Bang of Slim

Daar op de top voelde ik me in een stemming die je ook tegengeluk zou kunnen noemen. Er was eenzaamheid voor nodig, het was een stemming van roezig en rustig egoïsme, een gelukkige wraak.

Ik dacht dat die roes een inwijding was en het onwelzijn van het geluk afkomstig van een magisch leren, een ritueel. Later werd het ondermijnd.
—Fleur Jaeggy, De gelukzalige jaren van tucht



Nee, maar wat zij zegt eigenlijk, terugkijkend op die ene jeugdvriendschap: alleen naar haar, diegene die mijn vriendschap, of eigenlijk mij, afwees, niet nodig had, ben ik blijven verlangen.


Zij, als in?


Zij als in de ik-figuur van Fleur Jaeggy in De gelukzalige jaren van tucht. Ik heb dus net een portretfoto uitgeprint, noem me maar fanboy, die hangt nu bij de bureaulamp.


Ellende verheerlijkend gezeik.


Ik ging het lezen door die nieuwe uitgaven van haar werk van Koppernik. Ze leeft en schrijft nog. Ik broed op een brief. Denk je dat ze... Wat?


‘Alleen naar dat wat je ontglipt blijf je verlangen.’ Ellende verheerlijkend. Romantiek zelfs.


Nee, nee. Ze verheerlijkt juist niets, dan vertel ik het niet goed. Het is niet sentimenteel. Ze kijkt terug op haar tijd op kostscholen, de leegheid en het verlangen, de machtsverhoudingen. Het is sexy, gevaarlijk schaamteloos ook.


Was ze bevriend met Walser, zei je dat?


Nee, zo begint die roman, de ik-figuur zit op een kostschool vlakbij waar Robert Walser in de sneeuw stierf. Jaeggy was bevriend met Ingeborg Bachmann. Een van de verhalen in de verhalenbundel gaat over haar. ‘De steriele kamer’ heet het. Of meer een impressie is het, verhaal is niet het goede woord.


Je gaat me nu verguizen, maar ik vind het zo donker. Bachmann sowieso. En dan dat aanbidden van de afwijzing, dat is zo... angstig. Ja, angstig.


Jaeggy zegt ergens: ‘Ik veroordeel de veroordelende.’


O, krijg ik nou de hele week quotes naar mijn hoofd?


Nee, pardon ook. Ja, donker. Jawel. Maar angstig nee. Eerder slim. Ik moest denken aan Wilde’s ‘Each man kills the thing he loves’.


Hoe?


In De gelukzalige jaren van tucht geeft de ik-figuur niet toe dat ze houdt van die vriendin. Of althans, ze ziet het niet zo. En als je niet toegeeft dat je van ‘the thing’ houdt, kun je het ook niet ‘killen’.


Jaja. Dus dan red je de geliefde, of het verlangen zo je wilt, door haar niet te willen.


Ja.


Maar. Sorry, waarom zou je niet, ik bedoel... Dan leef je in je verbeelding, dan spaar je jezelf, waarom zou je dat doen? Gevaar lopen is altijd de betere optie.


Waarom is niet een goede vraag.


Waarom? Nee. Grapje.


Ja, omdat, Jaeggy ervan uitgaat dat we hoe dan ook in onze verbeelding leven. Denk ik.


Hm.


Ze, ze schrijft mager. Het is ook schetsmatig in zekere zin, afwezig. Maar omdat het zo, ja, springerig is, of hoe zeg ik het, terloops, raakt het veel meer aan de werkelijkheid. Doorgaans ook niet doorwrocht.


Hm.


Je hebt personages die je uitleggen wie ze zijn, doorgaans vreselijk. En je hebt personages die zelf ook niet weten wie ze zijn, die zich oriënteren, die een gooi doen naar duiding. Ze zegt ergens in die korte verhalenbundel: ‘Ze wensten niets anders dan afstand doen.’ Dat lijkt ook voor haar verhalen te gelden.


Nou. Ik word unheimisch van dat ascetische. Van al dat afwijzen. Alsof er iets mis is met het volle leven. Meer angst dan iets anders.


Ja. Nee. Dat kun je wel stellen. Maar daar kun je toch niets van vinden? Hoe kun je de mensen nu angst kwalijk nemen? Of romanpersonages. Het gaat júíst over het volle leven. Het gaat over zusterschap, over een vriendschap die een liefde is die een vriendschap is. En een gevangenis. De ik van Jaeggy is een ontsnappingskunstenaar met heimwee naar de gevangenis.


Ik ga het niet lezen.


Dan lees je het niet.


Ik ga iets levensbevestigends doen.


Nou, geweldig.


Biertje?


Doe. Of nee, wodka, één klontje ijs. Lees het nou wel, lees die andere roman. SS Proleterka. Dan hoor je iets over het zachtmoedige in zwijgen en niet handelen en het agressieve in spreken en wel handelen.


Nee.