De miserie van 100.000 lieve lezers. Het smelt van Lize Spit

Eind augustus lunchte ik met een vriendin. Ze sprak over haar vakantielectuur van Het smelt van Lize Spit: spannend, grappig, en niet helemaal herkenbaar, maar toch voldoende. De psychologie was treffend, net als de beschrijvingen. Ze had nog een ander boek gelezen, maar daarvan was ze de auteur vergeten. Het was minder ambitieus, licht, een beetje saai. De auteur heette… Ernst, of zoiets - de naam ontsnapte haar. Daarna wist ze het weer: Enter! Stephan Enter. Compassie, dat was het. Gewoontjes, niet zo goed geschreven, en niet half zo aangrijpend als Het smelt.

Dit oordeel is niet uitzonderlijk: het is de norm. Sinds Het smelt begin 2016 verscheen, is het met lof overladen. Half januari gaf Sofie Gielis in De Standaard het startschot: ‘Spit schreef een romandebuut dat inslaat als een langeafstandsraket.’ ‘Ze schrijft met gemak en grijpt je bij je nekvel.’ Vijf sterren. Een dag later, Daniëlle Serdijn in De Volkskrant: ‘Fris Vlaams romandebuut,’ ondanks ‘een niet altijd vlekkeloze manier van schrijven.’ Toch: ‘Het smelt is verwant aan de vroege Claus en Verhulst. Geen slecht gezelschap om bij aan te sluiten.’ Drie sterren. Enkele dagen later in De Morgen, Annick Vandorpe: ‘Een krop in je strottenhoofd.’ ‘Het smelt is een turf van 480 bladzijden, maar je glijdt erdoorheen als een warm mes door boter.’ Het boek ‘mondt uit in een even onverwachte als ontstellende apotheose, waarin het talent van Spit zich in volle glorie openbaart.’ Vier en een halve ster. Begin februari, Thomas de Veen in NRC Handelsblad: ‘Het smelt is een van de trefzekerste debuten in tijden.’ ‘Dat het trage verhaal geen moment verveelt, komt ook doordat Spit ontzettend goed schrijft.’ Vier sterren. Marnix Verplancke, even later in Knack: ‘Niets is vrijblijvend in dit fascinerende universum. Het is jaren geleden dat we nog een grandioos debuut als dit mochten lezen.’ Vijf sterren.

Vervolgens is Spit wekelijks nieuws geweest. Wie haar naam opzoekt in het archief van De Standaard krijgt 78 resultaten – drie meldingen per week. De Morgen, bij wie Spit columniste is, biedt meer: 154 meldingen – optredens, vertalingen, nominaties, een verfilming, een EK-pronostiek, een podcast, de zevende druk (100.000 exemplaren), en de ‘duik’ van de Vlaamse boekenverkoop (ondanks Het smelt). Op 29 april schrijft Spit op Facebook: ‘Afgelopen week werd er elke drie (!) minuten ergens in Vlaanderen ‘Het Smelt’ [sic] gekocht. Dank, lieve lezers!’

De ontvangst in tijdschriften is minder uitzinnig, maar ook positief. Gustaaf Peek heeft het in De Groene Amsterdammer hoffelijk over ‘cabaret’, ‘overdrijving’, ‘punchlines’ en een ‘schreeuwerig traumatische gebeurtenis’, maar suggereert dat inkorting ‘een boeiende novelle’ had opgeleverd. Roel Smeets spreekt op De Reactor over een ‘scala aan gruwelijk- en grimmigheden’, maar ook over ‘metafysische’ kwesties, omtrent waarnemen en waargenomen worden. Maarten Dessing in Ons Erfdeel noemt Het smelt ‘net geen klassieker’ omdat ‘Spits taal niet genoeg sprankelt’, en omdat te veel in het boek niets met ‘koude wraak’ of ‘verwrongen seksualiteit’ te maken heeft. Sven Vitse heeft in DW B lof voor ‘de grote technische beheersing’ waarmee Spit ‘een klassieke sociaal-realistische schriftuur’ vermengt met ‘de sensationele plot van een mainstream kassucces.’ Zo ‘toont Spit haar opmerkelijke talent, waarmee ze vele andere Vlaamse en Nederlandse schrijvers in het realistische genre het nakijken geeft.’ Het gaat om passages die van ‘Het smelt voor mij een boek maken dat alle aandacht die het genereerde rechtvaardigt.’ Dit getuigt van totale blindheid voor de grotesk onevenwichtige aandachtseconomie: Spit heeft zelf toegegeven dat ze zich schaamt voor de aandacht die ze krijgt (en opeist). Hoe zou Het smelt alle aandacht kunnen rechtvaardigen, als zoveel andere boeken in vier regels worden afgeserveerd? En dan gaat het niet eens over het soort aandacht, die zelden rond inhoud, stijl, invloed of betekenis draait, maar meestal rond marketing, pronostieken en het geboortedorp van de auteur.

Waar nauwelijks aandacht aan is besteed, is het onvermogen dat Spit geregeld vertoont om goede zinnen te schrijven. Is dit criterium achterhaald? In HUMO van 5 april zegt Rudy Vandendaele tegen Spit: ‘Je kunt meeslepend, plastisch en met oog voor tekenende details schrijven, zodat ik het zonde vond dat er manke taal in je proza is geslopen. Nu ja,’ aldus Vandendaele, ‘ik maak me sterk dat die onvolkomenheden de meeste van je lezers geen hol kunnen schelen, maar ik vind ze niettemin jammer.’ Waarop Spit, verrast – bij Das Mag is die ‘manke taal’ met Daniël en Toine blijkbaar niet besproken: ‘Goed dat ik dat weet. Ik zit bij een Nederlandse uitgeverij en mijn boek is erg Vlaams. Als ik mijn proza hardop lees, dan klinkt het juist, omdat het mijn idioom is.’

Toch gaat het niet enkel om idioom. Een terugkerend probleem zijn de verwijs- en voornaamwoorden waar de korte zinnen van Spit om vragen. ‘Deze boor hebben we vader een jaar geleden cadeau gedaan. Hij was er vooral blij mee toen het ding nog ingepakt op de buffetkast lag. Na het uitpakken heeft hij hem op een stapel gestreken keukenhanddoeken neergelegd. Daar bleef hij liggen tot de voorbereidingen voor zijn volgende verjaardag niet meer konden worden uitgesteld.’ ‘De roddel over het gefoefel in het bordvegerkamertje, dat zich binnen enkele dagen als een lopend vuurtje door heel het dorp had verspreid, kwam ook ter ore van het schoolcomité.’ Vaak valt het woordje deze. ‘De schoolbel luidt opnieuw. Ik weet niet of deze het begin of het einde van iets aankondigt.’ ‘Ik duw mijn gezicht diep tegen de zetel naast me. Deze ruikt muf, naar natte hond.’ ‘Zij smeerde boterhammen voor kinderen die deze thuis vergaten (sic) waren.’

Zinnen worden verlijmd met komma’s (‘Wellicht staan er een zetel en een tafel, is er ook een keuken’) of gedachtestreepjes (‘Het woord had iets tragisch – deed denken aan cavia’s die aan de ene kant van hun hok kakken en aan de andere kant slapen’). Al op de eerste bladzijde staat een onvoltooid deelwoord: ‘niet wetende wat erger was’. Zeven regels verder: ‘Al wachtende boog ik me over de brief.’ Sommige zinnen zijn onbegrijpelijk, klungelig of beide, door samentrekkingen, voorzetsels, of Vlaams maar vernederlandst taalgebruik. ‘We zaten allemaal op onze Roald Dahl-fase.’ ‘Tesjes zwembad is er niet van gekomen, besef ik nu.’ ‘Jij bijt het spits af.’ ‘Dit dorp, de vertrouwdheid, schiet haar ergens in tekort.’ ‘Zolang ik Tesje zeg, zal het haar moeite kosten me af te leggen.’


Novelists are prone to melodrama

- Zadie Smith



Ondanks alle aandacht is het onopgemerkt gebleven. Die vaststelling wordt overtroffen door de blasé reacties op de inhoud. Hoe komt het dat er nauwelijks is stilgestaan bij de aandacht van Spit voor al het volgende – in order of appearance, met enkele spoilers, en zonder volledigheid:een vader leert zijn dochter hoe ze zich moet opknopen... lippen ‘bungelen’ met een draadje aan een gezicht… een meisje heeft haar eerste maandstonden (‘mijn vagina is niet langer een gat dat nergens toe leidt’)… een meisje doet het in haar broek (‘pis’ én ‘kak’)… een pingpongbal wordt in het achterste van een koe gestopt (‘weergaloos’, volgens Thomas de Veen)… een arm gaat op zoek naar die pingpongbal… ‘de mossel’ van een meisje lijkt op ‘de gordijntjes in de bussen van Verhoeven’… een moeder moet naast de hond op de grond eten… ‘oudjes in een rusthuis moeten zo lang wachten op de verpleegster die hun achterste komt afvegen, dat ze hun darmen eruit kakken’… een jongeman probeert ‘spinaziekleurige diarree’ in de postbus van een bejaarde vrouw te bezorgen (‘hilarisch’, volgens Marnix Verplancke)… het haar van een meisje wordt ingestreken met mayonaise, en daarna moet ze in folie gewikkeld en onder hoongelach naar bed… een vader waarschuwt zijn dochter voor de penis met ‘weerhaken’ van een kater… een meisje van 13 ontmaagdt zichzelf met een lijmstift omdat ze het beu is om te doen alsof ze geen maagd meer is (‘Dit zou wel eens het vliesje kunnen zijn. Hier moet ik met kracht doorheen gaan.’)… twee jongens ejaculeren in een zak chips en doen die zak ontploffen… een moeder kotst bloed bij een quiz… een dertienjarig meisje heeft haar maandstonden en zegt: ‘Een blowjob dus. Het is goed. Ik doe het wel even’… een jongeman verdrinkt in ‘een grote put met koeienkak’… Tesje probeert zelfmoord te plegen met wc-ontstopper (‘Ach Tesje,’ aldus Sven Vitse, ‘het meest ontroerende personage dat ik in tijden op papier zag verschijnen.’)… een meisje penetreert zichzelf met de steel van een spade… een meisje wordt verkracht met een ‘gaatjesmaker’ (tuingereedschap om holtes voor plantjes te boren)… een meisje wordt anaal verkracht met dezelfde gaatjesmaker en met behangerslijm als glijmiddel… een spade wordt in een hoogzwangere koe geploft… een slagerij wordt ondergekotst… een slagerij wordt bemest… en een kat wordt met oorstaafjes gepenetreerd…

Het is verzwegen of geprezen als ging het om ‘levenswijsheden’ die, aldus Margot Kennis in HUMO, dankzij de afwezigheid van ‘sentiment’ en ‘expliciet gepsychologiseer’ ‘des te beter blijven plakken’. Alleen Vitse aarzelt: ‘Welke functie heeft deze plot van een aangekondigde verkrachting? Wat drukt ze uit, anders dan de gruwel zelf?’ Het is een vraag die voor Het smelt in het geheel geldt. Niets in dit boek heeft meer dan één functie, en de smerigheid moet maar één ding opleveren: aandacht, van alle lieve lezers. Ik vind het legitiem om dat moreel af te keuren: het heeft geen maatschappelijk nut om de inhoud van Het smelt ‘waarneembaar’ te maken, en zeker niet in deze mate. Alles wat Spit beschrijft ís waarneembaar – in tienerdrama’s uit de nineties, in ‘hilarische’ films en series, of in al die romans waarin ‘genadeloos’ wordt ‘onthuld’ dat pubers amoreel zijn, of dat slechts drek en egoïsme ons verbinden. Het is onwerkelijk eendimensionaal: ‘mensen met wie je goed opschiet zijn doorgaans de mensen die je later in de rug schieten’, zoals een moeder in Het smelt zegt tijdens het afwassen. 

Het literaire aspect is even belangrijk: de overkill aan ellende maakt subtiliteit, verrassing, ironie (van de goede soort) en authenticiteit onmogelijk. Die onwaarachtigheid is structureel: het hoofdpersonage vertelt over een trauma, en ze wreekt zich door zelfmoord te plegen, maar ze doet dit zo openlijk dat het niet anders kan of ze is het trauma voorbij. Met één opmerking: ‘Dat het gebeurd was, dat het me getekend had, bleef onmiskenbaar en werd dag na dag wranger.’ Het is de les van Freud dat een trauma staat of valt met verdringing. Ontkenning is wat mensen tot mensen maakt. In Het smelt is er van verdringing noch ontkenning sprake: alles moet vies en vuil uitgesmeerd. De veelgeprezen plot is foutloos, maar ook voorspelbaar en spectaculair nadrukkelijk, zonder levenskansen voor de contingentie die menselijke motieven eigen is. De vele cliffhangers tonen dat Spit tot een generatie schrijvers behoort die de televisieserie imiteren (net als het wereld- en mensbeeld ervan), en die zich niet meer tot de roman als historisch genre verhouden.



Expliciteren, uitvergroten, alles onwaarachtig en extreem maken. Is het ondertussen dat wat literatuur moet doen?


Natuurlijk is het onbelangrijk of een verhaal echt is gebeurd, maar Het smelt is niet alleen onwaarachtig, het is nergens waarheidsgetrouw. Vitse heeft zijn bescheiden kritiek op de vele extre­miteiten afgezwakt door te suggereren dat zijn ‘­argumentatie uit een andere wereld stamt dan dit boek’. Met andere woorden: vermoedelijk heeft Spit geen bevoordeeld leven gekend; het kan niet anders of deze ellende concentreert zich, nu en dan, in één mensenleven. Ik hoop dat dit niet zo is; waar ik zeker van ben is dat zo’n mensenleven weinig overeenkomsten vertoont met dat van Lize Spit. Wat ze opdist staat er omdat ze – terecht – vermoedt dat het lezers oplevert. Hoofdpersonage Eva kan onmogelijk bestaan; haar dorp is vlak deprimerend, en wordt als zo achterlijk beschreven, dat het geen karikatuur meer is, maar een freak show van miserie, een fictieve Vlaamse snuff movie. Het treurige – en het leerzame, in zekere zin – is dat Spit zich hiervan bewust is: dit is wat ze doet omdat haar publiek het verwacht. In De Morgen zegt ze: ‘Op de keper beschouwd heb ik de miserie van minstens 150 mensen gebruikt om mezelf als schrijver op de kaart te zetten.’ Uit een interview in Knack met Michiel Leen: ‘Het dorp had zeker zijn mooie kanten. We hingen aan elkaar, ook in de Chiro. In die zin heb ik het dorp misschien wat oneer aangedaan.’ Als poëticaal statement: ‘De duizenden mooie herinneringen aan mijn geboortedorp zijn voor dit boek gewoon niet relevant. Als schrijver moet je daar hard in zijn: het beste boek schrijven, niet de mooiste werkelijkheid vertellen.’ Uit een door Filip Rogiers georganiseerd gesprek, in De Standaard, met een voormalige leerkracht: ‘Het best herinner ik me dat ene verjaardagsfeestje waarop ik niet was uitgenodigd. Al die andere waar ik wel was, zijn vervormd tot een smeltkroes van happy dingetjes: gocart rijden, ijsjes likken, smoutebollen.’ En tot slot: ‘Mocht ik ooit kinderen hebben, ik zou willen dat ze in zo’n dorp konden opgroeien.’ Om als dertienjarige anaal en vaginaal verkracht te worden? Als een auteur gelijkenissen tussen de eigen creatie en de werkelijkheid zodanig ontkent, dan heeft Het smelt niets meer met deze wereld te maken. Ik verwacht niet dat een roman een feitenverslag is of dat romanciers leed negeren. Ik verwacht dat een roman toestaat om op esthetische wijze de wereld en de mensheid beter te begrijpen. Als ik terugblik op de literatuurgeschiedenis lijkt dat geen onredelijk verlangen; als ik Het smelt lees, en alles wat er over gezegd is, dan heb ik het gevoel dat er voor mij geen plaats meer is, of toch niet in dit taalgebied.

In 2000 – Lize Spit was acht, ik achttien – toonde Kristien Hemmerechts in Zomergasten een stukje porno waarin schaamlippen werden ‘aangezet’ met een vacuümpomp. Presentator Adriaan van Dis was not amused; Hemmerechts genoot van zijn gêne. Ze zei: ‘Ik heb dit fragment laten zien omdat zo’n pomp een metafoor is voor wat televisie doet’: expliciteren, uitvergroten, alles onwaarachtig en extreem maken. Is het ondertussen dat wat literatuur moet doen? Het geldt voor andere recente boeken, maar in Het smelt komt het samen: een eenzijdig positieve receptie, gevolgd door succes dat aan massapsychose grenst, van een roman zonder stilistische precisie, met een overaanbod aan spectaculaire ellende en schaamteloosheid, en vol eendimensionale verhoudingen. 

Ziehier dan, tot slot, mijn vraag: hoe kan, mag of zal een roman de lezer ‘bij de strot’ grijpen? Ik richt me in het bijzonder tot Sofie, Daniëlle, Annick, Thomas, Marnix, Gustaaf, Roel, Maarten, Sven, Michiel, Rudy, Toine, Daniël, Margot, Filip, Lize, en mijn vriendin die Het smelt zo’n pageturner vond: is het om zoiets te tonen, dat er geschreven wordt? Is het daarom dat we lezen?