Honderdachtenzeventig botten

Het begon ongeveer een jaar geleden, al besteedde ik er toen nog niet zo veel aandacht aan. Ik dacht eerst namelijk dat het gewoon etensresten waren, botjes die overblijven na het afkluiven van kip of spareribs. Je vindt ze op de vettige stoep voor automatieken en op plekken waar grote groepen mensen iets hebben gevierd: kermissen, bruiloften, straatfeesten. Na afloop ligt de grond bezaaid met kurken en bierdopjes, en ook met allerlei etensresten, waaronder botten. Maar ik zag de botten op heel andere plekken liggen: gewoon op straat, midden in het drukke zakencentrum, of op de stoep ergens in mijn eigen buurt – een heel rustige buitenwijk – en in het begin kwam ik nooit meer dan één bot tegelijk tegen; het kon hier dus onmogelijk gaan om de restanten van een feest. Vaak kwam ik er echter ook dagen geen een tegen, dus grote zorgen maakte ik me nog niet.

Pas toen ze me begonnen te volgen kregen ze me echt in hun greep en ik brak me er het hoofd over waar ze vandaan kwamen. Op een dag ging ik op mijn werk naar de wc – het middelste hokje, zoals altijd – en toen ik klaar was keek ik nog eens om. Daar zag ik een dof wit botje liggen, iets gekromd en niet veel langer dan een pen. Even dacht ik dat er iets mis was met mijn ontlasting en het kwam zelfs in me op dat ik een bot had uitgepoept!

Niet lang daarna vond ik onder mijn bureau een bot in een vreemde, enigszins gebobbelde, halfronde vorm. In de bus terug naar huis voelde ik iets prikken in mijn bil en toen ik opstond lag er op de gedateerde stoffering van de stoel een klein werveltje. Algauw lag er weer een bot in de wc op kantoor, ik denk dat het een stukje schedel was deze keer. En toen kwamen de botten met me mee naar huis: bijna elke ochtend lag er wel wat op de mat voor mijn deur. Vervolgens duurde het niet lang voordat ik wat vond ín mijn huis en toen wist ik het zeker: het was de bedoeling dat ik de botten vond, het was de bedoeling dat ik ze verzamelde.


Ik ging de deur niet meer uit zonder mijn rugzak en wat ik overdag vond nam ik mee terug naar huis. Midden in de woonkamer gooide ik mijn buit op een hoop en vulde die aan met wat er zich zoal in mijn huis verzamelde: een rib uit de wasmand, een handje botsplinters naast de snijplank, een vierkant blokje op de rand van de badkuip dat ik alleen als bot herkende door de doodse kleur. Toen ik op een avond naar een film keek (over een landschapsschilder die van zijn blindheid geneest) trof ik tussen de kussens op de bank een fors bot aan dat er precies zo uitzag als in tekenfilms.

Ik vond er steeds vaker meerdere bij elkaar, alsof er op die plek lang geleden een dier was doodgegaan en het hoopje alles was wat er van was overgebleven. In een woestijn zou het misschien niet verbazen skeletten te vinden: droogte en warmte doden het dier en zorgen ervoor dat zijn geraamte netjes bewaard blijft, goed zichtbaar op de grond. Maar in een grote stad gaat dat anders. Als daar dieren sterven worden ze snel weggehaald – er zijn mensen die zich uitsluitend bezighouden met het opruimen van kadavers. En anders worden ze wel opgegeten door al het hongerige ongedierte dat ook in de stad leeft. Het is hier bovendien een stuk vochtiger. Zeker weet ik dit alles natuurlijk niet, maar waarvan ik wel overtuigd ben, is dat de overblijfselen van een lang geleden gestorven dier niet thuishoren op een fietspad in het zakendistrict, tussen zakken chips in de supermarkt of in de wc’s die ik bezoek, en natuurlijk dacht ik weleens dat ik ten prooi was gevallen aan luchtspiegelingen.

Steeds weer gooide ik ‘s avonds de botten op de grond, mijn woonkamer raakte almaar voller. Ik spreidde de botten voor me uit en probeerde te bepalen van welke diersoort ze afkomstig waren en in welke volgorde ze hoorden. Eerst dacht ik dat het om de botten van vogels ging: er zaten veel lange, dunne tussen en ik veronderstelde dat ze samen vleugels vormden. Dus maakte ik van alles wat ik verzameld had vleugels, en gebruikte hiervoor elk plat oppervlak in mijn huis: de vloer, de tafel, de bank – zelfs op mijn balkon spreidden mijn dode vogels hun vleugels. Maar dan ook alleen hun vleugels, helaas, want ik hield veel te weinig over om lijven van te maken. Bovendien ontbraken de kopjes.

Een tijdlang keek ik op straat uit naar botten die mijn vogels hun lijf konden teruggeven, of misschien zelfs wel hun kop en snavel, maar ik bleef vooral lange botten vinden en moest me erbij neerleggen dat het geen vogels waren.

Zo kwam ik op het idee dat het om de resten van honden en katten moest gaan. Dat zou ook verklaren waarom ik ze zomaar in de stad vond: honden en katten zijn, op vogels na, eigenlijk de enige grotere dieren die daar leven en sterven. Met beide dieren kwam ik een heel eind: de poten, de ribben, zelfs de bekkens wist ik redelijk compleet te maken en algauw lagen er in mijn woonkamer tweeënhalve kat en een grote hond waarvan alleen een achterpoot en de onderkaak ontbrak. Toch klopte er iets niet. Ik begon wat heen en weer te schuiven met willekeurige onderdelen en ontdekte zo tot mijn afschuw dat ik de meeste voor zowel de honden als de katten kon gebruiken. Het besef dat de opdracht die mij was opgelegd een volstrekt zinloze was maakte zich van me meester. Met de honderden botten die ik in huis had, had ik ieder dier wel kunnen maken.



Er brak een periode aan waarin ik niet wist wat ik aan moest met de botten. Het leek me in elk geval onverstandig ze te laten liggen in de vormen van een of twee katten en een of twee honden, oneerbiedig bovendien: op een bepaalde manier voelde het als een ontheiliging van de opdracht die me was gegeven. Ik stopte alles in zakken en borg die op.

Dat ik van de botten iedere diersoort kon maken had als consequentie dat het geen zin had méér botten te verzamelen, zo voelde ik dat heel sterk: ik zou alleen maar nog meer soorten kunnen maken, en waarschijnlijk nog altijd incomplete exemplaren of – misschien nog wel erger – de verkeerde. Het kwam derhalve zover dat ik de botten maar gewoon liet liggen.

En als vanzelf verdwenen ze, heel vreemd was dat. Op een dag kwam ik ze simpelweg niet meer tegen. Even leek mijn leven weer wat normaler te worden, maar met het verdwijnen van de botten kwamen de dagen algauw leeg op me over. Ik bleef naar ze uitkijken, en hoewel ik ze nergens vond, zag ik ze overal: de pijlers onder de spoorbrug zijn natuurlijk veel groter, maar hun vorm... En de kleur van het beton waaruit deze stad is opgetrokken veroorzaakte telkens weer een vreemd soort opwinding, soms kreeg ik er een droge mond van. Zelfs de schelpjes op de wandelpaden in het park zijn eigenlijk een soort botten: wat maakt het uit dat schelpdieren binnenstebuiten leven, verandert dat hun botten in vlees en hun vlees in botten? Ook van hen zijn het uiteindelijk de botten die overblijven. Ik stond ervan versteld hoeveel dingen kleurloos zijn, kleurloos als bot: benen in panty’s, het papier dat we bedrukken met inkt, de gezichten van de mensen om me heen en de wolken die zich opblazen en uitrekken alsof ze iets zwaars in de lucht moeten houden.

Maar echte botten vond ik niet meer, dus had het geen enkele zin mijn huis nog te verlaten. Ik sloot mezelf op en na een week stopte mijn baas met bellen. Eerst was alles heel gewoon en zagen mijn dagen er niet zo anders uit dan de avonden die ik voorheen doorbracht in mijn huis na afloop van een werkdag: ik las een boek, keek tv of kookte een vegetarische maaltijd. Ik ruimde de dingen op die opgeruimd moeten worden op en maakte schoon wat vies was geworden. Ik zorgde, kortom, voor mijzelf en voor mijn spullen.

Maar nu ik erop terugkijk denk ik dat de vuilniszakken vol botten die ik achter in mijn kledingkast had opgeborgen nog altijd een grotere invloed op me hadden dan ik kon of wilde inzien. Natuurlijk had ik in de gaten dat ik afstand bewaarde tot mijn kast. En ik wist ook heus wel dat het een leugen was dat ik niet langer van kleren wisselde omdat ik toch geen mensen meer onder ogen kwam. Maar ‘weten’ werd een steeds rekbaarder begrip en daarmee op den duur juist steeds stugger, als een hard en grijs geworden elastiek, en op een dag stopte ik met eten en drinken.

De duizelingen begonnen na een paar dagen. Ze gingen over in dagdromen, die algauw nachtmerries werden, totdat niet meer duidelijk was of ik wakker was of dat ik sliep en of wat ik dacht of droomde goed was of juist kwaadaardig.

Het ging snel daarna en op een ochtend niet lang voor het einde trof ik mezelf voor de spiegel aan in een lichaam dat ik niet echt als zodanig herkende. Mijn ogen waren zwarter dan ik me herinnerde en mijn oogwit was grotendeels verdwenen achter mijn trillende oogleden. Ik vroeg me af waar dat gegrinnik vandaan kwam. Mijn blik zakte af naar mijn borst waar het haar verdwenen was, ik kon mijn ribben tellen en deed dat een paar keer. Mijn huid was blauw geworden, maar tegelijkertijd ook lichter – ze was doorschijnend nu, zonder dat ik kon zien wat ze verborgen hield: botten natuurlijk, tweehonderdzes botten die alles dragen. Maar ik wist dat er méér was en dat de kwestie van de botten slechts een aanwijzing was, een opdracht die moest leiden tot een oplossing. De botten waren geen doel op zich, ineens werd me dat duidelijk. Ik richtte mijn blik weer op en omdat ik dode ogen vond keek ik verder omhoog, langs de nu goed zichtbare bliksemschicht in mijn schedel, naar boven, steeds hoger. Ik viel achterover, hard.

Ik weet niet hoeveel later ik wakker werd – een uur misschien, een dag. De honger was verdwenen en mijn hoofd was helderder dan ooit. Ik wist meteen wat ik moest doen. In de slaapkamer viel ik op mijn knieën voor de kledingkast en op de tast vond ik de volgestopte zakken, ze leken nog zwaarder dan toen ik ze opborg. In de woonkamer spreidde ik de botten voor me uit en zonder dat ik ze hoefde te helpen legden mijn handen ze zo neer dat de enige juiste gestalte ontstond: het skelet van een man. Hij was niet compleet – zijn linkerhand ontbrak, mijn schrijfhand – maar ik was er zeker van dat ik op de goede weg was, dat ik alleen nog maar de allerlaatste door de stad verspreide botjes moest vinden.


Sindsdien zwerf ik weer door de straten, op zoek naar de hand, naar de botten die die hand moeten vormen. Ze zijn klein, dat weet ik, en het zijn er veel, achtentwintig om precies te zijn, maar ik ben geoefend en mijn ogen zijn goed. Soms kruip ik, om geen centimeter te missen, en af en toe vraag ik andere mensen om hulp. Help me mijn hand vinden, zeg ik dan.

Ik heb hem nog altijd niet gevonden, maar de man met licht gespreide armen en benen op de vloer van mijn woonkamer zegt me dat ik niet moet opgeven.