Het verre gewest

De pen van mijn vader is een Parker,
een rode, een zware, een ballpoint
die rolt onder je vinger als de ader
wanneer je naar je hartslag voelt.
Op zoek naar zijn paspoort
viste ik hem op een dag, de zon
juichend, de bloemen euforisch,
uit de binnenzak van zijn jasje
dat visgraat was en gebroken wit,
scheerwol van de Hooglanden,
het licht als het licht dat er eenvoudig
was, stofdeeltjes dat licht brekend,
lamsdartelend op de warmte
tussen de bloemen, de overal het hoofd
buigende bloemen in, zoals hij zijn
studeerkamer noemde, het verre gewest.


Nou ja, 'viste.' Ik schoof met mijn hand
die ik zo vlak als ik kon hield, alleen
muis en vingerafdrukken raakten
het klaarlichte, koud aandoende
overhemd, tussen de linker revers
en zijn bast, richting linker binnenzak
van het jasje dat visgraat en gebroken
wit was, dat licht maar gehoorzaam
de zwaartekracht volgde, mij de rug
van mijn hand drukte die op weg was
naar de binnenzak waar ik zijn paspoort
vermoedde maar zijn pen vond,
niet zijn paspoort, in het verre gewest.


Zijn paspoort was nergens te vinden,
niet in de bureaula waar ik wel aantrof:
tien scherpgeslepen potloodstompjes
maar niet dus zijn paspoort, niet dus
in de bureaula, niet in de binnenzak
van zijn gebroken witte jasje dat viel
over dat klaarlichte overhemd,
mijn hand op zijn hart een dag in april
toen de ademloze zoektocht begon
die ik met de Parker in de hand verzon,
met de Parker waarmee ik zelf
verzonnen blijf, vadergeworden
vlees van zijn aderen, zijn ballpoint
mijn paspoort, het zijne spoorloos –
zelf meegenomen, denk ik maar, hier,
verder zoekend in het verre gewest.