Het meisje dat haar naam vergat

De vloeiende loop der dingen: ik was vanaf de boekwinkel op de hoek van de straat op weg naar de dure winkel tegenover het Binnenhof om iets voor mijn lunch te halen. In die straat is het altijd druk; het centraal station is om de hoek, net als de kunstacademie en een handvol ministeries. Al die mensen zie ik voorbijkomen als ik achter de kassa sta bij de boekwinkel en, bij gebrek aan klanten in de zomer, door een van de vele ruime etalages naar buiten kijk. Af en toe drukt de manager vanaf de andere kant van de winkel op een bel om me eraan te herinneren dat ik niet zo naar buiten moet staren, maar me nuttig moet maken. Soms hoor ik de bel niet. Als ik mijn lunch ga halen bij de dure winkel, kost me dat ongeveer een uurloon. De manager vindt dat ik mijn geld verbras, maar ik sputter tegen dat ik het anders niet volhoud en dat een gecompliceerd koudgeperst sapje me vreugde en doorzettingsvermogen oplevert, ook al kost alleen al het sapje me 75 procent van mijn uurloon.

Mijn favoriete werkdag is de koopavond, omdat er in de vakantie dan bijna niemand komt, maar er wel soms lezingen worden gehouden en ook ik dan een gratis bitterbal of miniloempia krijg aangeboden. Dat onderbreekt de stroperige loop der dingen. De stroperige loop der dingen: een holle opeenvolging van minuten, een vreemde tijdseenheid waar haast niets in past en die waarschijnlijk door een mens met een sadistische inborst is bedacht. Het is een beetje wat Walter Benjamin schrijft over homogene, lege tijd, louter nog bedoeld om productiviteit te meten, een werkweek mee in te richten. Per minuut verdien ik 15 eurocent, inclusief vakantiegeld. Per minuut bezien vind ik het dus zonde van de tijd om alleen maar te werken voor de baas. Ik zoek vaak boeken voor mezelf op, leg boeken vooraan die ik zelf de moeite waard vind, ook al zijn ze niet op televisie geweest of ergens besproken, of in de afgelopen drie maanden verschenen. De roulatie van boeken is hoog en de mode van boekomslagen verandert met de seizoenen (al kun je steeds minder spreken van seizoenen, zoals inmiddels welbekend en tevens een geliefd, hoewel steeds politieker, onderwerp van klanten, die naast het kopen van een boek graag ook een kleine vorm van sociaal onderhoud opeisen). Een tijdlang waren bijvoorbeeld vrouwen met hun rug naar de kijker toe populair, of een tweekleur zoals de Zweedse of Marokkaanse vlag. Als klanten een boek zoeken, proberen we ons meestal eerst gezamenlijk het omslag te herinneren: het was geel of rood, of misschien groen en het ging over aardappels of doperwten, dat stond tenminste in de titel. Het was wel een recent boek ja, hooguit een jaar of drie geleden... Soms ontkennen de klanten dat ze het boek in een populair televisieprogramma hebben gezien. Bijna iedereen koopt per seizoen dezelfde drie à vier boeken (als ik even alleen de romans meetel en niet de kookboeken, thrillers, populaire wetenschap, ‘light reading’ en treinboeken, waarover later meer). Eerst stemde dit me droevig, maar tegenwoordig ben ik gelukkig als ik iemand toch heb weten te overtuigen van een dichtbundel of een roman die ik zelf erg mooi vond, wat overigens ook maar zelden is.

Veel boeken die ik doorblader geven niets aan de werkelijkheid terug, maar onttrekken juist daaraan de meest herkenbare zaken. Zo’n boek klap ik meteen weer dicht en ik ga verder naar het volgende, altijd in de hoop op iets anders, iets wat in potentie levensgevaarlijk of op zijn minst zeer ingrijpend kan zijn. Een boek dat zich in je herinnering nestelt zonder dat je je de precieze woorden nog kunt herinneren, maar op zo’n manier dat het lijkt alsof je ergens bent geweest, ergens achter hebt gekeken, in het konijnenhol bent afgedaald. Misschien verlang ik dus van boeken iets waarvan ik weet dat het leven het me waarschijnlijk niet zal bieden, omdat dat laatste zo ongefilterd is. Als je leest, verandert het weefsel van de werkelijkheid. ‘Wat gebeurde er?’ Ook al heb je het gezien, kan het – het gebeurde – zich niet zomaar ergens aan hechten. Dat bewustzijn moet op een andere manier worden betrapt, er moet iets worden vergeten en iets onthouden en wat daaruit ontstaat...


Van alles wat er in een mensenleven te vergeten valt, kwam het vergeten van mijn eigen naam me het vreeswekkendst voor. Er was zo’n sprookje dat ik vroeger altijd las, ook al vond ik het eng. Over een meisje dat haar naam was vergeten en pas bevrijd zou worden als iemand haar naam aan haar terug zou geven. Op een dag kwam er een jongen, die haar haar naam teruggaf. Wat vond ik het griezeligst? Dat het meisje gevangen zat in haar eigen vergetelheid? Of dat het meisje die jongen gewoon maar moest geloven? Dat hij, die vreemdeling, de zelfbenoemde noemer der dingen was? Het vergeten is vooral beangstigend als iemand anders je vertelt dat je iets bent vergeten, maar niet wat. Of als iemand de enige is die iets onthoudt – dan is de herinnering net zo goed een fictie, heeft die voor niemand anders een plek in de werkelijkheid, in een collectief geheugen.


Ze bezocht een tentoonstelling in het Stedelijk waar de kunstenaar een performance gaf, of een ‘walkthrough’, zoals hij het zelf noemde. Ze kende de kunstenaar van haar afstudeerwerk over de esthetische verbeelding van politiek geweld. Zijn archief over de oorlog in zijn thuisland was een met opzet verzonnen archief. De muren vol foto’s, gekleurde stipjes en bijschriften hadden haar desalniettemin verward. Er was een verhaal nodig om bij dat archief te komen, net zoals dat een archief zelf een verhaal van uitsluiting en inclusie is.

Derrida schrijft dat als mensen alles willen bewaren in een archief, het gevaar dreigt dat mensen niet meer kunnen terugvinden wat ze hadden willen onthouden, als een huis dat te vol zit, waardoor de afzonderlijke kamers niet meer toegankelijk zijn. Maar iedereen die buiten dat archief is gelaten, maakt alsnog haar eigen archief. Wie beheert het archief? vraagt Derrida. Afhankelijk van wie het beheert, is het wellicht toch te verkiezen niet zomaar in elk archief bewaard te worden.

Inmiddels hadden de bezoekers plaatsgenomen op hun stoeltjes en nam de kunstenaar, die ze helemaal niet had opgemerkt, het woord. Hij leek midden in een verhaal te vallen, over Ieper en een Amerikaan die hij daar had ontmoet. ‘Waarom ben je in Ieper?’ had de kunstenaar gevraagd. ‘Om tussen de spoken van anderen te vertoeven,’ had hij geantwoord. Zijn eigen doden was hij, als voormalig lijkschouwer, zat. De overgebleven bunkers in Ieper worden tegenwoordig beschermd als ‘laatste getuigen’ van de Eerste Wereldoorlog. De kunstenaar hield zijn pet op, maar het publiek hing aan zijn lippen, ook toen dat verhaal steeds meer de vorm van een detective, of van een sprookje, leek aan te nemen. Ze spitste haar oren om de kunstenaar beter te kunnen verstaan toen hij leek te gaan onthullen waar zijn hele verhaal, dat via allerlei omwegen, een mise-en-abyme, nou echt over ging. Net als de spoken in Ieper zouden kunstwerken ook een soort ondoden zijn, die pas tot rust kwamen als ze gevangen werden door de confrontatie met hun eigen kopie. Of had ze het nu verkeerd verstaan? Er ontstond een gemurmel van ongeloof, enthousiasme en teleurstelling in de groep. Voordat ze doorhad wat er aan de hand was, maakte de kunstenaar een buiging en klonk er applaus. Ze liep door de verlaten tentoonstelling en dacht aan de kunstwerken die er waren gemaakt over de genocide in Rwanda (1994) en over Srebrenica (1995). Na afloop zat ze in een café en noteerde ze haast niets, alleen dat de tekst zal vergeten door wie hij is geschreven, maar ook niet zal onthouden door wie hij wordt gelezen.



Het liefst vergeet ik tijdens het lezen wie de schrijver is, maar daarbij vergeet ik het liefst ook dat ik de lezer ben. In plaats daarvan is er een tekst die een eigen bewustzijn lijkt te hebben, niet in zijn geheel te doorgronden door schrijver noch lezer.

Op een donderdagmiddag vlak voor de hondsdagen stond ik weer in de boekhandel en opende ik uit het zicht van de manager af en toe een clandestiene webpagina, meestal een nieuwssite, tegen de verveling. Ik zag dat er iets was gebeurd met een vliegtuig en voor dat soort gebeurtenissen heb ik een, volgens mijn moeder, morbide belangstelling. Die belangstelling is geen zeldzaamheid. Het lijkt soms alsof iedereen zit te wachten op iets onvoorstelbaars, om de stroperige loop der dingen te onderbreken. Ik klikte steeds maar op vernieuwen en met elke klik werd het nieuws groter en ontstond in bulletpoints een raadselachtig maar zeer droevig verhaal. Geschiedenis is iets waarvan je graag wel en niet deel uit zou maken: ik ben blij dat ik de oorlog heb gemist, maar ik heb, in tegenstelling tot mijn grootouders, door mijn kalme leven vrij weinig om over te vertellen. Wel stelde ik me altijd voor dat het zomaar oorlog kon worden. Ik had een geheim doosje met daarin mijn zakgeld, elastiekjes, gestolen koekjes, lucifers en een zakmes. Alles wat je nodig had, mochten ‘ze’ ineens komen, een herinnering uit een atavistisch geheugen. Net zoals de revolver, en later, toen wapenbezit verboden werd, sloophamer, die mijn opa in zijn nachtkastje bewaarde, voor als ‘ze’ ineens zouden komen, ‘s nachts.

Nu is hij bijna alles vergeten, maar ‘zij’ zijn nog altijd een mogelijkheid alsof ze niet in een ver verleden zitten opgeborgen, maar in een zich almaar duplicerend heden nog steeds voor de deur stonden en zullen staan.

Uit de verte hoorde ik een vreemd, repetitief geluid, diep en schel tegelijk. Ik keek op en zag de manager vanuit het achterste gedeelte van de winkel gebaren dat ik niet uit dat raam moest blijven kijken.


In de dagen erna wilde iedere klant naast de aankoop van een boek graag ook even een verhaal kwijt over de vliegtuigramp. De buren van een neef die met het hele gezin op vakantie zouden gaan, de studiegenote van een dochter, leden van het voetbalteam van mijn rij-instructeur, het gezin van de collega van de man van mijn collega in de boekhandel. Er werd veel met hoofden geschud: de verhalen van mensen die iemand kenden, van nabij of via via, die er ineens niet meer waren. Dat ‘ineens’ is natuurlijk de steen die op de maag blijft liggen, weigert door het lichaam opgenomen te worden en het ook niet zomaar meer verlaat.

In de afleiding en verwarring die was ontstaan door de ramp, besefte ik dat mijn eigen leven zich al heel lang niet meer in de vloeiende loop der dingen bevond. Deze zomer was het zesjarige jubileum van mijn dienstverband in de vorm van een nulurencontract. Ik was weliswaar langdurig weggeweest – ik had gehoopt voorgoed – om Italiaans te leren in Rome, maar nu stond ik toch weer hier. Af en toe kwamen er oud-studiegenoten langs in de boekhandel, die op een van de ministeries of in een museum in de buurt werkten, en ik dook dan instinctief weg achter wat dozen, of rende naar de kunstafdeling helemaal achterin, zodat ze me niet zouden zien. Zodat ze me niet zouden zien als een belofte waarvan niets terecht was gekomen, al hoopte ik dat ze me eigenlijk gewoon waren vergeten. Ik zag dat een collega, die er al veel langer dan zes jaar werkte, mijn duikvlucht had opgemerkt. Maar zij had geen nulurencontract, zo probeerde ik mijn schaamte wat te blussen.

Ooit was ik gelukkig geweest met deze baan, die ik had genomen om nog meer boeken te kunnen lezen, al stond ik in de praktijk vooral boeken in te pakken, of vertelde ik mensen over boeken die ik zelf nooit zou willen lezen. Er kwamen toen vaak studiegenoten langs die vroegen hoe ik aan dit bijbaantje was gekomen, vrienden van de kunstacademie die advies wilden over een boek, of mijn voormalige geliefde die af en toe een koffie langs kwam brengen omdat er in het keukentje alleen een Senseo-apparaat stond. Van mijn salaris kocht ik driftig winkeldochters op, boeken over fotografie en wandelen, boeken zonder plot, geschreven door vrouwen van wie ik de naam niet kende, tentoonstellingscatalogi van jaren terug, nooit opgehaalde bestellingen, en een boek over polyfonie in de kunst van de eenentwintigste eeuw.


Ik weet niet precies wat het eindpunt was van mijn carrière als assistent-boekverkoper, omdat ik me na dat verwachte eindpunt nog steeds in de winkel bevond, achter de kassa, bij elke gelegenheid uit het raam starend. Nadat ik mijn studie kunstgeschiedenis had afgerond, bleef ik er toch maar werken, omdat een nulurencontract me beter leek dan geen contract. Mijn specialisatie was ‘theory of contemporary art’. Veel mensen ­vragen me wat dan precies het verschil is tussen moderne en ‘contemporaine’ kunst. Kunsttheoreticus Peter Osborne zegt dat het contemporaine een ‘disjunctie van een veelvoud van het heden’ is. Dat herhaal ik maar niet, maar ik heb er wel over nagedacht. Bevinden we ons in een alsmaar vermenigvuldigend heden? Omdat we niet kunnen kiezen wat van de geschiedenis te onthouden en wat te vergeten en we ons daardoor geen voorstelling meer kunnen maken van de toekomst?

Veel mannen op leeftijd lijken alleen maar boeken over de oorlog te kopen. We hebben ook een goedlopende specialisatie in bunkers. ‘Bij wie moet ik zijn als ik een vraag heb over een boek?’ vragen ze aan mij. ‘Welk boek zoekt u?’ vraag ik terug. Meestal volgt er dan een korte stilte waarin ze zich omdraaien en door de winkel turen om te zien of er iemand is die er wel uitziet alsof hij iets van boeken afweet. Als ze dan de manager zien zitten, zeggen ze ‘o, ik zie het al, vriendelijk bedankt’. Even later komen ze schoorvoetend of boos terug omdat de manager ze weer heeft doorverwezen naar mij, zijn collega.


In het vliegtuig had ook een grote groep onderzoekers gezeten. Een van die mensen was een uiterst beminnelijk overkomende hoogleraar wiens hele leven, zo las ik in een in memoriam, in het teken van aidsbestrijding had gestaan. Terwijl ik over hem las, kwam de baas vanuit zijn kantoor naar beneden om een rondje door de winkel doen. Wat ik aan het doen was, vroeg hij. ‘Daar word je niet voor betaald,’ zei hij. Een andere keer had hij gevraagd of mijn vader ook ‘zo’n asielzoeker’ was. In plaats van voor mezelf op te komen, was ik in de verdediging geschoten en had geprobeerd de hele geschiedenis waaruit mijn vader voortgekomen was in een notendop uit te leggen aan iemand die, zo bleek, daar volstrekt geen belangstelling voor had. Deze keer leek hij te denken dat mijn vader iets te maken had met het vliegtuig, omdat hij toch ook uit ‘die regio’ kwam. Ik zweeg, stofte een plankje af en toen hij weer naar boven was, klikte ik de website met het in memoriam open en las verder over het pionierswerk van de onderzoeker in de vroege jaren van de aidscrisis. Ik ben in de jaren tachtig geboren, wat een band met dat decennium schept, maar tot mijn spijt heb ik ze dus niet bewust meegemaakt. Er lijkt van die periode een belofte over te zijn die nog moet worden ingelost. De jaren negentig, in Nederland althans, leken voor even een voltooiing van de geschiedenis te zijn, waardoor uitstaande beloftes werden vergeten.


De moeder wier zoon niet meer te genezen was – dit waren de vroege jaren negentig, toen mensen aids hadden, in plaats van alleen hiv – zat samen met hem en zijn vader in zijn huiskamer. De zoon wilde nog even het balkon op. De arts zou later die dag komen voor het einde. Ze probeerde niet op de klok te kijken. Haar zoon was al een tijdje haast doorschijnend geworden, maar desalniettemin nog híér. De laatste keer op het strand, vertelde zijn tante, moesten zij en haar zussen hem aan twee kanten vasthouden, ‘anders waaide hij zo weg’.



In zijn kamerjas liep hij naar het balkon om nog eens naar de stad daarbuiten te kijken, om afscheid te nemen van Amsterdam.

‘Ach, jongen,’ zei de moeder toen ze hem daar met ontblote borst zag staan. ‘Kom toch naar binnen, straks vat je nog kou.’

Later had ze alles nog eens opgeschreven, niet met de hand, maar op de typemachine. In de ferme zwaai waarmee de inkt op het papier kwam zat niet de twijfel van haar schrijvende hand. Het was een feitelijk verslag: hoe de dag begon, wie er aanwezig waren, wat hij, haar zoon van vierendertig, nog had gezegd. Niets over het balkon. De begrafenis, wie er gekomen waren, welke muziek er werd gedraaid. Korte details uit zijn leven in Amsterdam en Berlijn. Het verslag had een begin, midden en eind, ware het niet dat er op ongeveer twee derde van de tekst, na twee witregels in grote letters ‘waarom’ was getypt en daarna vraagtekens die nog eens twee regels in beslag namen.


Ik was met mijn lunch op een bankje in de zon gaan zitten. Met één hand at ik mijn wrap, met de andere hield ik een boek vast. De wrap moest ik steeds op mijn schoot leggen als ik een bladzijde om wilde slaan. Ik had nog zo’n tien minuten om te lezen. Door het besef van die magere minuten verdampte mijn concentratie. Ik legde nu het boek op mijn schoot en at voorzichtig de rest van mijn lunch op. Waar de dagen eerst werden afgewisseld met het schrijven van mijn scriptie en het ritme van een langdurige relatie, leek deze zomer me daarvan het slotakkoord. Ineens werd ik bevangen door een onbestemd gevoel van enthousiasme, van verwachtingen, alsof het nog een vroege, zonnige ochtend was, van zich oneindig vermenigvuldigende mogelijkheden voor hoe het ook kon zijn, als ik gewoon maar zou stoppen met de laatste toon van het akkoord: de boekwinkel. Dan zou ik zo terugglijden in een vloeiende loop der dingen, een onderstroom die er altijd al geweest was, maar waar ik alleen de juiste opening in moest zien te vinden.



Net als mijn jong aan aids gestorven familielid, zou ik naar Berlijn gaan en daar zou ik, voor even, niemand meer zijn, iemand wiens persoonlijke verhaal zou oplossen in de aanwezigheid van zoveel echte geschiedenis. Hij was gestorven in 1990, het begin van het einde van de geschiedenis. Toch lijkt het alsof hij er nog is, hij is alleen niet nu, hier, maar wel in het archief. In dat archief zou ook de sympathieke onderzoeker komen en misschien kon daar een extra kamer voor ze worden gemaakt, een gemeenschappelijk verhaal. Mijn pauze was om en ik haastte me terug, de manager zei er gelukkig niets van. De wrap lag zwaar op de maag, een klant moest zijn trein halen en een cadeau hebben, dat ik voor hem moest uitzoeken en ook inpakken, graag. Ik liet hem het boek van de maand zien, prima, zei hij, en ik pakte het gauw voor hem in. Nadat hij weg was, werd het weer stil en moest ik nog vier uur voordat de kassa kon worden geteld. Ik was moe en vergat Berlijn.