Mei einde julei

1889, als jonge kersen, wanneer een lentewind in de struiken ruist
en zijn tocht begint, op bladzijde een. 38 graden is ’t in Berlijn, 
op 31 juli van het jaar 2018. Dinsdag. In mij brandt een stem
die als gaslicht geel in de glazen kooi gloeit. Of, ietsje later
ook als kindernagels, zachtroze en bleek, zo geel als room,
en streperig, loodblauw, zoals de warme avondhemel, duister.
Schommelende schuimdekens! Waaronder geen bevolking
indommelt, omdat ze immers wakker ligt. En luid waadt door water
een blauw alarm. Was zo de zee? Nee, ze leek op een stad.
Een stad, waar iedereen en ieder meteen wilde douchen.
[Wie geen kinderen heeft, is minder chantabel] Maar dat alles
werd buit van de schuimfonteinen. In de walm, in nevelklingel.
Hoe klinkt nevel? Brekend schuim en gouden hoornen.
Hoe breekt schuim? Het zijn de maanden met nat haar.
En ieder [wezen], omdat het eenzaam is, is mooi. Iets teers
en wel een gegiechel, van water waarop een lapje drijft.
Ik zou graag als het eendenvolk zijn, dat slapend rust bij nacht.
Maar daarna nog verglom de maanlamp, kwakkelde
het weer verder en de landbouw riep om de staat.
Maar mei was doof van slaap, knabbelde dus op een nachtmerrie,
waarin een drenkeling op een baar lag en nauwelijks
verdampte wijn daar, werd hij door een kroezelig schuimfilter
geduwd en lachte toch, dat was nog steeds een deel
van de droom. Bosnimfen. In gloeiende zandgletsjers,
waar ’t windstil is. Geen zuchtje, geen wind, de haaienhemel,
wit. Klinkt er door de duinen een zwak echoën tot hier? Bos.
Bosbrandgevaar. En ook het water wordt nu schaars.
Geduldig wachten, tot aan de oeverrand het wijde plooien sterft.
Het bloemknopje wiegelt, een hoornaar vloog naar het licht
toen kroop ze onder het struikgewas, en bewoog,
en bewoog zich niet meer. In het trappenhuis hangt de hitte
als in rijm op oosterse, roomkleurige tapijten,
en ik wil weten: Hoor je van verre het murmelen
van de zee? Vleugelslag van wilde eenden? Schiet 
een vlaag van zo’n 80 graden door de verdorde weidevelden?
Geflikflak van de jaargetijden, of op je handen lopen,
in Engadin, in Engadin. ’s Avonds trok een schaap me dicht
tegen zich aan. Vaar wel en keer weer hier aan de rivier, zodra
de rivier is teruggekeerd in zijn bedding! Daar hingen nog,
als onderwaterkoralen in het bos, dode bladeren, afgevallen.
Wacht tot het water van de gletsjers naar beneden komt.

* * *


Ik stond lang en keek, hoe ik aan de rivier de kelk leeg
dronk. Toen waagden zich uit mijnen elfen naar buiten,
die overdag gangen groeven als konijnen.
Uitputting, sluimer. Een naakt portret. Veel mensen
zonder hemden in de stad, waar koeien dromend grazen.
Maar soms grazen ze niet. En doodsbleek aan de bar
in de nachtorkaan bezatten ze zich radeloos tijdens de hittegolf,
in donzig, dun wolkenwirwar. O hoe licht was alles, laaiend.
En een nevelkleed, vlokkig vochtig, de hoofdhuid onder alcohol.
Zo hoor je ook een kip lopen in de schaduw achter een struik.
En ik, ik moet toegeven, zoals een heerseres uit Scandinavië,
ik kom tot bladzijde 110. En geen regel verder. Relaas. Helaas.

vertaling Emma Crebolder & Miek Zwamborn