Het poëtariaat

Wat is er dommer en belachelijker dan jezelf te moeten voorstellen als dichter? Meestal verzin ik een leuk verhaaltje dat ik een marinier met verlof ben, in het riool op krokodillen jaag of promoveer in de Bijbelse herbalogie, maar meestal komt er op een gegeven moment iemand die mijn avondjurk van glimmende leugens van me af scheurt en het monster eronder blootlegt. ‘Was jij niet die dichter?’ Het is waar, ik moet het toegeven. Ik ben dichter. 


Maar waarom? Een vriend van me vroeg laatst aan een meisje dat filosofie ging studeren of ze niet bang was om in die afgrond te kijken. Haar antwoord: welke afgrond? Door het leven te gaan zonder dat je weet welke afgrond, een pad te bewandelen dat voor iedereen te volgen is, het lijkt me heerlijk. Maar ik ben dichter en ik moet, tot mijn schaamte, elke dag opnieuw in die afgrond kijken. Ik behoor tot een verschrikkelijke klasse die geld toe verwacht voor een bekentenis, lieve lezers lastigvalt met de ranzige details van haar eigen wanhoop, zodat ook zij misschien een glimp opvangen van het leven aan de rand van het verval, de afgrond in zichzelf leren herkennen, misschien zelfs koesteren. Wat zeggen de dichters? Ik ben alleen. Ik kan alleen leven in plechtige verbeeldingen van mijn ongeluk. Ik werd alleen geboren onder een kwaad gesternte en ik ga alleen dood. Ik drink, maar alleen omdat ik lijd. Ik ben alleen, en toch heb ik het nodig dat jullie mijn lijden erkennen en vieren. Als jullie me niet begrijpen is dat omdat jullie niet zoveel geleden hebben als ik. Ik haat mijn omstandigheden, maar juist omdat ze me zo wonderlijk aangevreten hebben ben ik in staat te zien wat jullie niet zien. Jullie slaapwandelen door het leven, want als jullie de ogen zouden openen zouden jullie het rottende lijk van de werkelijkheid zien dat al die tijd al aan jullie voeten lag.


Iedereen haat dichters. Ook ik, en mezelf niet het minst. Dat komt niet alleen doordat het aanstellers met sjaaltjes zijn, of omdat ze niet goed schrijven; ook goede dichters verdienen het om gehaat te worden. De lezer wordt tegen zijn wil ontboden aan het sterfbed van de dichter, gedwongen om als een arts haar ziekte tot op de laatste zweer te onderzoeken. Geen wonder dat mensen geen dichtbundels kopen, het is ronduit onsmakelijk. Toch is de arts-patiëntverhouding zelf niet de kern van het probleem, het probleem is de rolverdeling. Natuurlijk lijdt de dichter, ellende is nog veel ellendiger als je niet gewoon een baan hebt, en om de zoveel tijd bij literaire instellingen moet aankloppen om een opdracht zodat je je huur kan betalen of een beetje kaas op je boterham kan doen. Maar niemand dwingt je. Begrijp me niet verkeerd, ik geloof in de roeping. Daarin is de poëzie niet anders dan het priester- of ambtenaarschap. Maar multi vocati, pauli electi sunt: je kunt je op elk moment laten omscholen tot ICT’er. Dat je dit niet doet, moet je kunnen verantwoorden, en het tonen van je wonden is geen verantwoording. De dichter moet de arts van de lezer zijn, en niet andersom: pas dan neemt zij haar roeping serieus.


Ik heb het hier niet alleen over de poëzie die Jeroen Mettes hekelt, de gedichies over eerste tandjes, Bach, dementerende moeders. Ik heb het over de dichters door wier werk Mettes’ spook waart. Tegen mijn vrienden en leermeesters en tegen mijzelf. Kapitalismecritici die zichzelf zien deelnemen aan het systeem dat ze haten, dat hen kapotmaakt, maar ook de bijzondere omstandigheden produceert waaronder zij hun poëzie schrijven, waardoor ze ervan afhankelijk zijn, wat ze ook haten. En waar ik zij zeg bedoel ik wij, want ook ik maak me hier schuldig aan. Ook mijn bundel is geschreven in mijn eigen dienstweigeraarsbloed. Het is natuurlijk typisch navelstaarderig dichtersgedrag om jezelf te impliceren in de groep die je aanklaagt, zodat alles één groot zelfhaatcluster wordt, maar het is niet anders. De kapitalismecriticus kan nu roepen dat zijn geëngageerde poëzie een diagnose van de samenleving is, maar dat is niet genoeg. Een arts diagnosticeert niet alleen, maar probeert met alles wat hij in zich heeft te genezen. 


Dus, geëngageerde dichter, wat is de boodschap van je werk? Is het dat de prestatiemaatschappij/het neoliberalisme/Paars Plus/het warenfetisjisme je ongelukkig en alleen maken? Leg dan onmiddellijk je pen neer, en pak hem pas weer op als je weet wat je daaraan gaat doen. Want je bent niet alleen, we zijn allemaal ongelukkig. Je hoeft ons niet te tonen waar het pijn doet, dat weten we al lang: lezer en schrijver zijn broeders, je mag erop vertrouwen dat je lezer weet over welke afgrond je het hebt. Je hoeft niets te verbergen, het hoeven geen verzen te zijn die je met een gerust hart je twaalfjarige nichtje kan voorlezen, zoals Comte de Lautréamont graag zou zien. Beschrijf alle kankers van de samenleving tot in detail als je het niet kunt laten, want je bent op de goede weg, maar zeg ons daarna in godsnaam wat we eraan kunnen doen. Maak werk, geen analyses. Misschien dat de dichter en de lezer dan aan weerszijden van de afgrond kunnen lopen en elkaar in evenwicht houden.