Patatburgers en volksvleiers opgelet: Aristoteles is terug

door Dick Pels

Politica, Aristoteles, Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Jan Maarten Bremer en Ton Kessels, Historische Uitgeverij, 2012

‘Leven in geluk valt eerder ten deel aan mensen die zich door karakter en verstand bijzonder onderscheiden en in het verwerven van uitwendige goederen maat weten te houden, dan aan hen die van de laatste dingen meer bezitten dan goed voor hen is, maar in eerstgenoemde tekort schieten… De vrijheid om maar te doen wat men wil kan geen bescherming bieden tegen het slechte dat in ieder mens aanwezig is.’

Aristoteles is back in town. Aanleiding en oorzaak: het driedubbele failliet van het roofkapitalisme, de on-verschillige cultuur van ‘vrijheid blijheid’ en de verkapte religie die deze legitimeert: de neoliberale ‘wetenschap’ der economie. Zijn beroemde onderscheid tussen het natuurlijke, op welzijn gerichte huishouden (oikos) en de onnatuurlijke, want grenzeloze, vermogensvorming (chrèmatistikè) bevat een scherpe veroordeling van de neoliberale Homo economicus en diens perverse mantra ‘greed is good’.

Dat economische groei geen doel is, maar hooguit een middel tot het goede leven, dat dit laatste niet bestaat uit ‘meer en meer’ maar uit ‘goed genoeg’, dat vrijheid niets voorstelt zonder zelfbeheersing en opvoeding tot voortreffelijkheid, dat de economie geen waardevrije maar een ethische wetenschap is en dat de vrije markt aan politieke teugels moet worden gelegd: al deze aristoteliaanse waarheden zijn wij, door materiële schade en morele schande gelouterd, opnieuw aan het uitvinden.

Het besef dat het neoliberale kapitalisme en het absolute individualisme op hun fysieke, ecologische en culturele grenzen zijn gestuit, wordt inmiddels wereldwijd uitgedragen door neo-aristoteliaanse filosofen als Martha Nussbaum en Michael Sandel, groene denkers als John Barry en de beide Skidelsky’s, sociaal-democraten als Geoff Mulgan en Maurice Glasman, gelukseconomen als Richard Layard en conservatieven als Philip Blond. In Nederland uiten denkers als Hans Achterhuis, Marius de Geus, Joep Dohmen en Arjo Klamer dezelfde kritiek. Ook de Wiardi Beckman Stichting verwoordt in haar Van Waarde-project neo-aristoteliaanse bezwaren tegen dezelfde neoliberale cultuur en economie die haar moederpartij de PvdA in een onnatuurlijke coalitie met de VVD een tikkeltje probeert te verzachten.

Licht gemeenschapsdenken

Het WBS-project laat met zijn nadruk op bestaanszekerheid en binding ook een risico zien van de neo-aristoteliaanse benadering: dat we weer teruggrijpen op een ouderwets gemeenschapsdenken dat de individuele vrijheid te veel onder druk zet. Bij Aristoteles gaat de politieke gemeenschap (het geheel) ‘van nature’ vooraf aan de samenstellende delen: de huishoudens en de individuen, en wordt zij samengesmeed door een gemeenschappelijke opvoeding en de aanvaarding van dezelfde waarden. Wie niet aan de gemeenschap kan of wil deelnemen omdat hij zichzelf genoeg is, is in zijn beroemde frase ‘ofwel een beest of een god’.

De onafhankelijkheid (autar-keia) die geldt als hoogste goed van de polis wordt door Aristoteles misprezen als ‘zelfgenoegzaamheid’ zodra het gaat om onafhankelijke individuen.

Maar individualiteit wordt niet alleen mogelijk gemaakt door de eraan voorafgaande gemeenschap: zij moet evengoed worden veroverd tegen de weerstand van de gemeenschap in. De individualisering heeft moderne mensen in die zin meer tot goden én beesten gemaakt. In de lichte gemeenschappen van de huidige internetwerksamenleving worden de ‘alleen oprukkende stenen in het damspel’ niet, zoals door Aristoteles, meteen gewantrouwd als agressieve ondermijners van de groepssolidariteit. Zij worden gekenmerkt door een nieuw evenwicht tussen individu en collectief waarin ‘anders zijn’, exitmogelijkheden en het productieve gebrek aan consensus over waarden en levenswijzen zwaarder worden gewogen.

Ter verdediging van Aristoteles moet worden gezegd dat hij de politieke gemeenschap niet definieert als homogeen maar als een ‘veelheid’, als de organisatie van verschillen, en de totalitaire eenheidsgedachte van zijn leermeester Plato verre van zich werpt. De natiestaat moet niet als een quasi-persoon of in familietermen worden beschreven, maar eerder als een vorm van ‘vriendschappelijke saamhorigheid’. Maar er is wel een gerichte opvoeding van burgers nodig om een stabiele waardengemeenschap tot stand te brengen. De ideale staatsvorm is vrij van partijstrijd en burgertwist. Democratisch pluralisme, in de zin van een geregelde concurrentie tussen visies op het goede leven, deelbelangen, facties of instituties in een systeem van checks and balances, is aan Aristoteles niet besteed.

Republikeinse democratie

Zo maakt de fraai uitgegeven vertaling door Jan Maarten Bremer en Ton Kessels, nota bene de eerste integrale vertaling in het Nederlands, het mogelijk om opnieuw met de Griekse wijsgeer in gesprek te gaan. Dat is des te enerverender omdat Aristoteles ook in een ander opzicht terug is: als denker over het wezen (of de beste vorm) van de democratie. We worden daarbij wél gehinderd door een hardnekkig misverstand. Voor Aristoteles is een van de belangrijkste kenmerken van de democratische vrijheid ‘dat men om de beurt wordt geregeerd en zelf regeert’. Dit roulatieprincipe wordt meestal vereenzelvigd met de radicale ‘Atheense’ opvatting van democratie waarin deze letterlijk wordt genomen: als de directe, onbemiddelde heerschappij van het volk.

Deze ‘republikeinse’ opvatting van de burgervrijheid heeft in de politieke geschiedenis een dramatische carrière beleefd. In de moderne tijd heeft zij via Rousseaus notie van de algemene wil en de jakobijnse volksdemocratie (een pleo-nasme dus) grote invloed uitgeoefend op de totalitaire democratie-opvattingen van radicaal links (Lenin, Stalin, Mao) en rechts (Gentile, Schmitt). Maar zij klinkt evengoed door in meer gematigde en pluralistische ideeën over volkssoevereiniteit zoals die opgeld deden en doen in het denken over participatiedemocratie (Pateman, Barber), het linkse populisme van de jaren zestig (‘power to the people’) en het rechtse populisme van nu (‘eigen volk eerst’). Obama herhaalt graag de slogan van zijn voorganger Lincoln dat democratie de heerschappij is ‘van, door en voor het volk’. Ook in Nederland vindt de republikeinse opvatting van burgerschap als publiek ambt, waarin idealiter de burger beurtelings regeert en geregeerd wordt, nog steeds aanhang zowel in linkse (bijv. Van Gunsteren, Tonkens) als in conservatieve kring (Spruyt).

Maar het misverstand rond Aristoteles is dat hij de letterlijke democratie en de bijbehorende verabsolutering van vrijheid en gelijkheid juist expliciet verwerpt. De beste staatsinrichting is immers niet de democratie, maar een mengvorm van aristocratie en democratie die hij de politeia noemt (kenmerkend voor Aristoteles’ essentialistische denktrant is dat dit ook de generieke aanduiding is van de politieke gemeenschap: het wezen van iets is zowel de algemene als de ideale vorm). Het Atheense democratiemodel wordt door Aristoteles (een Macedoniër die formeel altijd een allochtoon bleef in Athene) beschouwd als een ontaarde variant van de best mogelijke staatsvorm. Zijn twintigjarige studie bij Plato, wiens academie op een half uurtje gaans van de Atheense agora lag, had hem een ruim zicht gegeven op de werking van de directe democratie in de bloeiende stadstaat.

Gekozen aristocratie

De mens is ‘een politiek dier’, aldus Aristoteles’ bekendste oneliner. Maar juist als het gaat over politiek blijkt deze algemeenheid in strikte zin alleen te gelden voor de kleinste minderheid. De meeste mensen hebben geen zin of tijd om politieke dieren te zijn, en laten het edele (of dierlijke) handwerk liever aan anderen over. Om zich te kunnen ontplooien tot politieke voortreffelijkheid moet een burger beschikken over veel vrije tijd en voldoen aan hoge intellectuele en morele maatstaven. Iedere burger heeft dus het recht en de mogelijkheid om deel te nemen aan beslissingen en bestuur, ‘maar alleen zij die de tijd ervoor kunnen vrij maken doen dit ook werkelijk’. Dat de staatsburger het vermogen bezit om te regeren en geregeerd te worden moet dan ook eerder worden opgevat als een potentie en een voorwaarde: hij moet voldoende materieel vermogen hebben om over vrije tijd te kunnen beschikken, en voldoende moreel vermogen om zelfstandig te kunnen oordelen. Dat betekent dat het dagelijkse bestuur in feite toevalt aan een kleine elite van ‘voortreffelijken’.

Aristoteles kan dan ook met meer recht worden gezien als een voorloper van de elitetheorie van de democratie (Michels, Schumpeter, De Man, De Kadt, Van Doorn) of van de theorie van de ‘gekozen aristocratie’ (Bonger, Manin, Rosanvallon, Ankersmit, Frissen) dan als de kampioen van de platte meerderheidsdemocratie. Wie dient de soevereine macht in de staat uit te oefenen, de besten of de meerderheid? Aristoteles stelt: geen van beide, of allebei: ‘dat iedereen de mogelijkheid krijgt te regeren is het democratische aspect, dat de ambten in feite door aanzienlijken worden bekleed het aristocratische’. De politeia is een mengvorm van democratie en aristocratie, waarin de macht van het getal in balans wordt gebracht met de toedeling van de bestuursambten naar persoonlijke voortreffelijkheid. (Een complicatie is dat Aristoteles de aristocratie nogal eens verwart met de ontaarde vorm ervan: de oligarchie, waarin de rijken heersen. Maar dat is niet omdat de rijken per definitie de besten zijn, maar omdat alleen zij voldoende tijd kunnen vrijmaken voor politiek.)

Het verbaast daarom niet dat Aris--toteles (net als Plato) harde woor-den spreekt over de democratie ‘waar niet de wet maar het volk soeverein is’ en waar de volksleiders (Grieks: demagogen) hun kans krijgen. Zijn waarschuwingen zijn één op één van toepassing op het populisme van tweeduizend jaar later: ‘Het volk wordt dan tot een alleenheerser, één persoon samengesteld uit velen, want de meerderheid is er soeverein, niet als individuen maar als collectief’. Het gaat ‘trekken vertonen van een despoot, met het gevolg dat vleiers in aanzien komen’. De volksheerschappij verandert in een tirannie. Tirannen en volksleiders (de ‘vleiers van het volk’) vertonen hetzelfde karakter: beiden onderdrukken als despoten mensen die beter zijn dan zij. De invloed van de volksleider ‘berust hierop, dat alles wel bepaald wordt door het volk, maar de mening van het volk door henzelf, want het volk luistert naar hun woorden. En als mensen klachten hebben over bestuurders, zeggen zij dat het volk uitspraak moet doen; en het volk neemt de uitnodiging graag aan, met als gevolg dat het gezag van de bestuursambten wordt ondermijnd.’

Gelijkheid en vrijheid verabsoluteerd

‘Allen te laten beslissen over alles, is democratisch: dat is het soort gelijkheid waar het volk op uit is.’ De radicale republikein zal hier instemmend knikken; maar Aristoteles is juist sceptisch over deze opvatting van democratische gelijkheid. Te snel concludeert men immers ‘dat wie in enig opzicht gelijk zijn in alle opzichten gelijk zijn, omdat allen vrij zijn geboren’. In de oligarchie heerst de omgekeerde misvatting: dat wie in één bepaald opzicht ongelijk zijn, geheel en al ongelijk zijn. Voor beide opvattingen bestaat wel enige rechtvaardiging, maar in absolute zin zijn ze onjuist. Zo is gelijkheid in getal iets anders dan gelijkheid in verdienste. Een goede staat moet volgens Aristoteles het juiste midden houden tussen gelijkheid en ongelijkheid, zodat niet een van beide beginselen de overhand krijgt.

Terwijl gelijkheid in de democratie inhoudt ‘dat van kracht is wat het volk besluit’, geldt als vrijheid ‘dat ieder doet wat hij wil’. Maar dat is volgens Aristoteles een karikatuur van het goede leven, dat in plaats van door ordeloosheid juist wordt gekenmerkt door morele discipline. ‘Zich niet willen laten regeren, liefst door niemand, en anders hooguit om de beurt’ krijgt in dit licht een heel andere, negatieve lading. Het is de ideologie van de amorele patatburger die zich niets meer door anderen laat gezeggen en zich nergens op laat aanspreken: het omgekeerde van de beschaafde burger zoals Aristoteles die voor ogen heeft.

Een politiek van het midden en van de matiging

De (ideale) politeia wordt dus gekenmerkt door een productieve wisselwerking tussen burgers en bestuurders en door de juiste balans tussen gezag en gehoorzaamheid. De meeste mensen hebben geen tijd om frequent in volksvergadering bijeen te komen, en scheppen ook meer genoegen in productieve arbeid en geld verdienen dan in staatszaken. Mensen streven liever naar geldelijk gewin dan naar eer, en het feit ‘dat zij volledige zeggenschap hebben over de verkiezing van en de controle op magistraten’ komt volgens Aristoteles voldoende tegemoet aan hun eventuele behoefte aan aanzien. De bestuursambten zullen zodoende steeds in handen van de besten zijn, ‘terwijl het volk hiermee instemt en jegens vooraanstaanden geen afgunst koestert’. Zo’n regeling is ook voor de vooraanstaanden en aanzienlijken zelf bevredigend: ‘zij zullen niet worden geregeerd door wie hun minderen zijn, en zelf zullen ze rechtvaardig regeren omdat men hen ter verantwoording kan roepen’. Zo bereiken we de best mogelijke staatsinrichting: ‘dat vooraanstaanden regeren zonder zich te misdragen, terwijl het volk in geen enkel opzicht te kort wordt gedaan’.

Aristoteles’ kritiek op de doorgeschoten ‘volkspolitiek’ en de verabsoluteerde vrijheid-en-gelijkheid, en zijn pleidooi voor een politiek van matiging en evenwicht, treffen doel in een tijd dat ‘het centrum het niet langer houdt’ en de politieke extremen groeien. In een tijd van wild geworden hebzucht en perverse verspilling attendeert hij op de grenzen van de groei en consumptie en de risico’s van een nieuwe twee-deling tussen winnaars en ver-liezers. Mensen met een teveel aan voordelen (rijkdom, lichaamskracht, vrienden etc.) kunnen noch willen zich in zijn ogen door anderen laten leiden, terwijl mensen met een overmatig tekort aan dezelfde dingen veel te nederig zijn. In eigentijdse vertaling: de verliezers gaan gebukt onder materiële onzekerheid, culturele angst, gebrek aan zelfrespect en het neoliberale verwijt van ‘eigen schuld, dikke bult’. Het resultaat is ‘een maatschappij niet van vrije mensen maar van meesters en slaven, de laatsten vervuld van jaloezie, de eersten vol minachting’. Net als twee eeuwen geleden staat deze tweedeling haaks op de vriendschappelijke saamhorigheid die kenmerkend is voor de goede polis.