Van den Muijzenbergpad




De vioolles die ik had was aan de rand van de enige
stad in de buurt, ernaartoe: het Van Den Muijzenbergpad
langs traag stromend Deurzerdiep, vertakt en
vertakt tot mousserende beekjes, broeiend moeras, en ondanks de muggen
zo stil als het was


de kist een kind op mijn rug en ik wist:
het zwermen en brullen gebeurt hier geluidloos
elke snaar, elk woord dat ik zeg, is te schel
kikkers openen hun kelen alleen om het licht door te laten
de straten zijn ingelegd met schokbrekers, donsdekens
alles wat je ziet: eierdozen tegen sluierlucht geplakt


de hoeve van familie Tabak, verzakt en verlaten
vijftien jaar geleden kregen de kinderen vla
op hun resten jus, nu waait de wind
door de gaten


kwam er maar daar van onder het kroos
een dreun, een pauk of een hoorn, jongens
met mooie hobo's, sprong er maar eens een blazersorkest uit de struiken
ik trap en ik trap en de maïs buigt nederig mee
zwijgende tieners met beginnende pluimen en kolven, een bobbel –


kapotgereden naaktslak, ook die
verstomt gedwee


waar zijn de kermissen, kiepkerels, hannekemaaiers
Bommen Berend en zijn maten, gedrenkt in
bloed en bier, iemand die kotst of oreert, sirenes
een steeg waar het lekker kan stinken


hier is het leven omgekeerd verdrinken:
longen volzuigen, afwachten,
doorfietsen, doorfietsen.