Het bezingt Zich


'Ik: deeltje aan 't begin van z'n baan en tevens de reeks
van golven die terugstromen erover
als het opgebotst is tegen 't stootblok op de plek


van aankomst.' Sartre, kereltje van tien, ontdekt zijn
Zijn en het Niets. 'Met één hand aan mijn graf
en de andere aan mijn wieg, voelde ik mij kortstondig


en luisterrijk, een bliksemstraal die door de duisternis
wordt uitgewist.' Eergister lag het boek te geef op straat,
besmeurd met verregend iepenzaad, nat zand;


op de kop af vierenveertig jaar nadat De Woorden
voor het eerst Iks vonden. Toekomst van toen moet mede
hierdoor bestierd zijn – X kunnen we uit fietsen sturen


om rond te brengen smeek en schimp, exploten, kinderzegels;
deemoed ijs en weder dienende Iks' trots. Als kind
gelezen keer op keer en nog een keer en weer De Koerier


van de Tsaar. Liefde blind? Tuurlijk, en stoer...
Een echte halofiel, kleeft ieders traan Iks aan.
Berstensmooi opschijnen zal het weidse ziltbedauwde web


van een totaal tremulerend lijden – doorheen de nacht,
ook nu! Een zang voor De Gids! In verheven stijl.
Met de vlechten werden Iks' vleugels afgeknipt,


nochtans: veerstijfheid blijft tijdens zweefvlucht
beddingsconstante voor 't holle geraamte, door licht
vlees omvaamd, dat vogels uitverkoren maakt om


met heel het lichaam te horen. Ga daar eens aan staan –
zo'n offerande van het zijnde! Want dat schenkt Zich
in de hemelkelk van Het: snarenspel, doorzevende salvo's,


waaierende baaierd van quanti- en qualivariatie (luister:
brekend licht!). Als leven kunst was, werden wíj bespeeld.
Maar Darwin al ontzenuwde de hoogmoedsspier...


Poëzie? De kruip is verwerkt in primaire dwarskracht,
een schuilplaats constant heringericht door taal
waar Iks in klaagliederen bezingt zich, kliederend met


smurrie uit 't bespiegelend hart – zie
hoe zij wast, de maan, frêle balling boven
dat ingekapselde water – een glinsterende schreeuw.


Meer dan Iks ben ik allesbehalve X. Wat gelezen is, onthouden,
de geur aan iemands zoete slaaphuid. Lippen.
En verzamelaar van schouderbladen. Als wingerdblaren


op de muur, verscholen boshuis. Ampelopsis.
Omoplates. Wieken, duiven sotto voce. Overgeleverd
natuurgeweld heeft als begin niets opzienbarends.


Jullie zijn toch allemaal de wereld in geduwd
als een van myriaden zonder tal? Wederkerenden
uit stof, met een vleugje herinnering, saamhorig.


'Laten illusies weggaan – wat blijft is het sublieme',
schreef Vincent aan Theo en sindsdien begrijpt Iks:
bij gevaar van zwel in de lossere lagen


hebben ingetrilde binten hun doorwerking
op de buigende momenten. Omdat men liefhebben moet.
Want grondslag van fundatie is korrelspanning


achter de wangen waar steeds gruiziger gezang tracht
aan te vangen – het onder invloedsdiepte verstoken
kistje vol juwelen mag niet barsten voor


op aarde, astrofysisch bijgeschoold, opgravingen
aan het rollen gaan in 't stralend licht der archeologie van later:
dankzij nevelkamers en sub-atomaire bijlslagen kan


dan ten leste alleman (mits kroost van teelt uit
de hogere middenstand van middelgrote oude steden
als Dordrecht) bij de tijd blijven die intussen heen en terug


zoeft, flitstreintraject waarop al vaker dood en weer fris
Iks is herrezen – zoals men soms beseft in de uren
omtrent het gloren als de wereld zich toont


bij 's mensen afwezigheid. '... de zang van mij, opgestaan
uit bed, de zon begroetend.' Ongedraineerd gedrag,
schuifspanningen; we kennen het allemaal,


ook zonder puntlast. De elastische halfruimte, theoretisch
oneindig zij zij – buigslappe manestraal, minnestreel,
ligger van onberekenbare lengte – wat een rust


gaat er uit van die gedachte, nu de bol versmoort.
Dit is een handreiking, geen richtlijn, rondgefietst
door wie eens, fermgeworteld, Bochtige Smele was:


ogen dicht voor teveel licht. 't Zou leiden tot een huwelijk,
vlammende versmelting met een Ik (niet-Iks)
en, bij genesis! in de motregen uitgezonden als buikspraak


vanwege het Niets dat binnenin zich was gedolven,
zou daarmee een schepping voleindigd,
herenigd zijn uit zich & zelf tot zichzelve, de fi --