Bèng

Nee. Nee. Omdat ik er helemaal klaar mee ben. Nee hoor, zo zit het niet. Nee. Nee.

Weet je wat we hadden afgesproken? Mártin schrijft de liedjes en speelt de gitaarsolo's, jíj zingt de golven in het bier, Rémco knalt er de basnoten onder, ík ram op de potten en deksels en Wóúter vult op met akkoorden. Zo simpel is het. Hits scoren, plaatjes verkopen, pegels harken en meiden neuken – dát gingen we doen met ons leven, dáárom ben ik met mijn studie gestopt. Weet je nog dat hele gezeik over de naam van de band? Dat Wouter wilde dat we een mysterieuze naam kozen, terwijl wij het allang eens waren over The Blast? Het is een slapjanus, en hij zit alleen maar in de band omdat hij ooit met de zus van Remco scharrelde. Wouter moet gewóón hoofdtrappen spelen, functionele schema's: één twee vijf vier zes één. G over C, of een sus-akkoord, tuurlijk, hoef ik jou niet uit te leggen. Maar we spelen rock, stadionrock om precies te zijn. Ik zei tijdens de opnamesessie al tegen hem: wat zit je nou te foezelen man? Komt hij weer met een of ander hard verminderd none-akkoord in de vierde omkering met een toegevoegde dertien. Kun je je dat nog herinneren, dat ik zei: wat zit je nou te foezelen? Het is altijd hetzelfde met hem. Het is geen jazz, we dóén geen jazz – jazz is ouwelullenmuziek. Hou het simpel man, wat wij doen is bèng – het stadion plat. En dan kijkt hij mij aan met zo'n vage artistieke blik van: drummertje, wat weet jij nou van harmonie met je pannenset. Maar studiotijd kost geld, ons eigen gespaarde geld verdomme, en we moesten door. Klopt. En Martin is nalatig geweest, met z'n kop te veel bij het zoeken naar z'n eigen sound. Ik heb gewoon zo hard mogelijk geramd die middag, dat hóór je ook, hoe goed dat voor dat nummer is. Ja. ja. Dat zég ik, hij had moeten ingrijpen, het is zíjn nummer tenslotte. Weet je, wij moeten geen aandacht trekken met virtuoos gehannes, nee, wij moeten het gewoon vierkant neerzetten voor jou, want het gaat om jóú. Iedereen kijkt naar jóú, Kees, op jóú moeten die meiden verliefd worden. Ik ken mijn plaats, míjn functie is de boel aan het hossen krijgen. Ja. En Wouter met z'n toetsen moet vullen en ondersteunen, geen eigen verhalen vertellen. Daarom bel ik, dan heb je het van mij. Heeft hij jou al gebeld? Nee, ik weet het zeker. Ik lees die brief en heb van woede mijn bekken uit het raam gezeild. Ik had wel een fietser kunnen raken man, ik heb geluk gehad. Bèng. Duur ding, tweehonderd gulden verdomme, maar deze jongen gaat zijn studie weer oppakken. Ik fiets meteen naar Wouter toe en het was een heterdaadje, ik hoor hem buiten al akkoordprogressies zitten oefenen, de een nog weeër dan de andere. Zijn huisgenoot doet open, ik kom zijn kamer binnen, Wouter merkt mij niet eens op en ik kan me niet beheersen, ik klap de klep dicht, draai de sleutel om en loop naar buiten. Nóóit meer dat gefoezel – de buren geven een feest voor me vanavond, weet ik zeker. Ons éér­ste plaatje, onze állereerste single verpest door een sentimentele pianist met zijn verminderde kwartsextakkoorden met de elf onderop en een vertraagde twee. Hebben we daarvoor gespaard, om die opnametechnicus te huren en vijftig exemplaren te laten persen. Precies. Nee? Nou, hij schrijft – en hij is echt dé radiojockey van Nederland hè? – hij schrijft dat hij het een pakkend nummer vindt. Pakkend, zegt hij! Pákkend! Maar dat het qua harmonieën toch wat onhelder is, te ingewikkeld voor de gewone luisteraar, de stijl niet echt voor Hilversum 3. Maar dat er wel op de maandagnacht een programma is op Hilversum 2. Weggegooid. Ja, zo'n klein goudkleurig sleuteltje. Hij kon nog net zijn handen wegtrekken.