De lijnen van het landschap

Het Nederlandse landschap bestaat uit rechte lijnen, contrasterende vlakken, verhoudingen in plaats van volumes. Hoe benader je zo'n tweedimensionaal beeld? Vanzelf kom je dan uit bij kunstenaars als Mondriaan, Paul Klee en André de Jong.


Tekening, 2016: Landschap, André de Jong, houtskool, Steinbach papier 300grs., 103 x 73 cm Courtesy The Merchant House, Amsterdam



Als je naar het Nederlandse landschap kijkt, wat zie je dan? En als je het wilt tekenen, hoe doe je dat?


Piet Mondriaan gaf het scherpste antwoord. Wanneer we 's nachts bij volle maan langs een pad over de heide of tussen de weilanden wandelen, ligt de aarde voor ons als een zwart vlak met op ooghoogte een strak rechte lijn als horizon. Daarboven bevindt zich het grote, iets lichtere vlak van de nachthemel, met daarin hoog, als een exact punt, de stralend witte maan. Vanuit dat punt trekken we in onze gedachten onwillekeurig een lijn loodrecht omlaag op de gezichtseinder. Wat we dan voor ons zien zijn een horizontale en een verticale lijn die haaks op elkaar staan in wat Mondriaan noemt de oerverhouding van stand. De rechthoekige stand van de lijnen straalt een grootse rust uit, wat verklaart waarom we diep gelukkig en ook wel verdrietig worden van een nachtwandeling bij volle maan door de leegte van het Nederlandse land.


Het is al anders wanneer een enkele boom zijn stam en kroon boven de nachthorizon uitsteekt. Dan trekken we als vanzelf een lijn tussen dat merkpunt en de ronde maan en ontstaat er een schuine verhouding van stand, wat veel onrustiger overkomt, veel meer diepte heeft ook. Want dat is het mooie van de oerverhouding van stand: ze suggereert dat het landschap voor ons één groot tweedimensionaal vlak is, verdeeld in een smalle donkerzwarte strook onder en een lichter zwart vlak erboven, doorsneden door twee haakse lijnen. De oerverhouding van stand is een gedachteconstructie, een abstractie, erkent Mondriaan, maar ze komt in het Nederlandse landschap tot beeldende uitdrukking, om nog eens zo'n fraaie woordcombinatie van de meester te citeren.


De ontdekking van de oerverhouding van stand in het nachtelijke Nederlandse land verklaart waarom Mondriaan, die tot dan tientallen landschappen had geschilderd in de omgeving van Amsterdam, Laren en Domburg, nooit meer naar de natuur werkte. Wij, schreef hij in 1917 in tijdschrift De Stijl, wij moderne, gecultiveerde mensen zien niet langer afzonderlijke dingen, wij zien de verhoudingen tussen de dingen en interpreteren die als lijnen en vlakken. Een modern schilderij toont niet het landschap maar de wijze waarop wij hedendaagsen het ervaren, de essentie ervan en niet de decoratieve details. Dit uitgangspunt maakt Mondriaans werk zowel abstract als uiterst concreet. De architect J.J.P. Oud vertelt hoe een boerenvrouw bij hem op kantoor een kwartier lang bleef staan kijken naar het abstracte schilderij van Mondriaan dat hij als een van de eersten in Nederland had gekocht, en toen zei: 'Het is of ik voor mijn raam sta en heel ver in de polder kijk.' Zoals Mondriaan zelf schreef: 'Eenvoud is de volstrekte toestand van de mens.'


Mondriaan schrijft over zijn ontdekking van de oerverhouding van stand bij lijnen en ook vlakken in zijn Trialoog (gedurende een wandeling van buiten naar de stad), die hij in juni 1919 in De Stijl publiceerde. Het zou tot 1931 duren voordat hij het waagde zijn ervaring van die volle-maannacht in beeld te vertalen: Compositie met twee zwarte lijnen (ruitvorm). De titel beschrijft alles wat er te zien valt. Het schilderij is van een archetypische, aan oerbodems rakende indringendheid. Dit is Nederlandse rust. Een gekanteld vierkant, een ruitvormig wit doek dat op ooghoogte plat tegen de wand is bevestigd, met erop twee bijna even dikke zwarte lijnen, een horizontaal en een verticaal, die elkaar loodrecht kruisen op het punt exact tussen de linker- en de onderhoek. Als je het schilderij een kwartslag draait roepen de lijnen een verbazingwekkende onrust op, dynamiek, snelwegen naar de toekomst. Maar zo op hun kant, zoals Mondriaan het doek heeft gehangen, stralen ze een zinderende bewegingloosheid uit. Twee dikke lijnen, de oerverhouding van stand, en zie, het is goed.


In Victory Boogie Woogie (2009), het toneelstuk dat Gerardjan Rijnders over Mondriaan maakte, zit één scène die het memoreren waard is. Op een groot scherm wordt een ruitvorm geprojecteerd en dan schuiven langzaam vanaf rechts en boven twee even dikke lijnen haaks over elkaar tot ze, dat snap je meteen, de Compositie met twee zwarte lijnen (ruitvorm) zullen vormen. Zolang de lijnen nog in beweging zijn denk je steeds: nee, nog niet, te rommelig, te onbestemd, te pretentieus, te nadrukkelijk... en dan opeens is de positie bereikt waarin Mondriaan ze plaatste en maakt een gevoel van grote opluchting zich van je meester. Precies goed.


En op dat moment, terwijl ik geluk en verdriet voelde opwellen, begreep ik voor het eerst wat er zo goed is aan Mondriaans lijnen. Een schilder kan op zijn schildervlak duizenden ronde, slingerende of schuine lijnen tekenen, maar Mondriaan nam alleen de volmaakt horizontale en verticale rechte als materiaal, hij lakte ze zelfs zodat ze des te donkerder leken in het ongelakte dus doffere wit van de rest van het doek. Bij Mondriaan is een rechte lijn een kromme onder maximale spanning, de samenballing van alle potentieel mogelijke ronde en schuine lijnen in die ene, verticale of horizontale stand. Mondriaan tekent niet één lijn, maar alle lijnen tegelijk. Dat veroorzaakt het gevoel van universaliteit, van topgeluk dat al zijn abstracte werken oproepen.


Dus dat is één. Het Nederlandse landschap – weide, heide, akker, polder – is opgebouwd uit abstracte lijnen, menselijke gedachtespinsels, verhoudingen in plaats van volumes. Maar waar bij Mondriaan de lijn geabstraheerd is vanuit het bestaande landschap, kun je met lijnen ook landschap maken, bijvoorbeeld op papier of schilderslinnen. Paul Klee legt in zijn Pädagogisches Skizzenbuch (1925) uit hoe deze concrete lijnen werken. Een lijn, schrijft hij, is actief zo lang ze door de kunstenaar wordt getrokken of zolang de kijker haar met de blik naloopt. Op ieder punt kan de lijn een andere richting inslaan. Soms golft ze, soms zoekt ze de kortste verbinding tussen twee punten. De vrijheid van de afzonderlijke lijn om, terwijl ze alle kanten op kan, één koers te blijven volgen, is wat haar spannend houdt, leven geeft.


Trek een tweede lijn op hetzelfde tekenvlak en weer is die volkomen vrij en vol avontuur. Maar dan kruist ze de eerste en verdubbelt de spanning zich, de twee lijnen gaan een verhouding aan, de verhouding van stand waarvan Mondriaan de eigenaardige kracht had ontdekt. Nu trekken we nog een lijn die de eerste twee kruist, en misschien nog een vierde zodat er een rechthoek of vierkant ontstaat en op dat moment gebeurt iets heel vreemds: alle spanning zakt weg uit de lijnen. Ze zien zich opeens gereduceerd tot het randje van het vlak dat ze afbakenen. Ze zijn hun individuele vrijheid en leven helemaal kwijt.


En Klee verklaart in zijn wonderlijke taaleigen: 'Een lijn bevat meer tijdelijk element naarmate ze zich meer uitbreidt. Een weg kost tijd, dat is duidelijk, terwijl een vlak meer in één keer te vatten is.' De spanning van de lijn zit dus in de tijd die nodig is om haar te tekenen of met de blik te volgen. Die tijd valt weg zodra de lijn een randje om een ruimtelijk vlak wordt. Een lijn die al een grens vormt maar nog als zelfstandige lijn te herkennen blijft, noemt Klee mediaal.


Zo zijn ook vlakken actief zolang ze bij de totstandbrenging van een werk door de tekenaar, of bij het bestuderen van het beeld door de toeschouwer, ritmisch ten opzichte van elkaar kunnen worden verschoven, gespiegeld of gedraaid. Totdat de vlakken zich ten slotte in een groter, harmonisch patroon voegen en ook zij hun zelfstandigheid kwijtraken en afkoelen, passief worden. Mediale vlakken behouden wel hun zelfstandigheid, ook al zijn ze deel van een groter patroon. De lijnen en vlakken kunnen door hun plaatsing een tellurische beweging oproepen, die is opgebouwd uit vectoren en tegenvectoren (naar links, rechts, boven, onder, voor, achter). Ze kunnen ook een kosmische beweging laten ontstaan: als oneindige lijn (bijvoorbeeld een cirkel) of als vloeiend vlak, zwevend in een leegte van witheid of kleur.


Dat is twee. Het Nederlandse landschap is geheel door de mens gemaakt. Dat is iets waar wij Nederlanders trots op zijn, in plaats van ons dood te schamen dat we het oorspronkelijke, bobbeliger moeraslandschap hebben verwoest, wat een even terechte reactie zou zijn. De kaarsrechte sloot, de dijk rond de polder met het boezemwater ernaast of de gekanaliseerde beek zijn stuk voor stuk getekende lijnen, dus lijnen geladen met tijd. Je volgt ze met je blik in plaats van ze in één keer te overzien en daarom vervelen ze nooit. Het zijn typisch mediale lijnen met een tellurische werking – denk aan de Afsluitdijk. Zo zijn de bollenvelden achter de duinrand bij uitstek mediale vlakken. De polder zelf, het duinmeer of het ven zijn voorbeelden van de kosmische beweging waar Klee het over heeft: ze concentreren de aandacht in plaats van deze naar de horizon te zenden.


Kijk, zegt Klee, voordat een tekenaar aan het werk gaat is er niets, niets anders in elk geval dan zijn materiaal (papier en tekenstift) en de regels waarmee een werk tot stand kan worden gebracht. Vandaar zijn befaamde motto: 'Kunst geeft niet het zichtbare weer, maar maakt zichtbaar.' En wat maakt kunst zichtbaar? Klee: 'Vroeger schilderde men dingen die op aarde te zien waren, die men graag zag of graag gezien zou hebben. Tegenwoordig onthult men de relativiteit van de zichtbare dingen en betuigt daarbij het geloof dat het zichtbare met betrekking tot het heelal slechts één geïsoleerd voorbeeld is, en dat andere waarheden latent in de meerderheid zijn.' Dus net als Mondriaan die alle mogelijke, kromme en schuine lijnen tekende door ze samen te persen in één rechte lijn tekent Klee alle mogelijke werelden door er eentje af te beelden, als voorbeeld van veel meer. Klee beeldt de natuur niet af, hij tekent er steeds een alternatieve variant van. Vandaar zijn andere motto: 'Ik ben God.'


Het Nederlandse landschap heeft geen volume, zoals het heuvel- en bergachtige landschap in onze buurlanden. Een alleenstaande boom neemt wel ruimte in, maar is van dichtbij bekeken niet massief maar takkig, lucht-doorspoeld. Een bos haalt in ons land een hoogte van een meter of twintig, maar een pad voert tussen de stammen en bladerkronen door en onttakelt ieder idee van een ondoordringbaar geheel. De ruimte boven het Nederlandse landschap is geometrisch, absoluut. Maar boven die weidsheid zweven de schijnbaar massieve berglandschappen van de wolken en de omgekeerde poolzeeën van onze grijze luchten. Wie in Nederland het sublieme wil ervaren kijkt niet omlaag in een duizelingwekkende afgrond op zoek naar de fatale zuiging, maar omhoog, naar het allervluchtigste, alleromvangrijkste dat spot met de Mondriaanse lijnen en vlakken van ons zelf-uitgegraven, zelf-bedachte landschap. Klee's andere natuur is in Nederland niet op aarde, maar in de hemel te vinden: geen lijnen of vlakken maar wattige wolkenbrei.


En nog is dat niet het hele verhaal. Er is naast de abstracte, ruimte- en tijdloze denkbeeldige lijn van Mondriaan en de concrete, met tijd gevulde lijn van Klee nog een derde soort lijn, die het krachtigst is in het werk van wie ik als Nederlands grootste tekenaar van dit moment beschouw: André de Jong. Zie de afbeelding hiernaast. De Jong tekent organische lijnen, lijnen die net als die van Klee rechtstreeks uit de hand van de tekenaar vloeien, maar niet zozeer tijd bevatten alswel lichaam. De organische lijn vloeit voort uit de motoriek van de hand van de tekenaar en is nooit kaarsrecht maar steeds iets in beweging, niet geladen met andere lijnen of alternatieve natuur maar met spierspanning en de weerstand van het krijt en het papier waarmee de kunstenaar ze in de wereld zet. De organische lijn roept door haar weerbarstige vloeibaarheid om zich heen een gevoel van ruimte op, ademruimte, oerkracht.


André de Jong tekent niet de essentie van het landschap en ook niet een alternatief daarvoor, hij brengt het archetype ervan aan het licht. Dat wat vernietigd is maar nooit kan verdwijnen, het Nederlandse landschap vóór de Nederlanders het wegschraapten door het oorspronkelijke moeras als turf af te steken. Het is een universeel Europees, voorwerelds landschap van genadeloze bollingen en brede lijnen die nooit rust of gezelligheid uitstralen, maar de onvervreemdbare kwaaiigheid van de wilde natuur. Het barre land dat ik onmiddellijk herken en waar ik bang voor ben en in verdwijnen wil.