De lezing

1

Plaats en datum van de lezing werden bekendgemaakt via een gecodeerde boodschap op een affiche voor een circusvoorstelling. De hoek tussen de tent en het clownsgezicht, de vorm van de slurf van de olifant, de hoek van de benen van het trapeze­meisje, gecombineerd met de eerste drie letters van ieder woord op het affiche vormden samen de naam van de straat. De vermelde dag was het huisnummer. Het adres van de locatie van de voorstelling was de datum van de lezing.

Ik zag het affiche in een steeg achter een nachtclub. We zaten op de koude stenen grond of hingen tegen de afvalbakken en gaven een fles door. Ik had al een tijdje voor me uit staan staren toen het kwartje opeens viel. Ik stapte naar voren en wees. De anderen kwamen om me heen staan. Dit was mijn vijfde jaar op straat en mijn zintuigen waren aangescherpt en alert. Op ieder mogelijk tijdstip, op iedere mogelijke plek kon je een boodschap worden aangereikt. Ik was vastbesloten om die boodschap te ontvangen. In mijn vorige leven had ik nooit opengestaan voor alle subtiele manieren waarop de wereld je probeert te waarschuwen. Daarom was het ook mijn vorige leven.

Op de aangegeven avond troffen we elkaar in de steeg. Ik was nuchter. Dat namen de anderen mij kwalijk. Ik zei dat we niet wisten wat we konden verwachten. Misschien was het wel een slinkse manier om goedgelovigen naar een afgelegen plek te lokken en te beroven. Daarom was het wellicht raadzaam om zo veel mogelijk bij ons volle verstand te zijn. De anderen keken eerst mij en daarna elkaar aan. Ik kreeg het gevoel dat zij eerder onderling hadden gesproken en een besluit hadden genomen waarin ze mij niet wilden kennen. Ik weigerde hierdoor van slag te raken.

We gingen op weg. Zonder een woord of teken lieten de anderen mij voorgaan. Van ons tienen kende ik de stad het beste: ooit had ik een groot deel van haar plattegrond zelf ontworpen. Ik leidde ons door stegen en over pleinen, langs verlaten fabrieksgebouwen en verwaarloosde woonkazernes. Af en toe zagen we de gescheurde resten van een affiche – aan een defecte straatlantaarn, in de stoffige etalage van een gesloten winkel: tekenen dat we op de goede weg waren.

Na verloop van tijd viel de stad aan alle kanten van ons weg. Gebouwen maakten plaats voor velden vol onkruid en dood gras, glinsterend glas, roestende betontengels die als gebroken vingers uit de grond staken. Onze bestemming was de uitzondering op deze leegte. Het was een bouwterrein, aan alle kanten afgesloten met hoog rasterwerk, aan één kant over een lengte van twee meter toegankelijk gemaakt doordat een groot vierkant in de rastering was weggeknipt. Hoog boven ons brandde een enkele sodiumlamp. Het gebouw in het midden van de vlakte was voor ongeveer driekwart voltooid en getuige de omstandigheden zou dat ook zo blijven. Bomen en struiken en pollen gras en klimopachtige begroeiing hadden bezit genomen van het terrein. Een aantal agressieve planten, of wellicht was het één monsterlijk exemplaar, had een groot deel van de linkerzijde van de eerste en tweede verdieping overwoekerd.

Onze schaduwen krompen naarmate we dichterbij kwamen. Ook ik voelde me kleiner worden. Drie betonnen treden leidden naar een deurloos portiek en daar stond een vrouwelijke figuur in een lange zwarte avondjurk. Ze droeg zwarte fluwelen handschoenen die tot haar ellebogen reikten. Op haar hoofd droeg ze een zwarte beulskap van hetzelfde materiaal. Ze gaf ieder van ons zwijgend een pamflet waarna we naar binnen werden gewezen.

De anderen hadden onderweg vrijwel constant geproest en gelachen. Toen we de ruimte voor de lezing betraden verloren ze ieder gevoel voor decorum. Ze barstten uit in een hoog gierend gebrul. Tot mijn consternatie zag ik hoe een van hen zich bevuilde. Dit leidde uiteraard tot nog meer hilariteit. Een geschokte blos steeg naar mijn gezicht en ik wilde mijn excuses aanbieden aan onze gastvrouw, maar zij bleek verdwenen.

De reactie van mijn metgezellen was niet helemaal onbegrijpelijk. De kamer was niet meer dan tien meter in het vierkant. Er waren geen ramen, de enige toegang was de deur. Voor een hoog smal tafeltje stonden tien stoelen. Op het tafeltje stond een glas water. Meer was er niet.

We namen plaats. Er werd met ellebogen gepord en theatraal in de handen gewreven. Ik kreeg sarcastische complimenten en schouderklopjes: dat teringeind lopen was echt ontzettend de moeite waard gebleken. Een van hen kruiste de armen en strekte zijn benen voor zich uit en wurmde zich verlekkerd wat dieper in zijn stoel. Ik zat rechtop, handen over elkaar gevouwen, en wenste dat ik iets had, wat dan ook, om mijn geest te benevelen.

Het leek of men wachtte op stilte, want pas toen het geginnegap was bedaard en de anderen elkaar met blikken van ongeduld en teleurstelling begonnen aan te kijken ging er boven het tafeltje een licht aan. Er klonken rustige, gelijkmatige voetstappen, het geluid op de een of andere manier concreter gemaakt door het knarsen van betongruis onder schoenzolen.

Uit de schaduwen kwam een man tevoorschijn. Hij hield een stapel papier in beide handen. Dat deed me eraan denken dat we een pamflet hadden gekregen. Ik hield het zo dat het licht van het spotje op het omslag viel.


        Eerste lezing: Contra-evolutionaire culturele regressie


stond er, gevolgd door de datum en een naam: Natal Firenze. Hij was klein en slank, met kort vaalblond haar dat in een scheiding was gekamd. Hij droeg een brilletje met rond montuur en een colbert van bruine ribstof en een spijkerbroek. Zijn kalme ernst, een ietwat potsierlijk contrast met het decor, had een slechte invloed op het gedrag van mijn vrienden. Er werd weer gegniffeld, onderdrukt gespot. Toen hij, Firenze, de rechte stapel A4’tjes met gedecideerde bewegingen nog rechter legde probeerde ik oogcontact met hem te maken. Hij maakte op geen enkele manier kenbaar dat hij wist dat er publiek aanwezig was.

Zijn stem was afgemeten en kordaat en deed mij denken aan de bioscoopjournaals uit mijn jeugd.

‘Het denken van de intellectuele mens kenmerkt zich door de idee dat men leeft in een catastrofale eindtijd. Men ziet een voortschrijdende neergang in de kwaliteit van alle aspecten van het bestaan. Politiek, religieus, cultureel, ecologisch, mentaal, fysiek. Men verzucht dat het leven vroeger “beter” was. “Zuiverder”. De omgeving van de denker ziet hierin niets anders dan het weeklagen van de ouder wordende mens, die in de onherroepelijke veranderingen in zijn omgeving een spiegel ziet voor zijn eigen en even onherroepelijke verandering, en neergang.

Het overgrote deel van de populatie, de Massa, bestaat uit mensen die in hun bestaan niet de fysieke tijd of mentale ruimte kunnen of willen inruimen voor contemplatie ván dat bestaan. Gedachteloos nemen zij deel aan alle aspecten van de maatschappij die de denker als kwalitatief minderwaardig en zelfs als schadelijk ziet. De debilisering van de amusementsindustrie. De minachting van hoogstaande culturele uitingen. De salontolerantie. De epidemische verslaving aan producten die communicatie heten te bevorderen.

De tol van de technologie is de dood van de natuur. De dood van de natuur is de kern van de contra-evolutionaire regressie, die werd ingezet bij het gloren van de Eerste Technologische Revolutie. De Massa, wiens belang en bevrediging bron en doel is van het functioneren van de maatschappij, draagt de verantwoordelijkheid voor de humanitaire teruggang. In de afgelopen vijftig jaar heeft Chinees-Russisch onderzoek naar hersen­inhoud, schedelomvang, lichaamsgroei, lichaamsbeharing’ (mijn vrienden schraapten hun kelen: alle intieme delen van het menselijk lichaam waren voor hen een onuitputtelijke bron van meligheid) ‘onweerlegbaar de ommekeer van de menselijke evolutie in kaart gebracht. Dit proces is net zo concreet als geleidelijk. De Massa zal nooit van haar waarheid kunnen worden overtuigd omdat de Massa de waarheid van deze ommekeer ís.’

Er volgde een lang betoog. Firenze citeerde onderzoeken, noemde cijfers en percentages, hield bladzijden omhoog met cirkeldiagrammen. Hoezeer ik ook probeerde zijn verhaal te volgen, al was het maar uit schuldgevoel over het gedrag van de anderen, ik merkte dat mijn aandacht begon te verslappen en zelfs dat ik in slaap begon te vallen. Ik schrok op toen het licht begon te dimmen. De spreker rechtte zijn stapel papier en verliet de ruimte, zijn passen net zo ongehaast als toen hij aan kwam lopen.

We verlieten het gebouw en het terrein. De dame in de kap zagen we niet meer terug. Er werd gezongen en gejoeld. Als beloning voor mijn ‘puike gidswerk’ kreeg ik een fles gin. Ik leidde ons weer terug naar de steeg en we dronken de fles leeg, maar ik was er met mijn gedachten niet bij. Voor ik het wist was ik alleen, de anderen alweer op zoek naar nieuw amusement, slechts het bonken van de muziek uit de club als gezelschap. Een kat schurkte tegen de vuilcontainer. Hij mauwde klaaglijk. Ik trok de kraag van mijn jas wat hoger en zocht mijn slaapplaats op.


2

In de dagen die volgden zwierf ik alleen door de stad. Ik meed de plaatsen waar mijn ‘vrienden’ rondhingen. Het idee dat ze met me over de lezing zouden willen praten was onverdraaglijk. Ik zag voor me hoe ze de spreker zouden imiteren. Zijn plechtige manier van praten, zijn uiterlijk, zijn rare theorie, de locatie: het leende zich allemaal heel makkelijk voor parodie.

Ik zag dat in. Ik zag het absurde van de lezing. Maar wat ik ervan had meegekregen wilde mij niet loslaten. De woorden leken gewicht en belang te hebben. Ik maakte aantekeningen op stukken krantenpapier en probeerde de strekking van het betoog te reconstrueren.

Uiteindelijk, dit was ongeveer twee weken later, sloot ik me aan bij een groep die een opgeheven treinstation als hangplek had. De eerste drie avonden bracht ik flessen wijn mee. Deze werden zwijgend doorgegeven. Ik werd zwijgend geaccepteerd. De nieuwe groep hield mijn geschrijf nauwlettend in de gaten, maar ze dronken dankbaar hun goedkope bocht en zeiden niets.

Onder hen was een jongen van een jaar of twaalf. Hij had vuil rossig blond haar en een opgewekt gezicht. Iemand vertelde me dat zijn ouders hem hadden moeten afstaan, dat hij was gevlucht uit een pleeggezin en dat hij sinds twee jaar op straat woonde. Ik kan niet precies zeggen wanneer hij mijn gezelschap begon te zoeken. Het moest heel geleidelijk zijn gegaan. Eerst merkte ik hem op, maar meer ook niet, en het volgende moment was het vanzelfsprekend dat hij iedere avond bij me in de buurt zat. Hij zorgde ervoor dat mijn metalen beker steeds met wijn gevuld bleef. In ruil daarvoor deelde ik mijn deken met hem. Hij heette Ralf.

Op een avond hoorde ik mezelf vertellen over de lezing. Hij had zijn handen over zijn knie gevouwen en knikte enthousiast. Zijn gezicht was open en zijn ogen groot en het was alsof we niet op houten kratten op een verlaten perron zaten, maar in een zonverlicht klaslokaal. Ik legde hem uit van het affiche en de code. Hij zei dat we direct naar een nieuwe code moesten gaan zoeken.

‘Straks is er alweer eentje geweest. Straks hebben we die gemist!’

Hij schudde zijn vuistjes op en neer.

Zijn opmerking deed mij twee dingen beseffen. Ten eerste, dat de lezing een onderdeel zou kunnen zijn van een reeks. Wellicht dat onduidelijke zaken uit de eerste lezing in vervolgdelen zouden worden opgehelderd. Dan zou het niet alleen raadzaam, maar cruciaal zijn voor het begrip van Firenzes betoog om die bij te wonen. En ten tweede, dat ik die volgende lezing koste wat kost wilde horen.

We zouden aanplakplaatsen in de gaten moeten houden, zei ik. Reclamezuilen, bushaltes, lantaarnpalen, verkeersborden. De steeg achter de club was een probleem. De mogelijkheid bestond dat een aankondiging voor de volgende lezing daar te vinden zou zijn, maar ik wilde niet een ontmoeting met mijn voormalige vrienden riskeren.

Nog voor ik was uitgesproken knikte de jongen, hij stond haast te stuiteren van ongeduld en vroeg mijn toestemming om naar de steeg te gaan. Ik verzekerde hem dat hij mijn toestemming niet nodig had. Even leek hij teleurgesteld. Ik schaamde me voor mijn onbegrip. De straat maakte van iedereen gelijken, maar Ralf was bovenal nog steeds een kleine jongen. Zijn verlangen om voor iemand een zoon te zijn was groot. Voordat ik mijn fout kon corrigeren was hij verdwenen.

Toen hij me wekte was het donker. Ik had geen idee of het dezelfde nacht of de volgende was. Ik had liggen slapen aan de oever van een poel van mijn eigen kots. Mijn kop bonsde als een verstopte ader. Ik had een smaak in mijn mond alsof er een kat in had gepist. Voor zover ik kon weten was dat ook gebeurd.

‘Kijk dan, kijk dan!’

Ik keek. Hij hield een mobiele telefoon voor mijn neus. Op het scherm een foto van een muur. Ik herkende de plek onmiddellijk: sommige van de affiches waren nog dezelfde als eerst, de vuilcontainer, in een hoek meende ik zelfs de schurftige grijze kat te zien.

Ik ging te snel rechtop zitten. De inhoud van mijn hoofd klotste tegen mijn schedeldak en ik moest gaan liggen tot het duizelen ophield. Ik kwam weer overeind en nam de telefoon in mijn hand. Ralf kwam gehurkt naast me zitten. Hij liet me zien hoe ik met een simpele vingerbeweging door de foto’s kon bladeren. De beelden waren scherp, de kleuren echt. Ik had geen moeite met het identificeren van het nieuwe affiche.

Dit keer was het de aankondiging van een veiling. Tijd en plaats en datum waren op ongeveer dezelfde manier gecodeerd als op het circusaffiche. Ik wendde me naar Ralf om hem te laten zien hoe het gelezen diende te worden. Toen pas zag ik zijn gezicht. Een van zijn ogen was dichtgeslagen en leek op een geplette druif. Zijn neus was bebloed. Zijn lippen zaten onder de roodzwarte korsten.

Hij lachte.

‘Heb ik het goed gedaan?’

‘Ja knul. Je hebt het goed gedaan.’


Dit keer was het een voormalige woonkazerne. Een huls van beton. De meeste ramen waren kapot of weg. Ik stapte het portiek in. Ralf liep achter me. Ik voelde het ongeduld van hem afslaan als damp. Toen ik de deurklink probeerde ging de deur als uit zichzelf open en onthulde een hal en de dame met de zwarte kap.

Ralf ademde scherp in. De dame knikte en gaf me een pamflet. Wellicht gerustgesteld door mijn kalmte deed Ralf een stap naar voren. Het lichaam van de vrouw leek te verstarren. Ze reikte hem een pamflet aan. Ralf liet mijn hand los en nam het aan. De kap maakte het onmogelijk om het zeker te weten, maar ze leken elkaar even aan te kijken. De jongen trilde. Haar hand in de lange zwarte handschoen kwam omhoog en streelde zijn wang. Ik begreep niet wat er gebeurde.

Voor ik vragen kon stellen wees ze naar een deur verderop in de hal. In vroeger tijd had daar een lift gezeten, maar nu was er slechts een lege schacht. Iets van het licht van buiten drong tot hier door, want ik zag een aantal gevlochten kabels metalig oplichten. Ik draaide me om naar de vrouw om te vragen hoe we verder moesten. Bijna deed ik een stap te veel naar achteren. Ze stond direct achter ons.

In haar gehandschoende handen hield ze een donkere balk, ongeveer twee meter lang, een halve meter breed. Met een gebaar dat onder andere omstandigheden koket zou zijn geweest wuifde ze ons opzij en schoof de plank over de drempel van de schacht waar hij in het donker verdween, de kabels uiteen duwde en aan de andere kant weer vaste grond vond. Op het moment dat de vrouw zich oprichtte ging in de achterste muur van de schacht een klein vierkant luik open. Daarachter brandde een zwak licht.

‘Moeten we daar doorheen?’

Het was voor het eerst in een half uur dat de jongen gesproken had.

‘Ik denk het wel.’

Ik hurkte en probeerde in de ruimte achter het luik te turen, maar meer dan het licht was vanaf hier niet zichtbaar. Ik stak het pamflet (‘Transkosmische verkenning van menselijke futiliteit en alternatieven’) achter mijn broekriem en begon op handen en voeten naar voren te schuiven.

De oversteek leek lang te duren. Mijn zintuigen wilden alle informatie oppikken die voorhanden was. Ergens druppelde water. De kabels leken te fluisteren toen ik erlangs kroop. In de kelderruimte onder mij bewoog iets, zwart en glinsterend.

Ik schuifelde door het luik en richtte me op. Ik stond aan de rand van een enorme zaal. Niets aan het interieur zei iets over zijn oorspronkelijke functie. Ook hier geen ramen; het licht kwam van een zesarmige kandelaar die in het midden van een ronde houten tafel stond. Aan de tafel zat Firen­ze reeds klaar, kaarsrecht, kaarsvlammen in zijn brillenglazen, handen aan beide kanten van de papieren voor hem. Er was plek voor twee gasten.

Ik hurkte en draaide me om naar de schacht en zag hoe de dame met de kap de schouder van de jongen losliet: kennelijk had hij moeten wachten tot ik was overgestoken. Ik moest weer denken aan het zwarte, glinsterende wezen dat ik onder me had zien scharrelen. De huivering maakte me even misselijk.

De ogen van de jongen werden groot bij de aanblik van de zaal en dat deed me even glimlachen. Ik legde mijn hand op zijn schouder om hem met milde dwang in beweging te krijgen. Samen liepen we naar de tafel, de jongen eerst aarzelend, geleidelijk iets meer gedecideerd, maar toen we de cirkel van licht bereikten bleef hij staan. Ik wilde hem zeggen dat hij mocht gaan zitten, schoof de stoel voor hem naar achteren, maar hij leek me niet te horen. Zijn wijdopen blik was vastgeklonken aan de spreker. Nauwelijks hadden we plaatsgenomen of hij stak van wal, zijn stem zacht.

Mijn voornemen om het betoog te volgen, of erachter te komen of deze lezing aansloot op de vorige, werd dit keer al in de kiem gesmoord. De reactie van de jongen haalde me volledig uit mijn concentratie. Hij zat net zo rechtop als Firenze, zijn handen eveneens plat op tafel, alsof hij de spreker wilde spiegelen, en hij leek de woorden mee te willen mompelen. Tranen stroomden over zijn wangen. Ik wendde me weer naar Firenze, maar het beeld van de jongen lag steeds vooraan in mijn gedachten en weigerde betekenis door te laten.

Na afloop stond Firenze op en gaf een kort knikje, zonder ons aan te kijken. Ik legde een hand op Ralfs schouder, maar hij schudde hem van zich af en rende naar het luik van de liftschacht. Ik kon nog net zien hoe hij de oversteek maakte. Ik was zelf halverwege de balk toen hij opstond en wegrende. Ik riep zijn naam. Een kleine aarzeling in het portiek, maar het was niet voldoende om hem tegen te houden. Hij opende de deur en liep de straat op. Tegen de tijd dat ik buiten stond was hij verdwenen.

Een zwaarte overspoelde me. Ik had dit eerder meegemaakt: een fles slechte port en bittere herinneringen hadden vaak hetzelfde resultaat. Ditmaal was de oorzaak minder makkelijk te duiden. De lezing moest er wel een onderdeel van zijn. Firenzes woorden waren ongrijpbaar, zijn argumenten nog lastiger te vatten dan de eerste keer.

Maar wat moest ik opmaken uit Ralfs reactie? Wat was het dat hem zo had aangegrepen?

Die avond zocht ik hem vergeefs tussen mijn collega-dronkelappen. Ik vroeg of iemand hem had gezien, maar ik kreeg geen samenhangende antwoorden. Later sliep ik slecht.


3

Mensen die geloven in het noodlot zijn klootzakken. Mensen die geloven in toeval of God zijn klootzakken. Mensen die geloven in iets anders dan hun eigen doen en denken zijn klootzakken.

Dit was niet zoals Natal Firenze het formuleerde, maar wanneer ik mijn aantekeningen teruglas was dat de strekking van zijn stellingen. Je hebt het bestaan zelf in de hand. Als je denkt van niet ben je een domme, naïeve klootzak op de terugweg naar de oertijd.

In de weken na de tweede lezing ging het slecht met me. Er was taal noch teken van Ralf. Ik zwierf door de stad, week af van mijn gebruikelijke routes, informeerde voorzichtig bij het Leger en bij de gaarkeukens. Voorzichtig: mensen denken toch al snel dat je een viespeuk bent.

Ik geloof dat het me allemaal niet meer zoveel kon schelen. Ik liet makkelijk een week voorbijgaan zonder een bad. Haar en baard liet ik staan, ik zag geen reden om te snoeien. Zolang mijn mond toegankelijk was voor drank en af en toe een warme hap vond ik het prima. Ik ontwikkelde een hoest. Niet omdat ik moest hoesten, het was meer om iets te doen te hebben. Ik liep alleen, ik sliep alleen. Ik had bizarre dromen.

Door stom toeval, beter gezegd stomdronken toeval, strompelde ik op een nacht weer de steeg achter de club in. Ik viel tegen de container aan en braakte tegen de muur. Toen ik me weer oprichtte zag ik twee van mijn voormalige metgezellen. Ze keken me niet onvriendelijk aan. Ik begroette ze, zij groetten terug. Ze vroegen me naar de lezing. Ze hadden geprobeerd posters te ontcijferen, maar het had nergens toe geleid. Of ik ze kon helpen de volgende lezing te vinden. Ze vroegen dit in alle ernst, maar ik had geen zin ze tegemoet te komen. Ik antwoordde dat ik geen idee had waar ze het over hadden, nam een slok van wat ik bij me had en zakte tegen de muur in slaap.

Toen ik weer wakker werd was ik zo goed als alleen. De kat had me gevonden en lag op mijn gezwollen buik te ronken. Ik gaf hem een duw en met een sis en een grauw sprong hij weg. Steunend op de container, door mijn mond ademend tegen de stank van kots, kwam ik overeind. Tegenover me hing een affiche. Het was een tekening van een vrolijk lachend joch in korte broek en gestreept shirt, met blond golvend haar. Hij hield een geopend boek in zijn handen. Ik kroop op handen en voeten dichterbij. Ik bestudeerde de hoeken en lijnen, de kleuren, de afwezigheid van kleuren. Ik stak mijn hand uit, mijn vingertoppen streken even over het glanzende papier, toen stak ik beide handen door het affiche en onthulde een gat in de muur.

Tijgerend kwam ik vooruit. Het duister was volledig. Draden en beestjes kriebelden langs mijn gezicht en handen. Na een tiental meters veranderde de grondtoon van het duister en zag ik een tweede gat. Het gat kwam uit in een kelder. De ruimte hing vol met webben van stof. Verzakte stapels stoelen en tafels waren naar de wanden geschoven. Ik probeerde me te herinneren wanneer ik voor het laatst muziek uit dit gebouw had horen komen.

Ik ging staan. Een licht ging aan. Het peertje hing boven een tafel en twee stoelen. Ik liep ernaartoe. Firenze ontvouwde zijn handen en schoof een pamflet over het tafelblad naar me toe.

‘Waar is de jongen?’

Mijn dronken kop bonkte en mijn stem beefde.

‘Hoe bedoelt u?’ Firenzes stem was gelijkmatig en plechtig, precies als eerder. Hij leek de vraag van de pagina te lezen.

Ik greep het pak papier en trok het uit zijn handen, smeet het van me af en leunde op het stoffige oppervlak van de tafel. Firenze vouwde zijn handen. Twee miniatuurzonnen keken me onbezorgd aan.

‘Ik wil alleen maar weten of alles goed met hem is.’

Ik zakte op de stoel en liet mijn gezicht in mijn handen steunen.

‘U denkt dat u hem kunt redden.’

Ik keek op. Het was voor het eerst dat ik hem een tekst hoorde uitspreken die niet geschreven stond.

‘Nee. Nee, dat denk ik niet.’

‘Dus maakt het geen enkel verschil. Of u weet of alles goed met hem is. Of niet.’

‘Goed dan. Dan denk ik dat ik hem wel kan redden.’

‘U bent echt een filosoof van de straat. Zo uw belang is, zo is uw opvatting.’

Opeens drong tot me door wat er vandaag anders was dan eerder. Ik keek de ruimte rond.

‘Waar is je assistente? Die met de zwarte kap?’

Firenze stond op en begon zijn papieren bij elkaar te zoeken. Ik wachtte tot hij ze weer in een nette stapel had voor ik mijn vraag herhaalde.

‘Wilt u de lezing horen of niet?’

Ik liet een stilte duren en dacht na. Emotie in zijn stem? Dat had ik niet eerder gehoord. Het klonk raar, het paste niet in het beeld dat ik van hem had.

Ralfs onmiddellijke enthousiasme toen hij hoorde over de lezing. De dame had Ralfs wang gestreeld. Zijn huilbui tijdens de tweede lezing.

‘Is hij bij de vrouw?’

‘Of u luistert of u kunt gaan.’

Ik had geen zin om hem verder in het harnas te jagen. Bovendien wilde ik het vervolg van het verhaal horen. Ik veinsde dan ook ontspannen onverschilligheid toen ik zei: ‘Prima. Ik heb niets beters te doen.’

Ik bekeek het omslag van het pamflet. ‘Anti-natalisme of de menselijke plicht tot uitsterven’. Ik keek naar de man tegenover mij. Zijn stem klonk kalm en gemoduleerd, de emotie onder controle of het resultaat van intensieve oefening.

Voor het eerst vroeg ik mij af waar deze lezingen toe dienden. Het idee bekroop me dat hij hier ook zonder toehoorders zou zitten, zijn akelige boodschap bestemd voor niemand anders dan hemzelf. Alsof hij vooral zichzelf wilde overtuigen van de ondergang van alles.

De reactie van Ralf en de vrouw op elkaar, Firenzes reactie op mijn vragen: ik was weer aan het interpreteren. Ik dacht tekens te zien, zoals ik ze in de affiches had gezien en hun betekenis had geraden. Dit hoefde niets te betekenen. Maar terwijl ik me tegen de rugleuning liet zakken en mijn armen over elkaar vouwde, bedacht ik hoe fijn het zou zijn als het wél iets betekende. Een vader en een moeder op zoek naar hun kind, een dronken zwerver die hem vindt en hem door de straten van een verloren stad naar hen toe leidt.

Al snel begon het ritme van de zinnen me in slaap te sussen. Ik droomde. Toen ik ontwaakte was ik alleen. Ik kroop door het gat weer naar buiten. Inmiddels was het dag. De poster was verdwenen.