vertaald met ‘dat ene’), waarin de taal eigenlijk enkel haar falen deze enormiteit tot uitdrukking te brengen etaleert. En dat moet inderdaad de vaststelling zijn wanneer je ergens in de Sertão een heuvel beklimt en over de verten tuurt: tegenover dit overweldigende niets staat de taal met een mond vol tanden, te kijk gezet als een instrument voor huis-, tuin- en keukengebruik. Ieder woord is er een te veel om deze leegte tot uitdrukking te brengen.

In religiestudies is er keer op keer op gewezen dat daar waar de taal – of in bredere zin: het verstandelijk begrijpen – het laat afweten God zijn kansen grijpt. Goddelijk is dat wat het menselijke begripsvermogen overstijgt: het wonder, het onmogelijke dat mogelijk bleek, en zo alle menselijke opvattingen over de werkelijkheid tartte. Goddelijk is het teken dat niet door mensenhanden werd vervaardigd: het gezicht van Jezus dat zomaar verscheen op de maïstortilla die een Mexicaanse vrouw stond te bakken, of de naam van Allah teruggevonden in de zaadlijsten van een doorgesneden tomaat, of het beeld van de Heilige Maagd dat zomaar uit de lucht kwam vallen. Goddelijk is de wartaal van het in tongen spreken, het onbegrijpelijke visioen, het onberedeneerde voorgevoel om vandaag maar niet de trein te nemen die later zou worden opgeblazen. Met andere woorden, de notie van het goddelijke wordt steeds weer gegrond in de intuïtie dat men God niet zal vinden in dat wat aan het menselijke brein is ontsproten. In zijn zoektocht naar God staat de mens zichzelf in de weg.

Die intuïtie vindt hier, in de immense leegte van de Sertão, weerklank. De naaktheid van deze aarde versterkt het vermoeden dat niet het ‘weten’ maar het ‘niet-meer-weten’ de weg naar God is. De stilte houdt hier een donderpreek over menselijke hoogmoed en de dwaalwegen van de geest. Om het verhaal van de Grande Sertão te kunnen vertellen, zei Guimarães Rosa ooit, zou het Portugees moeten worden ontdaan van al zijn conventionele en uitgesleten betekenissen. Enkel een herboren taal, waaruit alle sporen die de eeuwen erin hadden achtergelaten waren verwijderd, zou deze oerwereld tot uitdrukking kunnen brengen.2 Ook dat is een manier om te zeggen dat enkel God bij machte is het verhaal van de Sertão te vertellen.

Zo bezien hoeft het niet te verbazen dat de Sertão, in de literaire en cinematografische verbeelding van Brazilië, wordt doorkruist door ascetische profeten, klaaglijk zingende pelgrims, kruistorsende boetelingen, primitieve gnostici, zichzelf kastijdende flagellanten, schuldenaren bij Santo Antônio of Santa Barbara, zwijgzame heremieten, en de heilige mannen die beatos worden genoemd. En bandieten, natuurlijk, al zijn ook die in de Sertão diepgelovig. Eenmaal in de ban van een dolende profeet, schreef Euclides da Cunha over hen, zijn ze in staat ‘hun moorddadige donderbussen te laden met de kralen van hun rozenkransen’.3 Al deze figuren hebben de samenleving de rug toegekeerd – uit vroomheid, opstandigheid, uitzichtloosheid, en iedere denkbare combinatie daarvan. Ze hebben de benepenheid van hun alledaagse leefwereld, de beperkte reikwijdte van hun horizon, de ijdelheid of vergeefsheid van hun strevingen achter zich gelaten. Ze hebben alles afgelegd: vriendschap en verwantschap, geld en goed, kleding en moraal. Velen hebben zich ‘van zinnen laten brengen’ door zonderlinge predikers en messiaanse figuren (zoals Da Cunha het verwoordt) en dolen rond in de onmetelijke ruimten van de waan. Voorbij aan de redelijkheid zijn ze op weg naar iets groots. Ergens op deze grindwegen zal hen iets tegemoet treden dat hun leven een andere wending zal geven. Een of ander wonder zal zich voordoen. Een heilige waarheid zal zich openbaren.


*

Ik kan niet ontkennen dat ik ontvankelijk ben voor dergelijke scenario’s. Zet mij op zo’n pokdalige weg in the middle of nowhere en ik wil alleen nog maar lopen, de leegte tegemoet.

In mijn beleving heeft dat verlangen alles te maken met mijn schrijverschap. De opdracht die de academie mij stelt is auteur van de wereld te zijn, alles in mijn voorstellingen onder te brengen. Maar dit schrijverschap – de constante ‘verhaling’ van de wereld in het opstellen van onderzoeksplannen, het overdenken van onderzoeksbevindingen, het verwoorden van conclusies – gaat gepaard met een onvermijdelijk gevoel dat ik nog enkel een toeschouwer ben in het theater van mijn eigen verbeelding. De echte wereld, daarbuiten, is ontoegankelijk. Il n’y a pas de hors-texte, beweren wij hier al decennialang. Alles is tekst.

Lege landschappen als de Sertão leggen een merkwaardig soort ‘onverschilligheid’ aan de dag ten aanzien van de verhalende vermogens en activiteiten van de mens. Sterker nog, er heerst daar een volstrekte onbetrokkenheid ten aanzien van diens verschijnen. Er worden geen roofdieren op zijn pad gestuurd, zoals in de jungle. Of slagregens en bliksemschichten. Er zijn daar geen drijfzanden die eropuit zijn hem op te slokken. Of lawines. Zulke actieve bemoeienissen met zijn aanwezigheid zul je er niet tegenkomen. Er zijn enkel bewegingloze rotsen. Zwijgende vlakten. Wat iemand hier ook komt doen, wat iemand ook van dit landschap probeert te maken, de Sertão blijft vorstelijk onaangedaan. De woestijnvaders, Jack Kerouac, Thelma en Louise, een zenboeddhist op een motorfiets, Guimarães Rosa (die als arts de Sertão doorkruiste), Jezus Christus, Lawrence of Arabia, de apostel Paulus, of Dora, de mottige brievenschrijfster uit Central do Brazil, de beroemde Braziliaanse roadmovie: allemaal hadden ze zo hun redenen om het niets te betreden, en allemaal keerden ze terug met een nieuw verhaal, een nieuw inzicht, een nieuwe ervaring. Maar in verre bergruggen aan de horizon haalt de Sertão er zijn schouders over op.

Het is die onverschilligheid ten aanzien van ieder verhaal die een onweerstaanbare aantrekkingskracht op mij uitoefent. Bedenk het maar, zegt de Sertão. Of bedenk het niet. Het is om het even.

Welbeschouwd zoek ik deze ‘niet-ontvankelijkverklaring’ ten aanzien van ieder denkbaar verhaal voortdurend op. Iedere keer weet ik mij weer verleid tot juist die dingen, mensen of situaties waar mijn verhalen geen vat op krijgen. De onbenoembare schoonheid van de muziek. De man-van-weinig-woorden die geen boodschap heeft aan mijn eindeloze verbale uiteenzettingen. De oneindigheid van een sterrennacht boven de woestijn. De jouissance van het orgasme. De collectieve extase van het Bahiaanse carnaval. Ik begin zelfs te vermoeden dat mijn jarenlange nicotineverslaving zichzelf bovenal in stand wist te houden doordat ik een onuitgesproken, heimelijk genoegen beleefde aan het gegeven dat al die verhalen die ik mijzelf voorhield om ‘nu dan toch eens echt te stoppen’ geen effect sorteerden. Als alles tekst is, als je overal je eigen voorstellingsvermogen, je eigen design, je eigen handschrift in terugvindt, doet de harde grond van de Sertão een onweerstaanbare belofte: hier kom je oog in oog te staan met de wereld zelf.

*

‘Ga nu niet denken dat Canudos een mooi stadje is,’ was hoe ik mijn reisgenoten had gewaarschuwd. ‘Veel meer dan de eindbestemming is het niet. De reis door de Sertão is waar het om gaat.’

Ik had enkele bevriende collega’s die op conferentiebezoek waren in Salvador met veel enthousiaste verhalen weten over te halen een korte trip naar Canudos te maken.

‘Drie dagen de woordenkermis van panels en rondetafels en presentaties en debat lijkt me meer dan genoeg. Volgens mij willen we daarna wel het land in.’

Canudos is een kleine rode stip midden in zo’n leeg, wit vlak op mijn Mapa Rodoviária do Brasil. Een stoffig dorp in het binnenland van Bahia, beroemd omdat er in de late negentiende eeuw een messianistische profeet genaamd Antônio Conselheiro was neergestreken met tienduizenden verpauperde volgelingen om er een Nieuw Jeruzalem te stichten. In korte tijd werd er een enorme stad van modderhutten uit de grond gestampt die enkele jaren later volledig werd verwoest door het Braziliaanse leger. Duizenden en nog eens duizenden ‘religieuze fanatici’ werden zonder pardon afgeslacht. Geschiedenis genoeg in Canudos. Maar nu de reis eenmaal gepland stond vreesde ik dat mijn reisgenoten aan het einde van de rit een leuk koloniaal stadje verwachtten, of iets van die orde.

Vanuit die bezorgdheid dat ik met mijn enthousiasme verwachtingen had gewekt die niet waargemaakt zouden kunnen worden, had ik mijn reisgenoten aangeraden de roman van Mario Vargas Llosa De oorlog aan het einde van de wereld te lezen waarin de gebeurtenissen in Canudos in groot detail uit de doeken worden gedaan,4 of beter nog, de nieuwe Nederlandse vertaling van Os Sertões van Euclides da Cunha, de Braziliaanse schrijver die ooggetuige was van de moordpartijen in dit achterland.

‘Opdat de plek een beetje voor jullie gaat leven,’ was de manier waarop ik het had geformuleerd.

Als goede academici (Bahianen zouden waarschijnlijk grinniken en zeggen: als ware boetelingen) hadden ze deze volumineuze en zware boekwerken meegezeuld vanuit het verre Amsterdam.

De motregen die ons vergezelde toen we de kust steeds verder achter ons lieten was niet echt wat je noemt: ‘Sertão.’ Eigenlijk was het pas voorbij Tucano dat het er allemaal een beetje begon uit te zien zoals ik het mijn reisgenoten had voorgespiegeld: onafzienbare verten, doormidden gesneden door de strakke asfaltlijn van de br-115. Zowel rechts als links was er enkel land: aarde, stenen, prikkelstruiken en vetplanten die langzaam vervaagden tot grijs en okertinten. Regelmatig passeerden we het uitgedroogde karkas van een rund of paard aan de kant van de weg, kaalgepikt door zwarte gieren. En om de zoveel tijd was er het kleine, witgesausde gebedshuis dat zich leek vast te klampen aan de weg; de man met de cowboyhoed op een fiets; het gammele fruitstalletje met keurig opgestapelde vruchten – in heel hun onbeduidendheid de perfecte onderstreping van de immensiteit van het land.

Vanaf de achterbank in de auto kwam de opmerking: ‘Dit is hoe ik mij Latijns Amerika altijd heb voorgesteld! Nu nog een blauwe lucht en dan is het hier net zoals in Central do Brasil.’

En zo was het inderdaad. Razend over de br-115 met honderd kilometer per uur was de Sertão een film. Bewegend beeld. Schoonheid achter glas. De openingsscène voor de televisiebewerking van Mario Vargas Llosa’s roman. Of inderdaad, Central do Brasil. Prachtig. En onbereikbaar.

Even overwoog ik de auto aan de kant van de weg te zetten en uit te stappen. Het scheen mij toe dat de rechte lijn van asfalt – een dwingende streep van hier naar daar – iedere mogelijkheid om in contact te treden met de leegte om me heen verhinderde. Als ik dit land in zou lopen – gewoon lopen totdat ik de weg niet meer zou kunnen zien – zou deze film echt kunnen worden.

Maar het bleef bij de overweging. We reden door. Full speed. We zeiden dingen als: ‘Er zijn nog vele kilometers af te leggen tot aan Canudos en het wordt al laat.’ En: ‘Je moet hier niet in het donker rijden, met al die gaten in het wegdek.’ We waren vier academici in een auto. We bediscussieerden de nederzettingspatronen en vormen van landbezit in dit deel van de wereld. Favoriete recepten. Vreemde vruchten. We roddelden over deze en gene. Maar een onweerstaanbare gedachte had zich aan mij opgedrongen.

‘Paarden,’ zei ik tegen mijn reisgenoten. ‘We zouden morgen paarden kunnen huren om een tocht te maken.

*

Dát wist de Sertão me dan toch in ieder geval mee te geven, nadat ik mezelf had teruggevonden in het midden van zo’n wit vlak op mijn Mapa Rodoviária do Brasil: het is een illusie te denken dat je je deze onmetelijkheid zou kunnen toe-eigenen door er een beetje in rond te struinen. Alsof paardrijden in de Sertão ooit iets anders zou kunnen zijn dan het vervangen van het ene filmscript (Central do Brazil) door het andere (How the West was Won, Dancing with Wolves, Brokeback Mountain). Alsof het mogelijk zou zijn dit ‘overweldigend niets’ en ‘onbevattelijk alles’ dienstig te maken aan je verlangen te ontsnappen aan het benauwende theater van je eigen verbeelding.

Het onvermogen de echte wereld, daarbuiten, te leren kennen tekent het door-en-door antropocentrische perspectief van de academicus: letterlijk alles wordt tot een rekwisiet in een verinnerlijkt verhaal over de wereld. Het Andere bestaat niet meer als zodanig. Wat niet begrepen is, wat niet gekend is – en daarmee geen rol kan spelen in de uitgezette verhaallijn – is de toegang tot het bewustzijn ontzegd. De term ‘antropocentrisch’ is eigenlijk nog te zwak om dit perspectief te benoemen: de mens is hier niet zozeer het centrum van het universum, hij ís het universum. Daarmee zijn de claustrofobische trekken van dit wereldbeeld getekend: opgesloten in zijn zelfbenoemde horizon valt de verhalenverteller onherroepelijk ten prooi aan een onstuitbaar verlangen naar iets wat zich onttrekt aan het script; naar een venster dat uitzicht geeft op de rest van wat is. Zijn verlangen is dat van de iconoclast, die de beelden aan stukken slaat. Maar in de goddeloze wereld van de academicus wacht er iedere keer opnieuw enkel weer een verhaal. Over scherven. Over het gapende gat dat achterbleef. Over het niets.

In het door en door religieuze Bahia heeft dit wereldbeeld nooit echt voet aan de grond gekregen. God – in heel zijn Bahiaanse veelvormigheid – heeft hier nog altijd het laatste woord.


*

Neem Victor. Ooit vertelde hij mij dat toen hij een jaar of negen, tien was, enkelen van de grote jongens in zijn geboortedorp, diep in de Bahiaanse Sertão, hem hadden wijsgemaakt dat als hij een kuil in de grond groef, en maar stug bleef doorgraven, hij uiteindelijk aan de andere kant van de wereld zou uitkomen. Daar lag een plaats die ze Japão noemden. Victor had geen idee gehad wat het was, dit Japão. Maar het was hem duidelijk dat het ver verwijderd was van zijn dorp – ‘láááááá no outro lado do mundo!’ vertelde hij, wild gebarend om de enorme afstand aan te geven. Dat enkele idee van ‘ver weg’ was voor hem voldoende reden te graven. Dieper en dieper werd zijn kuil, maar Japão verscheen nergens, en aan de rand van de kuil stonden de grote jongens hem al uit te lachen om zijn goedgelovigheid.

Ik herinner me hoe er op dat moment in zijn verhaal even een ongemakkelijke glimlach over zijn gezicht trok. De herinnering aan de kinderlijke naïviteit en onwetendheid van dat jongetje in de kuil bracht hem in verlegenheid. Maar hij vervolgde zijn verhaal, en vertelde hoe hij daar in die kuil tot inzicht was gekomen. Nu was het hem dan duidelijk. Nu zou niemand hem ooit nog voor de gek houden. Al die plaatsen waar hij weleens van had gehoord – Japão, America, Europa, Nova York, de Torre Eiffel – bestonden helemaal niet. Leugens waren het. Verzinsels van de televisie, van mensen die eropuit zijn je voor de gek te houden. De Sertão is alles wat er is. Do tamanho do mundo, van de omvang van de wereld.

Victor had geen idee wat Japão was. Er was geen verhaal voorhanden en ook geen verhaal in de maak. Hij begon simpelweg te graven, en al doende kwam hij tot een inzicht dat hij zelf niet had kunnen verzinnen. Hij ging niet op pad in een wereld die hij al had uitgeschreven: hij liet zich schrijven door de wereld.

Victors reis naar de onderkant van de Sertão doet denken aan de surrealistische verheerlijking van de flâneur, die doelloos de stad doorkruist om zo toevallige ontmoetingen te provoceren; aan de beatniks die serendipity tot een geprivilegieerde vorm van kennis opdoen verhieven; en aan Alain Badiou’s filosofische bespiegelingen over ‘de Gebeurtenis’ als noodzakelijk ankerpunt voor alle weten:

For the process of truth to begin, something must happen. Knowledge as such only gives us repetition, it is concerned only with what already is. For truth to affirm its newness, there must be a supplement. This supplement is committed to chance – it is unpredictable, incalculable, it is beyond what is. I call it an event. A truth appears in its newness because an eventful supplement interrupts repetition.5

Steeds weer trof ik in Bahia mensen die spraken over een dergelijke Gebeurtenis – een openbaring, een wonder, een mysterie, een interruptie van de dagelijkse orde die andere zijnsdimensies in beeld had gebracht. En juist omdat die Gebeurtenis zich niet liet rijmen met hun ‘verhaling’ van de wereld hadden zij hun verdere begrip van het bestaan in die gebeurtenis gegrond.


*

Zo had ik Luis ontmoet in een winkel in Salvador waar religieuze artikelen worden verkocht. Ik was er op zoek naar de kleurrijke gipsen beeldjes die worden gebruikt in de altaren van candomblé, hij was op zoek naar kruiden en mineralen voor een ritueel bad. We raakten in gesprek, en hij vertelde over zijn recente ervaringen in een candomblé-tempel. Hij wees op een grote tatoeage op zijn bovenarm, een portret van een indiaan met wapperende zwarte haren. ‘Een Cheyenne,’ verduidelijkte hij.

‘Ik had deze afbeelding gekozen omdat ik af wilde van een eerdere tatoeage. Met al dat zwarte haar van de indiaan kon ik die mooi bedekken.’

Hoe banaal zijn redenen om juist deze afbeelding te kiezen ook waren geweest, twee weken na het zetten van de tatoeage was hij bezeten geraakt door de geest van een Cheyenne-indiaan. In zijn omgeving werd dit alom bestempeld als een zeer merkwaardig voorval. In candomblé is bezetenheid door geesten van indianen een veelvoorkomend verschijnsel, maar dan gaat het altijd om Braziliaanse indianen, caboclos genaamd. Het verschijnen van Noord-Amerikaanse prairie-indianen als de Cheyennes was in Luis’ kringen nog nooit gerapporteerd. De priesteres die hem had geïnitieerd was er – na consultatie van de goden via het schelpenorakel – echter van overtuigd dat de bezoekende geest de indiaan van de tatoeage was. ‘Dus nu ben ik, zo gauw ik maar even de tijd heb, op het internet op zoek naar informatie over Cheyenne-indianen,’ zei Luis.

Weken later belde hij me op met zijn mobiele telefoon. Hij bevond zich ergens in de Sertão op weg van Salvador naar de staat Sergipe en vertelde mij – danig opgewonden – dat hij zojuist tijdens een sanitaire stop aan de kant van de weg een ‘vreemd stuk bot’ had gevonden. Hij kon dat bot niet thuisbrengen (‘maar van een geit is het zeker niet!’), en vermoedde dat het heel wel een bot van een indiaan zou kunnen zijn. Omdat hij er niet zeker van was had hij bedacht dat antropologen verstand hebben van botten en indianen. Dus of hij, wanneer hij terug was in Salvador, een keer zou kunnen langskomen om mijn opinie te horen over zijn vondst.

Ongetwijfeld hield dit verzoek verband met zijn recente ervaringen met de geest van de Cheyenne die over hem was gekomen, en speelde het bot een rol in de authentisering van de identiteit van deze ‘bezoeker’. Door het bot als ‘teken’ te benoemen probeerde Luis zijn geloof te gronden in datgene wat ongevraagd op zijn weg was gekomen. Zijn openbaring was niet gelegen in een of ander schrijfsel op het internet, of in de woorden van de priesteres van de tempel die hij frequenteerde, maar was een teken waar geen enkele auteur aan te pas was gekomen: een bot aan de kant van de weg, gevonden omdat hij toevallig op die plek zijn blaas stond te legen.

*

Ook de reis door de Sertão van Dona Clarice and Dona Suzana was niet onderworpen aan een bij voorbaat uitgeschreven verhaal, maar laat zich het best omschrijven als een provocatie van de machten en krachten die voorbij de verhalen zijn gelegen.

Ieder jaar reizen deze twee keurige dames van middelbare leeftijd van Salvador naar Serrinha, een typisch marktplaatsje in de Sertão. Daar wonen ze de verjaardag bij van de geest die hun zuster op geregelde tijden in bezit neemt, de boiadeiro. Dona Clarice en Dona Suzana zijn eveneens mediums, en net als hun zuster in Serrinha ontvangen ook zij de boiadeiro.

De boiadeiro is een van de vele geesten die het pantheon van de candomblé bevolken. Boiadeiro laat zich vertalen als ‘cowboy’ en deze geest (die in vele hoedanigheden verschijnt: zo is er de boiadeiro menino, de kind-cowboy, de boiadeiro da Campina, de cowboy van Campina, de boiadeiro bugre, de wilde cowboy, en de boiadeiro do Sertão, de cowboy van de Sertão) wordt meestal voorgesteld als een donkerhuidige veehoeder gekleed in leer die zich tooit met de typische sertanejo-cowboyhoed. Zijn onafscheidelijke attribuut is de capanga de couro, een leren tas waarin hij medicinale kruiden en planten verzamelt tijdens zijn lange zwerftochten.6 Sommige Bahianen zeggen dat de boiadeiros allemaal uit het dorp Jequiriça komen – dat blijkens mijn Mapa Rodoviária inderdaad een dorp in de Sertão van Bahia blijkt te zijn. In de setting van een stadse cultus als de candomblé betekent Jequiriça echter vooral zoiets als ‘diep, diep in het achterland’.

De meest in het oog springende karakteristiek van de boiadeiros is dat ze de belichaming zijn van de ongerepte wildheid van de Sertão. Ze staan bekend als vrijheidslievende creaturen die zich aan geen enkele autoriteit onderwerpen, en die – vanwege hun levenslange zwerftochten over de vlakten van noordoost-Brazilië – een aversie hebben tegen gesloten ruimten. De altaren die voor hen worden opgericht zijn om die reden bijna altijd tijdelijke onderkomens in de openlucht, gemaakt van palmbladeren en andere natuurlijke materialen. Niet gehinderd door stadse manieren en beschaafde omgangsvormen staan ze bekend als ‘ruw’, ‘onbehouwen’, ‘vrolijk’, ‘relaxed’ en ‘extrovert’. Ze zijn verzot op wijn, bier en strosigaretten en geven zich makkelijk over aan de uitgelaten feestelijkheid die deze genotsmiddelen teweegbrengen. In hun raadgevingen aan de stadsbewoners die hen consulteren houden de boiadeiros er echter een uiterst conservatieve moraal op na – ook daarin tonen ze zich ware inwoners van de binnenlanden.

Onmiskenbaar getuigt de cultus van de boiadeiro van een grootstedelijke nostalgie naar de simpele levensvormen en tradities van het binnenland; een romantisch verlangen naar de bucolische settings van de Sertão; naar herkomst, oorsprong en worteling. In die zin heeft die jaarlijkse trip van Dona Clarice en Dona Suzana naar de tempel van hun zuster in Serrinha wel iets gemeen met mijn reizen door de Sertão. Ook deze dames maken een reis terug in de tijd, en anders dan bij Victor en Luis is er ook bij hen sprake van een script. Hier geen serendipity: ze nemen altijd de directe bus naar Serrinha en zullen er niet over peinzen de buschauffeur te vragen de bus te stoppen, zodat ze zich kunnen verliezen in de weidse vlaktes. En keurig opgevouwen in hun koffers zitten de kleren waarin ze gekleed zullen worden als later, tijdens de ceremonie, de boiadeiro over hen is gekomen: leren cowboyhoeden en geruite stoffen waarmee een rustieke plattelands-look gecreëerd kan worden. Toch geldt ook hier dat in het grotere raamwerk van hun religieus handelen deze doelgerichtheid (‘in één rechte lijn naar Serrinha’) niet meer is dan een voorspel: het provoceren van de machten en krachten die aan gene zijde van het verhaalde bestaan gelegen zijn.

Een groter contrast dan dat tussen mijn pogingen in contact te treden met de Sertão en die van Dona Clarice en Dona Suzana is nauwelijks denkbaar. Waar ik de Sertão vruchteloos probeer te onderwerpen aan mijn verhalen, doen de dames er het zwijgen toe. Ze sluiten hun ogen. Ontdoen zichzelf van ieder willen. Heffen zichzelf op om hun lichamen ter beschikking te stellen aan een geest die meer dan enig ander de Sertão vertegenwoordigt. Het is veelzeggend dat de mediums in candomblé ‘cavalos’ worden genoemd, paarden, die worden ‘bestegen’ (montado) door hun geesten. Wanneer dat gebeurt tollen de mediums als een dolle in de rondte, bokkend en steigerend totdat de boiadeiro zich manifesteert met wat – in letterlijke zin – een oerkreet is. Het is ‘als een schok van 220 volt’, zei Dona Suzana erover. Als je die spectaculaire transformatie zich voor je ogen ziet voltrekken – die ietwat bedeesde, stadse dames die zojuist nog met hun koffertjes de bus uit stapten en die nu galopperend door de tent van hun zuster rennen, en zich vervolgens ontpoppen als joviale drinkebroers en strosigaretten rokende cowboys uit de Sertão – ben je geneigd te denken dat zij niet zijn veroordeeld tot een zijnsmodus die vergt dat je de wereld al verbeeld moet hebben alvorens haar te kunnen betreden. Dona Clarice en Dona Suzana treden niet in contact met de wereld van de Sertão door hun paarden de sporen te geven en de leegte tegemoet te galopperen. Ze worden het paard dat door de boiadeiro wordt bestegen, en eenmaal bezeten belichamen ze alles wat de Sertão voor hen betekenisvol maakt.

Stel je voor: bereden te worden door de Sertão zelf, bezeten te zijn door een immensiteit do tamanho do mundo, de belichaming te zijn van het ‘overweldigende niets’ en ‘onbevattelijke alles’ van de Sertão. Dat kan niet anders dan een expansieve, geestverruimende ervaring zijn. Ik kan daar helaas enkel over speculeren. Het mag dan zo zijn dat alle candomblé-priesters me lieten weten dat de geest die de meester van mijn hoofd is Oxóssi heet (de orixá7 die het dichtst bij de caboclos staat; wiens heilige attributen de paardenstaart en de pijl-en-boog zijn; en wiens mediums eveneens een leren cowboyhoed dragen en, als ze eenmaal bezeten zijn, een galopperende dans ten uitvoer brengen): feit is dat ik nooit bezeten ben geraakt.

‘Jouw Oxóssi zit op zijn troon, en bekijkt de zaak liever van bovenaf,’ zei een bevriende priester tegen mij. ‘Die komt niet naar beneden. Maar dat is niet erg, hoor. Er zijn vele manieren om je orixá te eren.’ Hij zei het zoals een dokter zou zeggen dat een leven in een rolstoel ook nog zijn geluksmomenten heeft.

*

‘Altijd is God voor de mens aan gene zijde, nieuw, ver, vreemd, soeverein, nooit binnen handbereik, nooit in zijn bezit; wie God zegt, zegt altijd wonder,’ zei de theoloog Karl Barth ooit.8 En dáár geloven we ook al niet meer in aan de academie, waar men meent dat alles beheerst, verantwoord en voorgesteld kan worden, en waar voor het andere dan het voorstelbare en beheersbare geen plaats is.9

Wanneer de wonderen de wereld uit zijn, blijft enkel de benauwende horizon van onze verhalen. Ik was gewoon gelovigen te bekijken als enigszins kwezelachtige mensen die hun schrijverschap uit handen hebben gegeven, op de een of andere manier onmachtig om zelf een interessant en levensverrijkend bestaan te ontwerpen. In Bahia werd ik echter op mijn beurt meewarig bekeken door mensen die vernamen dat ik mijzelf als niet-religieus bestempel. ‘Wie sluit zichzelf nu op in de beperkte ruimte van zijn eigen voorstellingsvermogen?’ gaven mensen me keer op keer te verstaan. Ik moet bekennen: zó, als ‘een openstaan voor datgene wat aan elke vorm van logisch en berekenend denken ontsnapt, een openheid voor het andere dan het zijnde’10 had ik religie echt nog nooit bekeken.

Ik troost mezelf maar met die herinnering aan een van de weinige keren dat ik daadwerkelijk paard reed. Het was enkele jaren geleden. Ik was met Victor in de Chapada Diamantina, een bergketen in het midden van Bahia. Victor besteeg zijn paard alsof hij nooit anders had gedaan. Ik voelde me allesbehalve gemakkelijk: het makste paard, waar ik om had gevraagd, was een scharminkelige merrie die voortdurend gebeten werd door het paard van Victor. Ongeïnspireerd sjokte ze de heuvels op en af. Alsof ze een zak met bonen te verslepen had.

En toch, wat me bovenal is bijgebleven, is dat dit alles er niet toe deed, daar in de Chapada Diamantina. Behendige ruiter en zak met bonen: we vermaakten ons. We lachten naar elkaar. Het was een onverwacht zonnige dag in de regentijd. Op de weg lag een gekleurde slang en in de verte wachtten watervallen.

‘Felicidade se acha é em horinhas de descuido,’ schreef Guimarães Rosa eens. ‘Geluk, zegt men, ligt besloten in de uurtjes van onachtzaamheid.’ De woorden worden gereciteerd door Maria Bethânia op haar cd Brasileirinho. En dan, als ze die woorden gesproken heeft met die ietwat hese stem, zingt ze het lied van de boiadeiro, de cowboy van de Sertão:

meu cigarro de paia mijn strosigaret
meu cavalo ligeiro mijn vlugge paard
minha rede de malha mijn gevlochten hangmat
meu cachorro trigueiro mijn waakzame hond
quando a manhã vem clareando wanneer de morgenstond aanbreekt
deixo a rede balançar laat ik de hangmat schommelen
no meu cavalo vou montando ik bestijg mijn paard
deixo o cão pra vigiar laat de hond waken
cendo um cigarro vez em quando af en toe een steek ik een sigaret op
pra me esquecer de me lembrar om te vergeten mijzelf eraan te herinneren
que só me falta dat het enige dat me ontbreekt
uma bonita morena om het aan niets te laten ontbreken
pra mais nada me faltar een mooi donker meisje is

In Bethânia’s vertolking van het lied klinkt er gefluit op de achtergrond en een man roept ‘whoo-ha!’ op een manier waarop enkel veedrijvers in Hollywood-films ‘whoo-ha!’ roepen. Net genoeg ironie om je volledig met het lied te kunnen identificeren. Bethânia’s knipoog die zegt dat zij-weet-dat-jij-weet dat zo’n sentimenteel country-and-westernliedje eigenlijk natuurlijk niet kán is de vrijbrief om de wereld die zij hier oproept voluit te genieten. De slagen van de begeleidende gitaar – in een lui syncopisch ritme tegen de woorden gezet – roepen onmiddellijk de sensatie op van een paard dat stapvoets gaat. Automatisch gaat je bovenlichaam de bijbehorende bewegingen maken. Van links naar rechts, van rechts naar links, van links naar rechts.


noten

1. De roman werd in het Nederlands vertaald door August Willemsen als Diepe wildernis: de wegen (Amsterdam: Meulenhoff, 1993).

2. August Willemsen, ‘Het woord als gedicht, het boek als de wereld’. In: João Guimarães Rosa, Diepe wildernis: de wegen (Amsterdam: Meulenhoff, 1993).

3. Euclides da Cunha, Os Sertões. Campanha de Canudos (Rio de Janeiro: Paulo de Azavedo, 1902). Het boek werd vertaald door August Willemsen onder de titel De binnenlanden (Amsterdam: Meulenhoff, 2001, p.148).

4. Mario Vargas Llosa, De oorlog aan het einde van de wereld (Amsterdam: Meulenhoff, 1984).

5. Alain Badiou, Infinite Thought. Truth and the Return to Philosophy (New York: Continuum, 2003).

6. Zie verder Jocélio Teles dos Santos, O Dono da Terra. O Caboclo nos Candomblés da Bahia (Salvador: Sarah Letras, 1995).

7. De orixás zijn de Afrikaanse geesten die in de candomblé vereerd worden.

8. Karl Barth, De brief aan de Romeinen (Amsterdam: Boom, 2008, p. 95).

9. Vrij naar Samuel IJsseling, Apollo, Dionysos, Aphrodite en de anderen: Griekse goden in de hedendaagse filosofie (Amsterdam, Boom, 1994, p. 31).