Eén voor allen, allen voor één!

Het eerste deel van de oproep wordt uitgesproken door een enkele stem, het tweede deel in koor. Hopelijk na een niet al te lange pauze, hopelijk zonder aarzeling. We zijn geneigd om de woorden te horen als bewijs van kameraadschap – een ouderwets woord, maar ‘vriendschap’ klinkt hier te zwak. Het gaat immers om de bereidheid jezelf voor anderen op te offeren, te sterven als het moet. Een dergelijk offer veronderstelt dat die anderen belangrijk genoeg zijn, de band hecht genoeg om het offer te brengen. Dumas maakte de zin bekend, maar de woorden vinden hun oorsprong niet bij hem. Ze gaan ten minste terug tot 1618, toen vier katholieke regenten in Praag zich geconfronteerd zagen met een menigte protestanten, woedend over maatregelen die hun godsdienstvrijheid hadden aangetast. De regenten proclameerden dat ze samen sterk zouden staan, één voor allen en allen voor één, ook als dat betekende dat ze hun levens, ledematen, eer en eigendommen zouden verliezen. Ze dachten dat ze hoogstens gearresteerd zouden worden, maar wat wachtte was defenestratie: ‘uit het raam naar beneden gooien’. Formeel of grappig, vermeldt het woordenboek bij die term, want dat zijn de twee zijden van de kloof als het gaat over geweld. We kunnen ons terugtrekken in officiële termen, of er net te harde grappen over maken. Of we kunnen de schade die wordt aangericht verbergen achter motto’s. Eén voor allen, allen voor één! Moeilijker is het om een gesprek te voeren zonder uitroeptekens.

Eén voor allen! Voor jou duizend anderen.

De mogelijkheid van een offer impliceert inwisselbaarheid. Het leven van de een is inwisselbaar voor dat van alle anderen, de levens van alle anderen desnoods voor dat van een persoon. Kameraadschap is misschien het allersterkst onder soldaten in oorlog, en daar is ook de inwisselbaarheid het grootst. Van oudsher worden soldaten als pionnen ingezet, stukken met weinig waarde, waarvan het niet erg is als ze sneuvelen voor een hoger doel. Moderne westerse oorlogsvoering is anders, niet in de laatste plaats omdat soldaten duurder zijn geworden. Of een leven inwisselbaar lijkt, hangt uiteindelijk af van hoe dicht je bij dat leven bent. Van hoe goed, hoe precies je dat leven kunt zien. Voor ons zijn mierenlevens weinig waard, en onderling inwisselbaar. Voor mieren zelf ook, want de kolonie gaat altijd voor. Er bestaan mieren die zichzelf opblazen om hun kolonie te redden van vijanden. Populairwetenschappelijke artikelen noemen dat offer altruïstisch en heldhaftig, een perspectief dat we zelden kiezen voor menselijke zelfmoordterroristen.

Elk groot conflict vereist dat de vijand minder menselijk wordt en meer als een mier of een mug: eenvoudig dood te slaan. Dus is het gebruikelijk om over genocide te praten in termen van kakkerlakken en ongedierte dat moet worden opgeruimd. Geweld maakt een ding van de ander, een niet-mens of niets meer. Dat is eenvoudiger wanneer de vijand ook voor dat geweld al geen echt mens was. Moderne oorlogsvoering plaatst liefst drones of andere afstandelijke wapens tussen ons en de dood van een ander, maakt van geweld een visueel spektakel of een abstracte verzameling van pixels. De vijand is inwisselbaar; ‘onze jongens en meisjes’ zijn dat niet. Empathie is een mooie eigenschap, maar eenvoudig te manipuleren. Hoe meer we voelen voor de pijn van degenen die dicht bij ons lijken, des te minder meegevoel er overblijft voor anderen. In de twintigste eeuw hoopten de communisten dat nationale identiteit minder belangrijk zou zijn dan die van klasse, dat de arbeiders aller landen zich zouden verenigen. We weten hoe dat afliep, maar aan die teleurstelling ging een proces vooraf.

Van de vier Praagse regenten werden er twee vrijgelaten. Ik stel me voor dat ze wat haastig de kamer verlieten, zonder om te kijken naar de mannen die achterbleven. De overige twee, en een secretaris, werden uit het torenraam gegooid, eenentwintig meter boven de grond. Ze overleefden de val. Volgens de katholieken kwam dat door een wonder, volgens de protestanten doordat ze op een mestvaalt vielen. Het incident werd aanleiding voor de Boheemse opstand, en daarmee voor de Dertigjarige Oorlog. Naar schatting kostte die oorlog aan meer dan acht miljoen mensen het leven, voordat in 1648 de Vrede van Westfalen werd getekend.

Twintig jaar later leidden herfststormen tot verwoestende overstromingen in de Zwitserse Alpen. Op dat moment was het land pas twintig jaar een staat, gesticht in diezelfde Vrede van Westfalen. In per tuts, tuts per in! Na de overstromingen werd dat de slogan van een Giro 555-campagne avant la lettre. Kranten uit het hele land herhaalden de woorden, verleidden zo hun lezers gul te geven aan mensen die kort daarvoor nog vijanden waren geweest. Een slogan is pas nodig als iets niet vanzelfsprekend is.

Van oudsher stonden Zwitserse soldaten erom bekend moeilijk inwisselbaar te zijn: ze waren vatbaar voor nostalgie. Wij associëren nostalgie vooral met tijd, maar het woord heeft meer met plaats te maken: thuispijn. Nostalgie verwees naar de pijn van een zieke die zich niet in zijn thuisland bevindt, of bang is dat hij dat land nooit meer terug zal zien. Vroeger was het een serieuze diagnose, waarvoor Zwitserse soldaten bijzonder vatbaar werden geacht. Het schijnt dat er een herdersliedje bestond met zo’n dramatisch effect op de Zwitsers dat men het niet mocht zingen, fluiten of neuriën. Als soldaten waren de mannen onderling inwisselbaar, kanonnenvoer. Maar onder die abstractie school het gemis van individuen, het verlangen naar een specifieke plek die ze altijd al kenden, en naar de wereld die daarbij hoorde.

Eén voor allen!

En dan blijft het stil. De soldaten die we met zo veel graagte de oorlog in sturen, zijn vaak aanmerkelijk minder populair wanneer ze terugkomen. Ze zijn niet meer de helden die we zo trots wegstuurden, maar een pijnlijke herinnering aan wie we toen waren en waar we op hoopten. Dus beknibbelen we op schadevergoedingen en andere steun. Sommige mieren brengen gewonde soortgenoten terug naar het nest, dragen ze op hun rug, maken hun wonden schoon. Maar uitsluitend als de slachtoffers niet te erg gewond zijn, niet te veel poten missen, als ze zichzelf nog kunnen oprichten.

Wij zijn met z’n allen en zij zijn alleen.

Wytske Versteeg (1983) publiceerde de romans Quarantaine, Boy, De wezenlozen en het non-fictieboek Dit is geen dakloze. Ze won onder andere de BNG Literatuurprijs en de Vrouw Debuutprijs. Haar werk werd vertaald in zes talen. Haar recentste roman is Grime, over de poreuze grens tussen waarheid en waanzin. Eind 2019 verschijnt bij Querido Verdwijnpunt, een essay over trauma en thuishoren. 

Meer van deze auteur