Ons ik

Het ik bestaat alleen als een verlangen naar een ik, de heilige opdracht van het hebben van een ik. Gebruik van het woord ik hoeft daarom geen narcisme te impliceren, 'ik' zou ook ruimte kunnen bieden voor nederigheid of twijfel, ruimte voor verbeelding.

    'How do you tell a shattered story?'
    'By slowly becoming everyone.'
    'No. By slowly becoming everything.'
    Uit: The ministry of Utmost Happiness van Arundhati Roy



Een tijd geleden sprak iemand tegen mij over de 'geïndividualiseerde samenleving'. Hij zette dat zelf niet tussen haakjes. En niet alleen gebruikte hij geen haakjes, hij sprak erover met een zekerheid alsof hij mij de weg naar het station uitlegde. ('Dus als je vanaf de jaren zeventig rechtdoor gaat en het hele secularisatieproces volgt, kom je vanzelf uit bij de geïndividualiseerde samenleving.')

Het leek op een situatie die ik vaak bij de bakker meemaak, waarin hij 'prettig weekend' zegt en ik dan 'graag gedaan!' roep. Of 'alsjeblieft!' De bakker kijkt daar nooit van op. Zo'n gesprek is een protocol waarbij je elkaar alleen via de toon hoeft te begrijpen. Een soort liedje.

Het baarde me zorgen. Alsof ook dat gesprek over individualisme een protocol was, een gedragsovereenkomst met vastgelegde teksten en refreinen, waardoor de geïndividualiseerde samenleving evenzeer langs me heen gaat als het prettig weekend van de bakker. De woorden, bedoel ik, want de waarheid zou me waarschijnlijk doen ontploffen, alleen komt die zo weinig aan het licht.

Dat de gesprekken die ik heb over individualisering een inhoudelijk protocol waren geworden, bleek toen ik dingen zei die daar duidelijk niet toe behoorden. Dingen die zelfs weerstand opriepen.

En hoewel hij me eerst nogal zwaar op de maag lag, vermoed ik nu dat die weerstand een soort seismograaf is die veel preciezer dan ik het kan formuleren blootlegt waar we ons aan vasthouden. En hoezeer. En wat dat vasthouden dan zegt.

Dit essay is een poging iets van die weerstand te begrijpen en aanverwante ingewikkeldheden – morsigheden en misverstanden rondom het ik in het leven en op papier – bloot te leggen.

Die weerstand was niet het voornemen (wanneer is dat ooit het voornemen?). Het was het onverwachte gevolg van een denken over 'het ik' waar ik een aantal jaar geleden via via in ben gekukeld.

Dat denken denkt – gaat uit van de gedachte – dat er misschien, heel misschien, van binnen helemaal niks zit, geen kompas, geen stem, geen waarheid waar we naar moeten graven als we het juiste willen doen. Dat denken twijfelt aan de vraag of het erom gaat jezelf te vinden, waarna je dan zuivere keuzes kunt maken. Of er zoiets is als trouw blijven aan jezelf. Dit denken over het ik heeft mij voorlopig alleen nog maar eenzaamheid opgeleverd, een effect waarvan ik niet weet wat hardnekkige individuen ervan zouden zeggen.

Bijvoorbeeld laatst, toen iemand tegen me zei dat ze 'echt iemand is die graag eierkoeken eet', en ik haar vroeg wat dat met haar ik te maken had, die eierkoeken.

Ik weet niet meer precies wat ik daarna zei. Dat ik snapte dat zij graag eierkoeken eet, maar dat het me wat ver leek gaan om dat te rekenen tot haar iemand, en dat ik sowieso twijfels had bij de vraag of zij iemand was.

Ik hoorde hoe het klonk; ik suggereerde met die woorden dat ik haar niet succesvol vond, maar ik bedoelde dat we er niet van uit moeten gaan dat we iemand waren voordat we op dit feestje aankwamen. Dat die iemand waar ze het over had misschien wel het gevolg is van ons gesprek in plaats van hetgeen wat eraan vooraf ging. Of tenminste ook.

Dat begreep ze niet.

Ik eigenlijk ook niet precies, maar het gesprek met haar leek me een goede aanleiding om ergens aan te beginnen. Samen.
Of ik soms communistisch was, vroeg ze. Ik geloof dat dat haar manier was om te zeggen dat ze me militant vond.

Ik zei niks, omdat het ook niet echt een vraag was, en in die stilte vroeg ik me af of ik aan het afdrijven was en wanneer dat dan begonnen was.

Drie jaar geleden, weet ik, in de kelder van Vrije Universiteit, tijdens een lezing van Antjie Krog. Ik herinner me een gevoel van opwinding. Een iedereen-moet-dit-horen-achtige opwinding.

Op zeer meanderende wijze zette Krog uiteen hoe ze haar individualiteit altijd had gekoesterd, altijd had gezien als antwoord op allerlei problemen ('Ayn Rand was my daily diet'). Toen ze verslaggever en getuige werd van de zittingen van de Waarheids- en Verzoeningscommissie, waar ze drie jaar lang mensen met elkaar geconfronteerd zag worden, vergeven zag worden, realiseerde ze zich dat haar 'witheid' weinig met haar huid te maken heeft, maar schuilt in een denken rondom het ik. En ze vertelde dat ze zich toen vragen begon te stellen.

'What good did this I bring to this country? How precious is this I that it should survive, that it should be maintained, that you should create a future for that I? That I didn't deliver Mandela or Tutu. It didn't deliver the peaceful transition. It was a we that made this possible.'

Ze riep op tot de ontwikkeling van een denken en handelen dat de dichotomie tussen het ik en de ander achter zich laat. 'Ik zou graag zien dat het ik totaal verdeeld wordt. Dat het meer als regen is,' zei ze.

'Maar hoe dan?!' vroeg de interviewster wanhopig.

'Maar hoe dan?!' vroeg het publiek daarna nog eens wanhopig.
'Ik ben totaal geschoold in westers dualisme,' zei ze. 'Ik sukkel.'

Ik zag toen een blanke zonder gevoel voor ritme voor me en vroeg me daarna af of ritme misschien een collectieve hartslag is en een gebrek aan ritmegevoel dan betekent dat je die hartslag dus niet kunt voelen.

Ik wilde met haar meesukkelen en anderen overhalen om dat ook te doen, wat tot dusver nog niet is gelukt. Af en toe stel ik een vraag die het doet lijken alsof ik de ander iets wil afnemen. Eierkoeken bijvoorbeeld.



Verder heb ik geprobeerd te boekstaven wat mensen (en ik ook) allemaal zeggen over hun ik, maar dat blijkt niet bij te houden omdat we daar onophoudelijk iets over zeggen. Vrijwel alles wat we doen brengen we terug naar onszelf. En omgekeerd: alles wat we niet willen doen, daarover kunnen we zeggen: dat is gewoon (niet) wie ik ben.

De laatste keer dat iemand dat tegen me zei, antwoordde ik dat ik had gehoord dat 'de Chinezen, of ja, niet de Chinezen, maar vroeger in het oude China, gingen ze er vanuit dat er niet zoiets was als een ik-diep-van-binnen. Er waren filosofen die daar wel vanuit gingen en toen hadden ze een soort vergadering waarna ze hadden besloten dat het praktischer was om er vanuit te gaan dat het niet zo was. Je ontwikkelt wel dingetjes in je leven, gewoonten enzo, manieren van reageren, maar het laatste wat je wil doen is dat omhelzen als je karakter. Het laatste wat je wil doen is een cursus om dat karakter vervolgens te accepteren.'

Het was zo stil daarna dat het leek of ik de muziek had uitgezet.

'Dat heb ik gelezen in een boek,' zei ik nog.

Het leek me een goede manier om niet communistisch te zijn, maar desalniettemin weigerde ze aan te nemen dat dat kon. Dat er van binnen niks zou zitten. Althans niet zoals oesters in schelpen zitten.

De weigering om vraagtekens bij het bestaan van dat diepe-ik-van-binnen te plaatsen, lijkt veel op de weigering van mijn neef, wanneer hem gevraagd wordt het bestaan van God in twijfel te trekken. Een weigering die over het algemeen als zeer bekrompen en treurig wordt beschouwd.

Maar ik denk dat de vergelijking opgaat. Dat wil zeggen: ik ben het hartstochtelijk met David Foster Wallace eens als hij in zijn boekje Dit is water zegt dat er niet zoiets is als niet aanbidden. Wallace oppert vervolgens dat het wellicht veiliger is God te aanbidden dan geld of macht of jezelf, omdat je van hetgeen je aanbidt nooit genoeg zult hebben.

Misschien is ook aanbidden onderworpen aan de eerste wet van de thermodynamica, die zegt dat energie niet verloren kan gaan. Zich alleen verplaatst, zoals wij ons in wormen verplaatsen als we doodgaan.



In het geval van het ik heeft het aanbidden en daarmee dat wat we als heilig beschouwen, zich verplaatst van iets buiten ons naar iets diep in onszelf, dat we met onze hele verbeelding, met al onze taal en grammatica verdedigen. Ergens vind ik het moeilijk aan te nemen, dat wij ons ik heilig hebben gemaakt, maar dat komt wellicht door mijn gebrekkige verbeelding bij dat woord. In ieder geval is het omgekeerde sowieso waar: de mate van feitelijkheid die we aan de dag leggen in onze toon wanneer we spreken over ons diepe ik is dezelfde mate van feitelijkheid die sommige mensen hanteren in het spreken over God.

En ik weet niet hoe lang heiligheid er doorgaans over doet om zich te verplaatsen, maar in 1894 verschijnt in een krant in Londen een artikel met als titel 'What is the new hedonism?' Een journalist detecteerde blijkbaar een nieuw soort levenshouding waar hij graag de vinger op wilde leggen:

Gezond te zijn van lijf en leden, van lichaam en geest; goed opgeleid te zijn, geëmancipeerd, vrij en mooi – dit zijn de doelen waarnaar iedereen moet streven en door hier aandacht aan te besteden is men zelf gelukkiger en nuttiger voor anderen. Dat is het kernidee van het nieuwe hedonisme. Ofwel: zelfontplooiing is beter dan zelfopoffering.

Ik stel me voor dat het daar ergens begonnen is. Rond 1894. En misschien dat iemand over honderd jaar een artikel schrijft waarin hij over deze tijd zegt dat zelfopoffering werd beschouwd als een vorm van heiligschennis waarvoor je voor straf op therapie moest. En niet alleen het diepe zelf heeft een mate van heiligheid, ook de opdracht tot zelfontplooiing is een religieuze opdracht. We geloven – vertrouwen erop – dat het bewaren en cultiveren van ons ik de wereld overeind zal houden. Dat we de hemel overeind houden door ons op onszelf te concentreren.

De hoeveelheid gesprekken die ik heb met mensen over 'hun eigen grenzen' suggereert dat het ik een soeverein koninkrijk is, waarvan de grenzen niet overschreden mogen worden. Zoals God een abstractie was waaraan we moesten beantwoorden opdat de pleuris niet uitbrak, zo is dat tegenwoordig ons ik.

En die abstractie waar we aan dienen te beantwoorden, diep bij ons van binnen, zorgt ervoor dat we voortdurend dingen zeggen als 'ik ben iemand die graag eierkoeken eet'. Ik bedoel dat die manier van spreken het gevolg is van het verlangen naar een ik en de opdracht van het hebben van een ik blootlegt, in plaats van het bewijs ervan levert.

En dan staan we nog maar aan het begin van de morsigheid op dit gebied. Een gebied dat veel groter is dan 'ik'.



Die morsigheid zit 'm in een aantal dingen, bijvoorbeeld in een columnist van Trouw die afscheid nam van zijn column en zich daarbij op de borst klopte omdat hij nooit het woord ik had gebruikt. Dat hij tenminste niet zo narcistisch was als de jongere generatie die denkt dat elke scheet die ze laat de moeite waard is om te bespreken.

Ik vond het een verwarrende boodschap, want het feit dat hij graag een lintje wilde voor het achterwege laten van ik in zijn columns leek me zoveel ik te bevatten dat hij daarmee al zijn moeite in één smalle column tenietdeed. Bovendien leek hij zich geen rekenschap te geven van het feit dat je narcisme niet detecteert door in teksten het woord ik te tellen. Dan zouden Rens Kroes en Marcel Proust zij aan zij in hetzelfde strafhoekje moeten staan. Allebei schrijven ze in de ik-vorm, allebei zijn ze gefascineerd door het effect van cakejes en allebei leggen ze hun binnenwereld onder de loep.


Toen ik 20 jaar was zat ik niet lekker in m'n vel. Ik voelde een bepaalde zwaarte en ik leefde voor anderen. Ik nam geen verantwoordelijkheid voor mijn eigen leven omdat ik niet goed wist hoe ik dit moest doen. Ik was te afhankelijk van anderen uit mijn directe omgeving. Misschien leek ik van de buitenkant _super happy_, van binnen was ik het niet. Dus… Stapte ik uit mijn comfort zone.


’Zodra ik een voorwerp buiten mijzelf waarnam, stelde het bewustzijn dat ik het zag, zich tussen dat ding en mij op en omgaf het met een dun geestelijk randje dat mij belette de materie rechtstreeks te beroeren; het vervluchtigde als het ware voordat ik er contact mee kreeg, zoals een een verhit lichaam waar men iets vochtigs tegenaan houdt, nooit de vochtigheid zelf aanraakt omdat daartussen altijd een verdampingszone ligt.'


Kroes en Proust staan hier louter bij elkaar om duidelijk te maken dat de criteria waarmee mensen narcisme in teksten denken te detecteren nogal onbruikbaar zijn, hoewel columnisten het wellicht aardig vinden om te weten dat Kroes hier elf keer het woord ik gebruikt en Proust drie keer.

Ik denk dat Proust tegen de stroom van de tijd in de loep op zijn binnenwereld legde, dat hij zich heel veel boeken lang de vraag stelde of er zoiets bestaat als een diep ik, als verzet bijna, en dat voor Kroes dat diepe ik een gegeven is. Zonder de inspanningen van de marketeers van Coca Cola, Freud en Proust zou ze er vermoedelijk nooit aan gedacht hebben om een kijkje te nemen in haar binnenwereld om daar vervolgens een megafoon bij te plaatsen.

Overigens is de binnenwereld van Kroes een vrij exacte weergave van de buitenwereld. Dat ik dat als opmerkelijk ervaar, heeft misschien te maken met het beeld dat die twee woorden oproepen. Een binnenwereld suggereert een waterdicht huis, waar je de regen tegen de ramen kunt horen tikken.
Ik denk alleen niet dat we waterdicht zijn. Tenminste niet zo waterdicht als het woord binnenwereld suggereert.



Ik weet niet goed wat ik ermee moet. Met al deze morsigheid, bedoel ik.

Dat de columnist van Trouw zich op de borst klopt omdat er geen 'ik' in zijn teksten voorkomt, wellicht denkend aan Rens Kroes, dat ik me vervolgens aangesproken voel door zijn aantijgingen tegen de jongere generatie, maar dat ik me tegelijkertijd graag wil verzetten tegen schrijvers die hun zinnen beginnen met 'de wereld is...' Of misschien niet eens tegen de schrijvers, maar tegen de luisteraars die 'de wereld' of andere woorden van planetaire grootte verwarren met inhoud en 'ik' verwarren met narcisme.

Waarom zou 'ik' geen vorm van (wellicht terechte) nederigheid of (wellicht broodnodige) twijfel kunnen zijn? Of een mogelijkheid?

En waarom wordt omgekeerd een uitspraak waarin iemand denkt de wereld te beschrijven door te zeggen 'de wereld is een plek waar…'– niet beschouwd als een onrechtmatige greep naar de macht?

Op 23 december 2016 schrijft Grunberg in een voetnoot met de titel 'competitie': 'De geschiedenis van de mensheid illustreert hoezeer competitie een basisbehoefte is.' Dit zou dan iets over de wereld moeten zeggen, terwijl het volgens mij vooral iets zegt over de macht die Grunberg als mens en schrijver wenst te hebben, de macht om het hele mensdom onder te brengen in eigenschappen en categorieën met alle alibi's van dien.

Ik denk dat de geschiedenis van de mensheid geïllustreerd wordt door mensen die zich wagen aan dit soort formuleringen.

Het elimineren van het (woord) ik in teksten – zoals de _Trouw_columnist voorstelt om de wereld minder narcistisch te maken en waarbij ik me dan bovenstaande zinnen voorstel – lijkt me een heel slecht idee. Machtsgrepen – of het nu in de wereld is of in literatuur – zijn symptomen van narcisme, en wel in een vergevorderd stadium, waardoor je het niet eens meer als zodanig herkent. Bovendien gaan zinnen die beginnen met 'de geschiedenis van de mensheid…' doorgaans ten koste van een mogelijke verbeelding van die mensheid, wat me niet per se een verbetering lijkt.



Dit lijkt wellicht een tegenstelling: een steunbetuiging aan de ik-op-papier die voortvloeit uit een exposé over een mogelijke herdefiniëring van het ik-diep-van-binnen. Een herdefiniëring die neigt naar afschaffing daarvan.

De manier waarop we over onszelf spreken, gaat in vergelijkingen en metaforen. Diep van binnen zit vooral bloed, dat veel ouder is dan jij, en veel beter weet waar het heen moet dan wij. Het is dus een verbeeldingskwestie en ik denk dat de ik-vorm een zeer goede manier is om die verbeelding ter discussie te stellen of daarmee te experimenteren.

Daarbij komt dat de zoektocht naar de herdefiniëring van het ik een politieke zoektocht is. Niet slechts een therapeutische. De manier waarop we het ik verbeelden als iets wat diep van binnen zou liggen, is een gevolg van onze geopolitieke geschiedenis, en de gedachte dat als we maar genoeg ruimte bieden aan het individu alles goed zal komen, is ook weer de oorzaak van heel veel politieke keuzes. Politieke keuzes over de ruimte die we bereid zijn op te geven.
De zoektocht naar een herdefiniëring is vooral de zoektocht naar de uitbreiding van de verbeelding rondom het ik – een verbeelding die politiek is. Als Antjie Krog de vraag stelt 'what is it about this I that we need to create a future for it' is dat een politieke vraag.
Omdat ik denk dat de opdracht tot dat zelfbehoud niet voorafgaat aan de beslissing of je de grenzen van je koninkrijk zult openstellen, maar het lijkt me dat de beslissing om dat niet te doen, de grenzen alleen nog maar zal verstevigen.

Toch geloof ik dat er een ik is dat wij delen. Dat we overal mee naar toe nemen, ook op ons privéterrein, op de wc en in bed. Ons ik, dat ergens te vinden is in de (denk)ruimte tussen ons in, die er altijd is. De ik aan wie wij proberen te beantwoorden, van wie we vermoeden dat we daar de beste versie van moeten maken.

In het nieuwste boek van Arundhati Roy staat de zin: 'I am a gathering.' Dat leek me een mooie manier om het ik te beschouwen. Als een bijeenkomst. En ik geloof dat het moed vergt om iets aan die bijeenkomst toe te voegen. En dat dat toevoegen zal moeten beginnen met een beeld.

In plaats van ons lichaam een tempel te noemen waarin wij wonen, zouden we het voortaan een heel lekke tent moeten noemen, waar al het water dat er uit de lucht valt doorheen komt. Alle regen die valt, valt door ons, en komt dan op een gegeven moment ook weer naar buiten. Dat kan niet anders. Zo lek zijn we namelijk. Bijvoorbeeld op het moment dat Krog tijdens die lezing vertelde dat de theologie van Tutu erin bestaat dat ook God 'interconnected' is, waardoor 'God zelf zich blootstelt aan verandering' waarna ik iets van nattigheid voelde in mijn rechterooghoek. (Het was geen huilen.)

Ik stelde me God voor als een naakte man in de regen – omdat hij in Tutu's theologie ook in een lekke tent woont – en ik realiseerde me dat ik nooit had stil gestaan bij het feit dat God wellicht aan ons is overgeleverd, in plaats van wij aan hem. En dat dat wellicht voor alles geldt. Dat ik aan ons is overgeleverd. Daar kwam die nattigheid vandaan. (Het was nog geen regen.)