Luisteren door de ruis

Onze wereld zit vol kabaal dat de zintuigen afstompt. Maar luisteren verbindt ons met de wereld. Luisteren, gewoon luisteren naar geluiden is heilzaam en opzienbarend.

My intention in putting the stories together in an unplanned way was to suggest that all things – stories, incidental sounds from the environment, and, by extension, beings – are related, and that this com­plexity is more evident when it is not oversimplified by an idea of relationship in one person’s mind.
– John Cage


Now I will do nothing but listen, to accrue what I hear into this song, to let sounds contribute toward it.
– Walt Whitman


Augustus 2018 zat ik in de schemering op het terras van onze chalet in de Auvergne en luisterde naar de campinggeluiden: de universele joeltaal van kinderen die over de helling van het dal omhoog rolde; het geschrob van de buurman die zijn barbecueset schoonmaakte; het geknars van de wielen van een plastic tractor waarop een Franse peuter, gevolgd door zijn traag voortschrijdende moeder, voorbijreed; merelgezang en het rauwe gekras van een Vlaamse gaai in duikvlucht.

Ik hoorde slechts een enkele verdwaalde cicade. Het was de eerste keer dat ik in Zuid-Frankrijk was en de cicaden in de minderheid waren. Waarschijnlijk waren de winters in het middenhooggebergte van de Auvergne voor hen te koud om te overleven. De eerste dagen miste ik die gonzende deken van geluid die ik sinds mijn kindertijd associeerde met vrijheid, en die, aanzwellend naar het heetste punt van de dag, het ritme ervan leek te bepalen. Maar ik had er iets voor teruggekregen, iets anders vertrouwds: het geruis van bladeren, van elzen, populieren en andere loofbomen, ongehoord in de Provence, Drôme of Ardèche, waar door de wind niet te bespelen pijnbomen het decor vormden. We zagen het al aan de kleuren toen we hier aankwamen, groen voerde de boventoon, groen van de bomen, groen van het gras. Was het een slecht teken? Voorspelde het nattigheid? vroegen we ons af. Maar ik wist ook dat het geluid van dit gebladerte me op momenten het mooiste geluid op aarde had geleken.

Ik had die middag de laatste wijzigingen voor mijn roman naar mijn redacteur gemaild, een roman waarin geluiden het galmende middelpunt vormden. Zes jaar lang had geluid mijn bestaan bepaald. Het eerste jaar in de vorm van een storm die me meenam naar nooit vermoede plekken, in de vorm van een angst die heel langzaam uitdoofde en plaatsmaakte voor iets anders. Vervolgens de jaren waarin ik geluid een vorm probeerde te geven zoals geluid daarvoor mij vorm had gegeven. Nu, na de laatste redacties, was er een gevoel van afsluiting. Maar niet van geluiden. Ik leefde er nog steeds te midden van.

Mijn gehoorschors had dit zachte kraken uitvergroot als een megafoon

Ik luisterde naar de ruis in mijn hoofd. Hij was er de oorzaak van dat ik – tot verbazing van de kinderen – het gekabbel van de beek onderaan de camping hier op het hoogst gelegen terras niet hoorde. Ik wist zeker dat als ik dat geruis als een gordijn opzij kon schuiven ook ik het gekabbel zou horen. Kort, heel even maar, voelde ik iets van een gemis, maar er was geen onbehagen of gevoel van beklemming.

Hoe was ik hier gekomen? Hoe was dat geluid waarvoor ik ooit zo bang was geweest getransformeerd van iets apocalyptisch naar iets wat even bedreigend was als een zoemende kachel of passerend verkeer? Anders geformuleerd, in de vorm waarin lezers van mijn roman hem mij stellen: hoe gaat het verder met de hoofdpersoon na die laatste zin zonder punt die de tijd in schiet? En heeft die ervaring met geluid hem iets geleerd?

Net als ons brein is ons gehoor behalve uiterst complex ook uiterst dynamisch. Het past zich voortdurend aan de omgeving aan. Het versterkt geluiden die we anders niet zouden horen, het dempt geluiden die onze oren zouden kunnen beschadigen. Het gehoor, altijd tegenover het gezichtsvermogen afgezet als het passieve, ontvangende zintuig, is allesbehalve dat. We kunnen ons gehoor trainen als een spier. Wie dat doet zal zich verbazen over de dingen die zij of hij hoort.

In de Auvergne begon ik de dag aan de beek waarvan het gekabbel boven door mijn suizen werd overstemd. Ik was meestal vroeg wakker, rond zessen, glipte uit bed en daalde af over smalle paadjes langs tenten waarin het stil was. Een enkele keer kruiste een hardloper mijn pad, bezig zijn conditie te trainen zoals ik mijn gehoor ging trainen. Het laatste stukje ging steil naar beneden. Ik moest me vasthouden aan takken wilde ik niet uitglippen op het vochtige pad en kwam aan op mijn plek.

Een grasveld strekte zich uit tot aan de beek. Verspreid, maar vooral verzameld aan de oever, stonden elzen, populieren en enkele naaldbomen. Boven hoorde ik het kabbelen van het water dan wel niet, hier des te meer. Er was elke keer weer het gevoel van voldoening zodra het gekabbel als in een vriendelijke revanche mijn suizen opzijduwde.

Het was nog fris. De zon bereikte slechts de hoogste boomtoppen en het zou nog zeker een uur duren voor de eerste zonnestralen hier beneden zouden doordringen. Vogels wisten dat ze daar in de hoogte de warmte moesten halen. Hun aftastende fluiten klonk als het stemmen van een orkest. Merels hoorde je hier, tsjilpende mussen, het koeren van de Turkse tortel, en het krassen van de Vlaamse gaai telkens weer als een lelijke knauw. Maar het was vooral de fauvette de jardins, de tuinfluiter, die in dit halfopen, bosachtige gebied zo glashelder boven alles uit zong, dat het op onze wandelingen voelde alsof ik niet te dichtbij mocht komen. Zo fraai als hij zong, molto presto met virtuoze trillers en het snelle einde als een guirlande, zo onopvallend grijs was hij. Dacht ik hem te spotten, dan schoot hij kolibrie-achtig snel weg en zette na een korte pauze zijn gezang elders voort.

Een reusachtige hangmat, gemaakt van stug touw en met brede spanbanden aan de bomen bevestigd, hing aan de waterkant. Ik liet me erin zakken, zwaaide mijn benen over de rand, en werkte mezelf als een trapezewerker naar het midden. Daar, zwevend boven de met bladeren, naalden en elzenproppen bedekte grond, wachtte ik tot de eerste zonnestralen door het bladerdek zouden breken. Heel langzaam veranderde het licht. Als de zon hier eindelijk doordrong en ik mijn fleece kon uittrekken was het of er een dimensie was gewonnen. Het water weerkaatste het licht alsof het het aan de zon wilde teruggeven en bescheen zo, steeds flikkerend en veranderend, de bladeren aan de onderzijde.

Achter me kabbelde het water. De eerste keer dat ik hier kwam klonk het als niet meer dan een uniform geluid, maar naarmate ik er vaker kwam, begon ik steeds meer nuances in het water te horen. Een verroeste, in onbruik geraakte sluisconstructie veroorzaakte een twintigtal meters stroomopwaarts een kleine waterval. Gelijkmatig over de rand stromend maakte het water een val van twee decimeter en vormde zo een gestaag achtergrondgeluid dat wel iets weg had van een stromende badkraan. Hoe anders klonk de versnelling tien meter stroomafwaarts links van mij, waar de bedding versmalde en het water minder ruimte had, driftig kolkend over keien snelde en vervolgens bruisend een tweede val maakte! Stromen, bruisen, kabbelen, kolken, de woorden schieten tekort om de nuances die ik hoorde te beschrijven. Wat voor woord moet ik bijvoorbeeld gebruiken om het geluid te benoemen dat zich rond enkele grote keien voordeed, waar de stroom in tweeën werd gespleten om vervolgens weer te worden verenigd? Het lijkt op een doffe plons maar is het niet. Klokken, zo anders dan kolken, komt nog het meest in de buurt.

Uren bracht ik hier ‘s ochtends door, uren waarin ik ontdekte dat deze geluidswereld door een kleine, dierlijke beweging van het hoofd zozeer kon verschuiven of kantelen dat zij een heel andere kleur en dimensie kreeg. Onze positie ten opzichte van het object bepaalt onze perceptie ervan, leerde de fenomenoloog Merleau-Ponty ons en vulde daarmee Heidegger en Husserl aan, maar dat de miniemste hoofd- of oorbeweging al zo’n verandering teweeg kan brengen ervoer ik daar aan de rivier voor het eerst. Zo, als een vos die zijn oren richt, manipuleerde ik door mijn hoofd te draaien de geluiden. Intussen daalden de vogels langzaam af, met het licht en de warmte.


Gregor Verwijmeren


Eens lag ik zo luisterend en schrok op door een krakend geluid, dat zo luid klonk dat het leek alsof de aarde onder mij openscheurde. Het kwam van rechts, waar een donkere schaduw me het zicht van mijn rechteroog belemmerde. Het bleek een uitgedroogd elzenblad te zijn, dat uit de boom was gedwarreld en vlak naast mijn oor was geland, meegenomen door een zacht briesje, schurend als perkament over het ruwe touw van de hangmat. Mijn gehoorschors had dit zachte kraken uitvergroot als een megafoon. Was mijn gehoor wel minder geworden, zoals de kinderen me haast dagelijks inwreven? Eens te meer bleek het gehoor dynamisch. Ik stak het blad voorzichtig bij me. Een relikwie dat me herinnerde aan de wonderbaarlijkheid van geluid.

Wat vertelden de geluiden mij, de vogels, het water, de wind in de bomen, deze voortdurend veranderende natuursymfonie? Het was alsof ik was ingebed in een zich eindeloos uitstrekkend, goedaardig, resonerend web. Geluid, dat ooit als een muur tussen mij en de wereld was gaan staan, leek me nu met de wereld te willen verbinden. Soms werd ik overspoeld door een gevoel van extase, dat zich leek te manifesteren in een korte trilling in de onderarmen, alsof ze met de wereld resoneerden, zoals de schaatsenrijdertjes achter mij met hun voorpoten de trillingen in het water aftastten. Vooral was ik niet meer een handelend, denkend of prakkiserend wezen. Ik luisterde alleen maar. Ik was alleen maar homo acusticus.


Twee maanden later luisterde ik opnieuw naar stromend water. Het kwam uit de kraan van de wc van de Amsterdamse Veemvloer, waar de laatste voorbereidende schermutselingen voor de opname van VPRO Boeken plaatsvonden. Ik plensde het in mijn gezicht en liet het stromen, hopend op een kalmerend effect, intussen bij mezelf mijn go-to stories herhalend. Er school iets verontrustends in het een kwartier lang moeten praten over iets waaraan ik jaren had gewerkt. Ik had de nacht grotendeels wakend doorgebracht, luisterend naar de morsesignalen in mijn hoofd, en voelde me gebroken. Vanaf de wc was het haast een rechte lijn naar de uitgang van De Veemvloer. Zou ik hem peren? Het zou misschien een schandaaltje veroorzaken, goed voor de verkoop. ‘Debuterend auteur verdwijnt spoorloos vlak voor opname boekenprogramma. Hij hield te veel van stilte.’

‘Debuterend auteur verdwijnt spoorloos voor opname boekenprogramma’

Ik verliet de Veemvloer niet maar koerste richting zaal voor het gesprek met Carolina Lo Galbo. De herinnering eraan is die van een kwartier dat lijkt te zijn samengeperst in een stip, van een brein dat zoekt, tast als een hand op een donkere zolder en zelf verbaasd is wat het aan het licht brengt, en van\
Carolina’s blauw dat – toevallig of niet – precies de kleur was van de omslag van De vorm van geluid.

Mijn boek was in de wereld en daarmee ikzelf. De stilte had ik al verloren, maar bij de geluiden die bij me hoorden als mijn ademhaling, kwam iets anders: een extra ruis.

De week na de uitzending bereikten me de eerste persoonlijke berichten via mijn website en social media. Vaak waren het mooie en ontroerende dankwoorden, vaak ook heftige verhalen van mensen die om raad of advies vroegen. Wat moest ik met deze nieuwe rol? Ik had een verhaal verteld, maar ik was geen therapeut en het voelde elke keer weer verkeerd als ik ook maar een hint van advies gaf aan iemand die ik nooit had gezien of gesproken. Tegelijkertijd besefte ik dat dit een boek was dat ik misschien zelf had willen lezen toen de tinnitus me in zijn greep had. Ik raakte in een spagaat. Tot ‘s avonds laat zat ik uiterst behoedzaam mails op te stellen. Intussen nam de tinnitus toe.

Op mijn schrijfdagen fietste ik naar mijn schrijfhok in de boerderij om de weinige uren die me restten te schrijven aan dit essay. Maar ik was de woorden kwijt. Er stond iets tussen ons. Ik had de ruis meegenomen naar de plek waar ik altijd het jaar 1990 creëerde door helemaal offline te zijn en waar in lange lege uren alleen de tekst en ik tegenover elkaar stonden. Nu was het alsof er een web van handen van alle kanten naar mij graaide. Dat web zoemde elektrisch in mijn hoofd en de woorden hielden zich verscholen. Ik miste mijn deadline. Hoe kon ik de woorden weer vinden?


Schrijven is voor een groot deel luisteren. Luisteren naar stemmen en ideeën die van binnen komen. Zij vormen het materiaal waaraan zo lang wordt geschaafd en dat zo lang wordt ingedikt, als het ware wordt gemarineerd, tot er iets staat dat onontkoombaar, levend en aanschouwelijk is. V.S. Pritchett noemt deze mentale staat ‘a determined stupor’, een vastberaden staat van bedwelming of verdoving. Het is de reden waarom er schrijvers zijn die geen interviews geven (één afspraak kan die toestand breken). De afsluiting voor prikkels, informatie en de waan van de dag heeft niets met het l’art pour l’art-principe te maken maar met de aard van het métier. In een tijdperk waarin alles en iedereen voortdurend met elkaar in verbinding staat, lijkt die afzondering haast een daad van verzet. De schrijver die aan de heersende mores wil ontsnappen, gaat niet vreemd, verlaat niet huis en haard, trekt niet ten oorlog en grijpt niet naar drank of drugs, hij of zij gaat offline en zoekt de stilte op om de stemmen tot zich te laten komen. Maar de stemmen die nu door mijn hoofd gingen kwamen niet van binnen maar van buiten, ze namen me mee naar andere plaatsen en spraken een andere taal.

Ik ontdekte nog iets in mijn schrijfhok: de geluiden klonken er anders. Het zoemen van mijn oude pc en de theepot, de handbediende koffiemolen als een koets op een grindpad, de wind die zachtjes bokste tegen het smalle veluxraam, het spoor naar het zuiden en de ruis van de A12 als dat raam openstond, de incidentele stemmen van het boerenechtpaar onder mij in de deel, als de vrouw haar echtgenoot vertelde dat de lunch op hem wachtte en zij me er zo aan herinnerde dat ik zelf moest eten – al die geluiden die voorheen op subliminaal niveau mijn ‘determined stupor’ verdiepten, drongen zich nu aan mij op. Net als mijn tinnitus. Ik miste een tweede deadline.

In de kerstvakantie bezochten we NEMO Science Museum: een sonic attack van honderden joelende kinderen op de laatste dag van hun vakantie. Ik had mijn oordoppen vergeten en vluchtte naar het terras op het dak om me van het lawaai te bevrijden. De gelijkmatige buzz van de stad was op een vreemde manier rustgevend, ondanks de sirenes van de ambulances die onder mij de IJ-tunnel in doken.

Het geschoffel van de tuinman in de tuin van de buurvrouw

Geen wetenschapsmuseum zonder geluidsobjecten. Op de eerste verdieping stond een op een orgel lijkende rij met buizen van aflopende dikte, die elk een partje uit het meerlaagse lawaai lieten horen: de akoestische tegenhanger van het prisma dat het licht breekt. Op dezelfde verdieping bleef mijn jongste dochter staan bij een van de twee fluisterschotels die over de hele breedte van de ruimte tegenover elkaar stonden opgesteld. Eronder stond de tekst: ‘Kun je elkaar op grote afstand horen? Als je in de ring fluistert, maak je geluidsgolven. Normaal gesproken waaieren geluidsgolven uit, maar door zijn holle vorm weerkaatst de schotel de golven als één bundel naar de schotel aan de andere kant. Deze schotel vangt de bundel weer op en weerkaatst de geluidsgolven naar de ring in het midden. Houd je oor in de ring, dan kun je de gefluisterde boodschap heel goed horen.’

Het zou niet werken in deze herrie, wist ik, maar de jongste zat al op het krukje voor de schotel en dirigeerde me naar de andere. Ik stak de ruimte over, wachtte tot een omvangrijke, kwetterende Italiaanse familie was gepasseerd, ging voor de schotel zitten en legde mijn oor tegen de ring. Wat ik hoorde was verbijsterend.

‘Kun je me horen, papa?’ Zachtjes maar glashelder klonk door het lawaai van NEMO de stem van mijn dochter. Het was alsof die stem de kakofonie om ons heen tenietdeed, zoals een tegengeluid een ander geluid tenietdoet. Ze herhaalde haar vraag, maar ik luisterde alleen maar verbluft naar die stem die de afstand tussen ons overbrugde als een postduif vijandig gebied in oorlogstijd. Geluid leek opeens bezield, een onzichtbare maar uiterst doelmatige intelligentie. Ik was ontroerd en gefascineerd tegelijk.

Om het gesprek te rekken stelde ik wedervragen, maar het duurde niet lang voor ze verlegen zei: ‘Ik weet niets meer te zeggen’ – en weg was ze om te zien waar haar zus uithing. Een Italiaans jongetje ging op haar kruk zitten. Ik maakte plaats voor zijn moeder, die het fluisteren voorbij was en op luide stem in de ring begon te tetteren.

Terwijl ik opstond zag ik in een flits de prachtige metafoor. NEMO was de wereld, de chaos, het rumoer, de schotels waren het oor, dat als je het maar wist te richten je ongestoord door de ruis liet luisteren. Ik voelde voor het eerst weer dezelfde opwinding als tijdens mijn zomerse luistersessies aan het beekje. Het lawaai drukte opeens niet meer op me. Het was of ik pas nu hier was aangekomen, ontwaakt niet door harde hand maar door een fluwelen oorstreling. En daarmee wist ik opeens dat het een proces was waar ik in zat. Dat het web van stemmen en reikende handen in mijn hoofd bij mijn schrijven hoorde als het omslag bij het boek. Dat het slechts betekende dat dat boek leefde. Ik zou mijn weg hierin vinden.


Na die ervaring in NEMO ging ik doen wat ik deed aan de Franse beek en in de periode dat de tinnitus me in zijn greep had: luisteren. Dagelijks een half uur tot een uur waren omgevingsgeluiden het enige waar ik mijn aandacht op richtte, tastten mijn oren als in een 3D-scanner mijn omgeving af. Zo luisterde ik naar: de wind en de regen tegen het raam en op de dakpannen; studiegeluiden van de oudste twee in de kamer naast mij (het slijpen van een potlood, het openslaan van een woordenboek); het geschoffel van de tuinman in de tuin van de buurvrouw; het zachtjes zoemen van de Grönö-lamp op het nachtkastje; buurtkinderen, auto’s, vogels en een enkel vliegtuig. De geluiden werkten als een stemvork: het was of dingen vloeibaar werden en in harmonie kwamen. Opeens leek het niet meer erg om tien dagen te wachten met het beantwoorden van een mail.

Ik ging steeds meer uitkijken naar mijn akoestische snack. Eens volgde ik al luisterend naar het douchen van een van de kinderen een spinnetje dat aan het plafond probeerde een web te spinnen, een project dat opeens van wereldbelang leek. Het was alsof er een gat werd overbrugd naar voorbije tijden, toen het vage grensgebied tussen verveling en tussentijd ons dagelijks ritme mede bepaalde, het goedaardige limbo waarin vaak de beste ideeën komen. Toen de douche staakte voelde ik me verfrist als na een powernap – en de wereld voelde nieuw.


Gregor Verwijmeren


Luisteren herstelt. Luisteren zet dingen op hun plek en verbindt ons met de wereld om ons heen. Maar we lijken deze vorm van luisteren te zijn verleerd. Anno 2019 spreken we vooral in negatieve termen over geluid, we willen er vooral weg van. Geen groter symbool van het ongenoegen van de weldenkende westerse burger dan het kabaal waaraan hij dagelijks wordt blootgesteld, geen groter symbool van de panacee tegen de overload aan prikkels dan stilte.

Wie zichzelf traint in het luisteren naar zijn omgeving wapent zichzelf tegen een schizofrene wereld die slechts wil prikkelen maar onze zintuigen afstompt. Een schizofone wereld waarin we ongemerkt onze oren hebben leren spitsen op geluiden die ons uit onze omgeving losrukken (elk appje, elk berichtje, elk filmpje). Dit is geen anti-modernistisch pleidooi voor een terug-naar-de-natuur: heel alledaagse geluiden (ook stadsgeluiden) kunnen dezelfde emotie teweegbrengen als een schitterende zonsondergang, ze hebben bovendien het voordeel dat ze voortdurend voorhanden zijn. En anders dan muziek vertellen ze geen verhaal, informeren niet, ze zijn er gewoon. En waar zijn wij als we muziek horen?

Dit luisteren is verfrissend, verrassend, praktisch, heilzaam en openbarend, en nog leuk ook. Niet meer homo economicus maar homo acusticus: een wezen waarvan iedere cel trilt, zich voortbewegend op een trillende planeet, omsloten en altijd geraakt door een trillend medium.