Nutteloos eiland

Een eiland blijft nooit een eiland. Op de een of andere morgen komt de zon op en maakt de bewoners wakker en zij zien met verbazing dat hun eiland geen eiland meer is..


Tip Marugg, Weekendpelgrimage



1.Ik wilde het eiland vergeten, al klinkt dat te actief voor wat ik deed, of naliet te doen. Wat ik wilde was dat het eiland niet bestond, of als het al bestond dan los van mij, los van de jaren die ik er had doorgebracht.

Herinnering is een hond die gaat liggen waar hij wil, maar dat is alleen ten dele waar. Herinnering is een hond die opvoedbaar blijkt, je zegt hem te gaan liggen, ergens op een koele stenen vloer uit het licht van de felle middagzon, en het beest zal blijven liggen. Een poosje, althans.

Ook zonder het eiland was ik ooit jong en daarna minder jong, het liet geen leemte achter, geen gat in mijn biografie. Ik knipte er een stukje uit, plakte er een ander stukje aan vast, zoals ze vroeger filmscènes aan elkaar plakten of, tegenwoordig, DNA. Het enige wat ik me een lange tijd herinnerde, was de eerste koude winter na terugkeer. We stapten het vliegtuig uit en het sneeuwde, maar dat kan niet kloppen want het moet juli of augustus geweest zijn. Van een zomer herinner ik me niets, geen zon, geen warmte, geen buiten.



In feite waren het twee honden. De ene was een klein en springerig dier, atletisch gebouwd, met een bruin-zwarte vacht en een spitse kop die gemakkelijk tussen de spijlen van het hek paste. De ander was groot, log en pikzwart. Wanneer de zon onder was lag ik graag met mijn rug tegen zijn buikholte op de strook asfalt voor het huis. De hond kromde zich om mij, de hemel om ons, en zo lagen we een poosje in stilte. Nog altijd kan ik de warmte voelen die uit de aarde omhoog komt, en de koelte van de avondlucht die mijn schouder aanraakt.

We hadden de dieren overgenomen van een gezin dat het eiland verliet, en die hadden ze ooit overgenomen van een ander gezin. Niemand wist hoe oud ze precies waren.

Op een paar vissen na hadden mijn broertje en ik nooit huisdieren mogen hebben. Onze vader was allergisch voor alles, en als gevolg daarvan bijna het hele jaar door verkouden. Altijd droeg hij katoenen zakdoeken bij zich, wit met blauwe of rode banen aan de zijkant, doorschijnend geworden van het vele wassen. Hij geneerde zich er nooit voor om in het openbaar met veel misbaar zijn neus te snuiten en daarna de zakdoek weer in de mouw van zijn jasje te stoppen. Ik denk dat mijn moeder al die zakdoeken van hem uitwaste en aan de waslijn hing. Het was ook mijn moeder die kookte, speurtochten uitdacht voor onze verjaardagsfeestjes en mijn kostuums naaide met carnaval. Een kind heeft zulke dingen niet in de gaten, ik bedoel, al het werk dat wordt uitgevoerd in stilte, aan de achterkant van een opvoeding.


Mijn vader was een paar keer vooruit gereisd om het eiland te verkennen, en zo had hij vernomen dat honden een vereiste waren. Daarnaast had hij begrepen dat het nauwelijks mogelijk was om werkelijk door te dringen tot de eilandcultuur, en dat het beter was om je niet op te winden omdat je als Nederlander dan compleet kon doordraaien. Mijn vader is een optimist, en in bepaalde opzichten ook een door en door naïef mens. Ik denk dat hij toen geloofde dat hij als een pionier, samen met zijn vrouw en kinderen, een tijdelijk maar niettemin werkelijk bestaan kon opbouwen op een eiland dat slechts eenenzestig kilometer lang was en vier tot veertien kilometer breed. Een eiland dat bovendien tot ons koninkrijk behoorde en de verjaardag van onze koningin vierde met een grote vrijmarkt in het centrum van de hoofdstad, die ook de enige stad was, of beter gezegd een verzameling koloniale panden in bonte pasteltinten, waarvan de overlevering wil dat ze ooit van het helderste wit waren, totdat een negentiende-eeuwse gouverneur-generaal hierin de oorzaak van zijn oogproblemen zag en ze liet overschilderen in alle kleuren van de regenboog.

Iemand vertelde me eens dat mensen, volkeren, de neiging hebben zich westwaarts over de aarde te bewegen, de zon achterna. Hunnen, Visigoten, Ostrogoten. Angelen, Saksen, Juten, Friezen. Spanjaarden, Portugezen, Italianen, Britten, Ieren, Nederlanders. Westwaarts tot de grote oceaan, en dan erover met hun vloten, godvrezende mannen met bewijsdrang, armoedzaaiers, avonturiers, predikanten. De Nieuwe Wereld kwam te bestaan op het moment dat hij aan hun horizon verscheen. De ruige aarde kende geen geschiedenis voordat zij met hun laarzen de eerste sporen nalieten, met hun messen de eerste takken weghakten, met hun geweren de eerste mensen doodschoten. De Nieuwe Wereld was van hun omdat zij hem hadden gevonden, en alles wat vreemd was moest worden herschapen naar hun beeld en gelijkenis. Zij waren de mannen van het oude Europa. Ze konden lezen en schrijven, ze hadden een bijbel, een monarch, een bisschop en een grote witte god die toekeek en zag dat het goed was.

Wat hadden wij, pioniers van de late twintigste eeuw, goede mensen die het beste voorhadden met de wereld, precies met deze geschiedenis te maken? Het venijn schuilt in dat woord – precies. Het is een woord dat me 's nachts wakker houdt de laatste tijd. Ik lig op mijn rug en er raast een beeldenstorm aan me voorbij, alles wat jarenlang was geconserveerd op een donkere, koele plek, wordt aan diggelen geslagen en ik weet niet wat te maken van de brokstukken.

Lang heb ik gedacht dat ik zelf kon kiezen wat verloren ging en wat bleef. Of, als het verleden geen keuze was, dan op zijn minst een objectieve waarheid die buiten mij om bestond, een landschap gezien vanuit een trein, alles wordt kleiner en verdwijnt uiteindelijk uit het zicht. Wat ik niet had verwacht, of althans op mezelf niet van toepassing achtte, meer een theoretische waarheid dan iets om letterlijk te nemen, is dat het verleden zich kan omkeren terwijl de trein vooruit rijdt. Het landschap dat je al lang achter je had gelaten, dat je zelfs veronderstelde te zijn vergeten – omdat het geen reliëf heeft, geen context, omdat het een eiland is in de Caribische Zee, een kern van gestold lava en versteend koraal, stoffig en droog, een doorgangshaven in de vorm van een zandloper, een plek, kortom, waar de tijd doorheen glipt zonder werkelijk iets achter te laten – komt opnieuw in je blikveld, opnieuw maar dan anders, helemaal anders, en toch ook precies hetzelfde, en het is verbazingwekkend, vooral je eigen verbazing, want het is een versleten cliché: het verleden haalt ons in, en ook al willen we niet, we zullen ons er alsnog door moeten laten vormen.


de hond kromde zich om mij, de hemel om ons, en zo lagen we een poosje in stilte

Ik was de enige die werkelijk van de honden hield. Voor mijn ouders waren ze vooral een anti-inbraaksysteem, en mijn broertje was te klein om op die manier om dieren te geven. Ik wil hun echte namen hier niet noemen, aan de ene kant omdat ze belachelijk zijn (wie ze zo had genoemd en waarom was ons een raadsel), aan de andere kant omdat het voelt als een inbreuk op zowel hun privacy als de mijne, een verkeerde manier van waarachtigheid, te letterlijk, te rauw. Wat ik probeer te zeggen: ik heb mijn honden nooit gezien als onderwerp, en dat het nu toch zo ver is gekomen beschouw ik ten dele als een nederlaag. Voor nu zal ik ze Eduard en Marie noemen.

Marie was de kleine. Energiek spurtte ze heen en weer langs het hek wanneer er iemand voorbij liep. De postbezorger, een zwerver met een plastic zak op zijn hoofd, schoolgaande kinderen. Ze blafte bijna uitsluitend naar zwarte mensen. Een racistische hond, grapten we. Ik denk niet dat we ons afvroegen hoe dat kwam, en of we zelf racisten waren (wij blaften niet). Toch werd Eduard over het algemeen beschouwd als de afschrikwekkendste van de twee – puur op basis van zijn uiterlijk, want hij was te goedaardig, en te lui, om ook maar een poot te verroeren. Hele dagen bracht hij door in de schaduw van de tamarindeboom in onze tuin, en als hij opstond, om te eten of drinken of mee te bewegen met de schaduw, ging dat met een bijna indrukwekkende logheid. Het leek alsof hij constant door iets werd neergedrukt, een extra gewicht dat op hem rustte en hem langzaam maar zeker helemaal de grond in zou duwen.

In zijn ooghoeken verzamelden zich bij vlagen grote hoeveelheden grijzig slijm. Iedere week draaide ik tientallen volgezogen teken uit zijn huid, die ik verzoop in een teiltje kokend heet water met afwasmiddel. Met een speciale borstel plukte ik kluwen dode haren uit zijn doffe vacht. Ik kan hun wasachtige textuur nog voelen, een mengeling van vuil en vet die achterbleef in de groeven van mijn vingers (de dwanggedachte om die vieze kluwen in mijn mond te duwen, tot ik zou kokhalzen, en alleen al de associatie deed me soms bijna kokhalzen, en dat bevredigde me op een manier waar ik niets van begreep).

Een paar keer per jaar zwol een van Eduards oren op tot het formaat van een tennisbal. Dan reden we met hem naar de dierenarts, die praktijk hield in zijn tuinhuis en plastic stoelen in de tuin had gezet bij wijze van wachtkamer. Hij prikte het oor in kwestie door, zodat het vocht eruit kon lopen en het oor weer zijn normale omvang aannam. Er was niet veel aan te doen om die bloedoren te voorkomen, zei de dierenarts, die beesten hadden jeuk van de warmte en de droogte, en krabden steeds opnieuw hun bloedvaten kapot. Eduard, die de behandelingen lijdzaam en triestig onderging, hield er op den duur totaal verschrompelde oren aan over, vol grillige littekens en kale plekken.

Dit alles droeg bij aan zijn uiterlijk van gevaarlijke waakhond, geboren op straat (wat mogelijkerwijs waar was), een kruising van allerlei rassen die hem, ondanks zijn versletenheid en zijn algehele gebrek aan esprit, wel degelijk iets sterks en onverwoestbaars gaven.

Onze schoonmaakster Mimi was en bleef onverminderd doodsbang voor hem. Voordat ze ons erf betrad moest ik Eduard vastleggen aan een metalen ketting, zodat ze zeker wist dat hij haar niet zou aanvallen. Rustig lag Eduard naar haar te kijken, terwijl Marie luid blaffend alle kanten opstoof. Dat laatste maakte niet de minste indruk op Mimi, die alleen afkeurend met haar tong tegen haar gehemelte klakte om zoveel verspilde energie.

Ik weet niet zeker of het waar is, van die metalen ketting. De herinnering kwam in een flits, en hoe meer ik die flits probeer uit te vouwen tot iets substantieels, hoe verder het beeld vervluchtigt. Uiteindelijk zie ik alleen nog maar Mimi zelf, haar zware, slappe borsten rustend op haar ronde buik, en dit alles, wonderlijk, gedragen door lange benen zo dun als stokjes. Ze staat op de veranda, leunend op haar bezem. Haar hand beweegt naar haar achterhoofd, waar een elastiek een klein staartje bijeenhoudt, een automatische beweging die ik haar ontelbare keren heb zien maken. Ook zij wordt de grond in gedrukt door een onzichtbaar gewicht. Of misschien is het de wind, die in een constante zilte stroom vanuit het noorden over het eiland waait en met een trage vasthoudendheid, kenmerkend voor krachten die mensenlevens ver ontstijgen, gaten slaat in het zachte gesteente, bomen vervormt, het bloed zuidwaarts door afgeleefde lichamen stuurt.


Op een nacht, niet lang na onze aankomst op het eiland, stond ik naast het bed van mijn ouders. Ik hield mijn ogen wijd opengesperd en bleef ze vragen waarom ze me hadden achtergelaten in Nederland. Dat was de eerste keer dat ik slaapwandelde, en niet de laatste. Soms ontwaakte ik op de koude tegelvloer naast mijn bed, en één keer zelfs in de badkamer, opgekruld rond de toiletpot. Op een ochtend ontdekte ik dat alle fotolijstjes op mijn slaapkamer waren leeggehaald, de foto's in een keurig stapeltje op mijn nachtkastje.

In diezelfde periode verloor ik de helft van mijn zicht. Ik zat op school en probeerde iets te lezen, maar de zinnen hielden halverwege op, alsof er door mijn beide ogen een verticale lijn liep, een afgrond die alles aan de rechterkant ervan verzwolg. Mijn moeder bracht me in allerijl naar de huisarts, een vriendelijke man die dokter Maduro heette, zijn naam op een goudkleurig plaatje aan de smetteloos witte buitenmuur van het huis waar hij praktijk hield. Ik herinner me de paniek van mijn moeder omdat die uitzonderlijk was. Haar vader was de laatste decennia van zijn leven zo goed als blind geweest, door een netvliesloslating in het ene oog en staar in het andere. Ze instrueerde me mijn ogen dicht te houden, en zo zat ik naast haar in de auto, door mijn wimpers turend naar de gehalveerde wereld die aan me voorbij trok.

Nadat we een halfuur in de wachtkamer van dokter Maduro hadden gezeten, was mijn zicht weer zo goed als normaal geworden. Dit hield ik voor me. Ik wilde me nog even warmen aan mijn moeders bezorgdheid, die heel zacht van vorm was die middag. Bovendien wilde ik de dokter, die aandachtige vragen stelde en met een lampje in mijn ogen scheen, zoveel mogelijk teruggeven. Het had waarschijnlijk iets met hormonen te maken, zei hij, meer tegen mijn moeder dan tegen mij. Het kwam vaker voor bij meisjes van mijn leeftijd, in het lichaam gebeurde van alles, het zou vanzelf weer bijtrekken, waarschijnlijk vandaag nog.

Op de terugweg haalden we een sundae caramel bij McDonalds. In de Siberische stroom van een zoemende airco aten we onze softijsjes. Ik hield mijn blik naar de grond gericht en probeerde me in te beelden dat ik me duizelig voelde. Nog nooit had ik iets echt ernstigs meegemaakt. Alles was alleen maar vaag en ondefinieerbaar en van voorbijgaande aard. Het was mijn overtuiging dat ik ook op die manier werd gepercipieerd door de buitenwereld: een meisje zonder contouren, een zandkasteel van droog zand. En toch was ik me ook gewaar van een sterke stroming, een geheim leven dat zich binnen in mij voltrok, ongrijpbaar als de zombie die 's nachts buiten mijn invloed door het huis doolde. Ik zat ergens op te wachten, zoveel was me duidelijk, al kon ik toen nog niet zeggen waarop precies.



2.De school was vernoemd naar de eerste Europeaan – een Florentijn in dienst van de Spanjaarden genaamd Amerigo Vespucci – die voet aan grond zette op het eiland, op 7 september 1499. Hij bleef er nog geen halve dag, ontmoette er een paar indianen die hij extreem groot van stuk vond, overwoog een drietal vrouwen ('veel groter dan lange mannen') mee terug te nemen naar Castilië om tentoon te stellen als 'merkwaardigheid', maar vluchtte toen de mannen, gewapend met bogen, pijlen en knotsen agressief leken te worden. Vanaf hun schip vuurden de Europeanen nog wat kanonskogels op de kust af, en dat was dat, het eiland was ontdekt.

Vijftien jaar later was het grootste deel van de eilandbevolking door Spaanse kolonisten gedeporteerd naar Hispaniola, waar ze als slaven op suikerrietplantages te werk werden gesteld. Het eiland werd door de Spanjaarden afgeschreven als isla inútil, omdat er goud noch vruchtbare landbouwgrond te vinden was. Toen de Nederlandse WIC een eeuw later op zoek was naar een haven voor de kust van Spaans-Amerika, konden ze het zonder moeite innemen. Het handjevol tot het katholicisme bekeerde, Spaanssprekende indianen dat nog over was, vertrok vrijwillig of onder dwang naar het vasteland.

Het eiland bleek een uitstekende doorvoerhaven voor slaven die vanuit West-Afrika te werk werden gesteld op het Amerikaanse vasteland. Zij die te ziek of verzwakt waren om voor een goede prijs te worden verkocht, bleven achter op het eiland, waar geen illusies bestonden over grootschalige productie, export naar het moederland en bergen klatergoud. Dit was een eiland van magere geiten en hagedissen. Een doorgangshaven in de vorm van een zandloper, de vestiging van een multinational die handelde in sterke zwarte mannen, vrouwen en kinderen zodat in Amsterdam gestaag kon worden doorgegraven aan de grachten.


Mensen, volkeren, hebben de neiging zich westwaarts over de aarde te bewegen, de zon achterna

De school was Nederlands, met Nederlandse docenten, een Nederlands bestuur en een Nederlandse rector en grondlegger – mijn vader. Er was een feestelijk moment waarbij de eerste steen in het gloednieuwe gebouw werd geplaatst, met daarop mijn vaders naam, per ongeluk voorafgegaan door een doctorstitel die hij niet bezat (op een nacht stuurde hij er een paar Colombianen op uit om de steen te verwisselen voor een nieuwe zonder titel. Hij wilde wel vereeuwigd worden, maar niet als charlatan).

Het eerste schooljaar begon met één klas en een handjevol docenten dat de vakken onder elkaar verdeelde. Naast het schoolgebouw werd een vlag gehesen met de oranje V van het logo, er werd een reclamespotje ingesproken voor de lokale Nederlandstalige radio, en ieder jaar op 7 september, zo werd besloten, zou de naamgever van de school worden geëerd met een feestdag.

Wat wisten wij, witte kinderen van tijdelijke immigranten, van het eiland dat onze jeugd als een botte schaar doormidden knipte en de helften onherstelbaar van elkaar vervreemdde? Vertelde iemand ons ooit iets? Interesseerden we ons ervoor?

Het was niet onze schuld dat we de taal van het eiland maar nauwelijks spraken; onze ouders deden het ook niet. Sommige klasgenoten woonden in ommuurde woonwijken met slagbomen bij de ingang. Ze werden van school gehaald door moeders met hoge hakken en grommende fourwheeldrives. Ze hadden vaders die rijk waren geworden met hotelketens en rondvaartboten, en bedienden die het middageten met een trolley kwamen serveren. Maar dat waren er maar een paar. De meesten van ons waren heel gewoon, met vaders die bij de Koninklijke Marine, de rechtbank of de politie werkten – of, in het meest schaamtevolle geval, schooldirecteur waren van de school waar je zelf leerling was – en moeders die vissen en vogels van gips goten en beschilderden in vrolijke kleuren; totemdieren om aan de buitenmuren van hun pastelkleurige huizen te hangen. Niemand leek het ongewoon te vinden dat blank en zwart zich bijna volledig in gesloten circuits bewogen. Niemand leek zich af te vragen wat we eigenlijk vierden op die 7 september, of waarom onze school überhaupt was vernoemd naar een man die meende een eiland vol reuzen te hebben ontdekt, en daarmee een paar eeuwen van koloniale overheersing in gang zette. Wij waren pioniers van de late twintigste eeuw en we konden nergens iets aan doen. We werden in auto's gezet en rondgereden. In het weekend sprongen we van kliffen bij vervallen landhuizen aan zee. Met onze eeltige voeten klauterden we over drooggelegde rifterrassen, en daarna rustten we uit in de schaduw van een mangrove (alleen toeristen lagen vrijwillig in de zon). We telden de uren tot de zon onderging, en de jaren dat we nog vastzaten – op dit eiland, in onze jeugd. Zoals de wind de waaibomen naar het westen deed buigen, zo werden wij ook omgebogen, traag maar onontkoombaar.

We koesterden en vervloekten het eiland op een plek die zo diep in ons lijf zat dat we hem nergens konden lokaliseren.



3.De honden zijn al lang dood, natuurlijk. We lieten ze achter op het eiland, samen met een aanzienlijk deel van onze huisraad. Ik weet niet wanneer ze zijn gestorven of waar, maar nu ik hier terug ben herken ik ze in iedere hond die ik vanuit de auto langs de kant van de weg zie lopen. Vermagerde, vuile beesten zijn het, met kale plekken op hun neus en gaten in hun oren. Hun karkassen ruiken we voordat we ze zien liggen, aangevreten door warawara's, rottend in de zon.

Ik hoorde een wetenschapper eens vertellen over de processen in ons lichaam. Als we ons bewust zouden zijn van alles wat er binnen in ons plaatsvindt, zouden we geen denkkracht meer over hebben om de buitenwereld te ervaren. Daarom worden al die processen voor ons bewustzijn gereduceerd tot een algemeen gevoel van welbevinden of onbehagen.

Naast bijna alles was ik vergeten hoe goed ik me hier voel. Zelfs nu het hier, midden in het orkanenseizoen, haast windstil is en de muggen zich laven aan mijn Europese bloed, verspreidt zich vanuit mijn maagstreek een gevoel van tevredenheid zo sterk dat ik er af en toe in verwondering al mijn aandacht op richt. Op die momenten voelt het alsof mijn lichaam na een half leven van sluimering weer ontwaakt. Zo hoort het zich te voelen; zo herkent het zichzelf terug. Ik begrijp niet hoe ik dat kon vergeten, maar natuurlijk begrijp ik het wel. In Peru zag ik eens het gemummificeerde meisje Juanita, dat meer dan vijf eeuwen bewaard was gebleven onder een dikke laag sneeuw en ijs. Ze was perfect intact, zelfs haar maaginhoud kon nog worden herleid. Zo is het ook met dit landschap in mij. Ik heb het bewaard op een koele plek, waar het al die tijd geduldig op me heeft gewacht.


De kou drong dat eerste jaar na terugkeer zo diep mijn lichaam binnen dat ze alles overnam, ik voelde ieder ­ijzig bot van mijn skelet, dat in mijn lichaam huisde als een voorbode van de dood. Het was donker als ik naar school fietste en donker als ik terug naar huis fietste. Het huwelijk van mijn ouders was voorbij. Met mijn moeder en mijn broertje overwinterde ik in een kil huis met hoge plafonds. We zagen er vreemd uit in onze wintertruien en jassen, onze lichamen leken gekrompen, onze voetzolen werden zacht van het continu dragen van schoeisel en onze gezichten zagen bleek alsof we plotseling waren getroffen door een slopende ziekte.

Het was op een bepaalde manier bevrijdend om geen onderdeel meer uit te maken van een gezin. Ik had geen zin meer om kind te zijn, en mijn moeder liet me mijn gang gaan. Mijn nieuwe school was een milde plek waar zelfexpressie werd aangemoedigd. Jongens en meisjes gingen er normaal met elkaar om, dat wil zeggen: ze konden vrienden zijn zonder dat het meteen ingewikkeld werd. Niemand zat hier ongevraagd aan je blote benen om te controleren of je ze wel goed had geschoren, niemand probeerde onder je rokje te kijken en niemand kende je vader. De leraren werden getutoyeerd en met hun voornaam aangesproken; een vorm van gelijkwaardigheid waar ik maar nauwelijks aan kon wennen. Soms leek ik eerder een kind uit een andere tijd dan van een andere plek. En dus besloot ik de toekomst in te rennen, zonder om te kijken, en zo knipte ik mijn eigen contouren uit het eiland, efficiënt en geruisloos, als iemand die een steen verplaatst in de nacht.


We rijden met open ramen over het patchwork van asfalt dat ons naar het uiterste westen van het eiland brengt, de noordkant waar de golven woest tegen de rotsen beuken, er gaten in slaan, furieus als de zee uit 1499 en 1634 en 1863 en 2010. Het landschap dat ik al lang achter me had gelaten komt opnieuw in mijn blikveld, opnieuw maar dan anders, helemaal anders, en toch ook precies hetzelfde, en het is verbazingwekkend, hoe de tijd dubbelklapt en tegelijk het verleden steeds verder afbakent. De vrouwen van het eiland schaterlachen terwijl ze hun lunch van vlees en rijst eten uit witte plastic bakken op betonnen bankjes in de schaduw. Voor de deur van het casino roken dronken mannen vlug een sigaret. Ergens in een bus rijdt Mimi naar een schoonmaakadres. Hier is de baai waar mijn broertje bijna verdronk. Hier is mijn huis, ik gluur door de spijlen van het hek en er komen twee honden op me af, en ze zijn het, natuurlijk zijn ze het.