WINTER

Geen idee hoe deze hier, dus
    jij of ik zonder bezoekingen moest leven.
Jouw bestaan verliep gezegend
    in de wolfsklem van oneindig wee.

De ochtend brak pas aan
    als het langzaam in jou daagde
en je langs de Noordzee wind en vorst
    trotseerde in de koude vroegte

om iets te herwinnen
    dat ik misschien nooit bezat:
een vreemde aandrift die onstuimig
    groeide, een getijdenkracht die aanzwol
of verzwakte, terwijl in bange nachten
    hoop en wanhoop met elkaar vervloeiden.

Je trok de muts over je oren, spoog toen
    op het grijs van de bevroren branding.
Kraaien rouwden op gestolde golven,
    meeuwen scheerden laag over je hoofd.

Je stak je neus recht in de wind,
    veegde traanvocht van je wangen.
Ik wist: de wereld zou nooit wennen.
    Zolang het kon moest je verreizen
naar een berghut in Alaska of een boet in Zijpersluis
    waar geen mens mij nog zou vinden.

Wie was het die mij toeriep
    dat ik van het leven niets verstond;
de grond onder je voeten was jouw huis,
    het werd tijd mij te bezinnen op de aarde

en haar stevige, maar onweerstaanbare godinnen –

januari 1963

LENTE

Het wondvocht van de woorden legde sporen
    van een oude bloeding bloot.
Een vriendschap was verbroken, de greep op het ongrijpbare gelost.
Afgunst was een hoedenpen hardvochtig in jouw hart gedreven.
Verachting werd je deel, vernedering niet gewroken.
Haar eens zo volle lippen waren tot een dunne streep versmald.

April die keer bracht merelnesten, pure
onlust, eerste padden in een kleine poel
    tussen de varens.
Ontluistering en peilloze begeerte
wakkerden het onbehagen aan.
    Toch was hij niet de wreedste maand,
    schreef jij, H.C., in jonge overmoed aan T.S.E.
    die zweeg en vroom zijn oude handen
    vouwde om het denkbeeld van de wreedheid
    te bespreken met een god die rechts en links
    verzuimde beulen te bestrijden.
    De winter hield hem warm, de zomer – lang geleden –
    pakte uit met regen, zon en koffie in de Hoftuin
    van de Staatskanselarij in München.

April lag onder het zand.
Het Braakland was voor jou
een afgesloten Hof van Eden.

    De modernist die poëzie gepassioneerd vernieuwde
    bleek bevangen door behoudzucht
    toen een wereld in beroering door de naden
        van het leven kroop.

    De voorhoede liep achter
    op het slagveld van bedrog en macht.
    Tussen de twee oorlogen zag T.S.E. geen uitkomst
    en geen hoop: taalflarden moesten gedachten
    en gedichten stutten.
    Hartsvriend Pound, verguisd, geprezen, alsook
    Primus der Poëten ging tekeer
    tegen roden, joden en proleten.
    Hij laakte de woeker, verfoeide de geldwolf
    en lapte het vaderland aan zijn laars.
    ‘Mussolini te gronde aan een vergissing,’ schreef hij
    in een Canto dat je door zijn onvolmaaktheid
          en hardleersheid raakt.
    Hij was niet meer in staat de poëzie te laten stromen
    en gaf weifelend zijn fouten toe
        zonder zijn gelijk te laten varen.
    Wyndham Lewis, schilder, schrijver, stokebrand,
    vond Tom Eliot een puike kerel
    die hij ‘met ironische genegenheid’ bezag.
    Vriend Ezra daarentegen noemde hij
    ‘een revolutionaire en romantische onnozelaar’
    aan wie hij toch veel had te danken.

Weet ik dan hoe te leven? vraag je.
Deed ik het soms beter?

Aanvaard maar wat de dichter net niet zegt:
April is wreder dan december.
Je leeft nog, je bent niet meer onbeschreven.
De demon van de droom brengt ‘s nachts verloren
onschuld aan het licht, zijn vuist treft
net als toen
jouw weerloze verwachting vol in het gezicht.

Omhels, bezing, drink in
de heelkracht van vergeten woorden:
‘Elke frase, elke zin is een einde en begin.’ Four Quartets
Wie in april bezocht wordt door demonen
gaat in mei weer fluitend aan het werk.

april 1964

ZOMER

De dagen slepen zich zonder contouren
    voort, ze schroeien zich een weg
door bietenvelden, bospercelen, lege zomersteden.
Het loof is zwaar, het asfalt smelt,
fruit rot aan de bomen.
Lijven wentelen aan het zonnespit: kerels
torsen buiken als ballonnen, in het zand
tussen de rotsen blakeren de wijven kingsize
    zadeltassen op een mat.
Huid en schedel zinderen in de avond, doorgebrand,
wie weet al afgeschreven.
Azijn verzuurt de bloedwei in de blaren,
levervlekken groeien uit tot melanomen.
    In spleten, holten
zwellen knoppen van tumoren.

Jij doolt verwezen door het achterland,
de zomer trilt en oogt als een woestijn.

Hier de grond die zonder grond is,
daar de schijn van een volledig leven.

Murw en mager als een Spaanse hond     
kruip je naar de rand van een verzengd ravijn.

juli/augustus 1995

HERFST

1
Geuren en onttakeling, bros is\
    de brekende tak in de tuin
waar ook kraaien de stilte bekrassen.
Onder een dek van bladeren volgt de egel
ritselend zijn spitse snuit:
ruiken of niet ruiken is de vraag.

Een windvlaag kamt
    het vijverriet en huivert
in de pluimen.
De egel kijkt niet op of om,
trippelt nuffig over het pad
en verdwijnt tussen ontklede struiken.

2
Eerste vorst, een waas
    over het land, paarden dampen
in de weiden,
parels glinsteren aan halmen,
hazen vluchten van de akkerrand
waar sleedoornhagen zonder reden zijn gekapt.

Mild en helder deze herfstdag
    in november.
Je trapt de onvrede uit je fysiek
en fietst tot aan de werkplaats in de hof
waar kozijnen kraken, botten krimpen
en de waakvlam van het woord als altijd brandt.

Wat sluimert in het brein
    dat je nog niet verkende?
Wat maakt de geest zo stram en donker
dat een dag als deze
toch de mist in gaat?
Het verlangen is een vorm van lijden.

Het is twintig jaar geleden
    dat vriend Daniël het leven liet
voor wat het was:
‘Van alles, door alles uitgestoten’
bracht een brief weer uitstel voor een dag.
Zijn weg liep dood tussen de heuvels –
‘Door de mist zag ik de postbode niet komen.’
    Hier strijkt de zon nog laag     
over de taal die wilde tuinen spreken.
Je zet je neer en ruikt de woorden
die een geur van stervend blad
en klamme bospaden verraden.

november 2012

H.C. ten Berge debuteerde in 1964 met Poolsneeuw. In 1967 richtte hij het tijdschrift Raster op. Hij publiceerde poëzie, romans en novellen, essays en vertalingen. Recente titels zijn: Cantus Firmus (2014), Splendor (2016), _Een spreeuw voor Harriët _(2018). In 2006 ontving Ten Berge de P.C. Hooft-prijs.

Meer van deze auteur